1/68
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
begrijpen
to understand
begreep
begrepen
(Hebben) begrepen
bedenken
to consider
bedacht
bedachten
(Hebben) bedacht
bekijken
to look at
bekeek
bekeken
(Hebben) bekeken
bewegen
to move/ to stir
bewoog
bewogen
(hebben) bewogen
beschrijven
to describe
beschreef
beschreven
(hebben) beschreven
bezoeken
to visit
bezocht
bezochten
(hebben) bezocht
breken
to break
brak
braken
(hebben) gebroken
brengen
to bring
bracht
brachten
(hebben) gebracht
buigen
to bow
boog
bogen
(hebben) gebogen
denken
to think
dacht
dachten
(hebben) gedacht
doen
to do
deed
deden
(hebben) gedaan
dragen
to wear
droeg
droegen
(hebben) gedragen
drinken
to drink
dronk
dronken
(hebben) gedronken
eten
to eat
at
aten
(hebben) gegeten
genieten
to enjoy
genoot
genoten
(hebben) genoten
geven
to give
gaf
gaven
(hebben) gegeven
hangen
to hang
hing
hingen
(hebben) gehangen
hebben
to have
had
hadden
(hebben) gehad
helpen
to help
hielp
hielpen
(hebben) geholpen
houden
to hold
hield
hielden
(hebben) gehouden
kiezen
to choose
koos
kozen
gekozen
kijken
to look
keek
keken
(hebben) gekeken
klinken
to sound
klonk
klonken
(hebben) geklonken
kopen
to buy
kocht
kochten
(hebben) gekocht
krijgen
to get
kreeg
kregen
(hebben) gekregen
kunnen
to be able to
kon
konden
(hebben) gekund
lezen
to read
las
lazen
(hebben) gelezen
liegen
to lie (not tell the truth)
loog
logen
(hebben) gelogen
liggen
to lie
lag
lagen
(hebben) gelegen
moeten
to have to
moest
moesten
(hebben) gemoeten
mogen
to be allowed to
mocht
mochten
(hebben) gemogen
nemen
to take
nam
namen
(hebben) genomen
ontbijten
to eat breakfast
ontbeet
ontbeten
(hebben) ontbeten
ontvangen
to receive
ontving
ontvingen
(hebben) ontvangen
roepen
to shout
riep
riepen
(hebben) geroepen
schrijven
to paint
schreef
schreven
(hebben) geschreven
slapen
to sleep
sliep
sliepen
(hebben) geslapen
sluiten
to close
sloot
sloten
hebben/ zijn gesloten
snijden
to cut
sneed
sneden
(hebben) gesneden
spreken
to speak
sprak
spraken
(hebben) gesproken
staan
to stand
stond
stonden
(hebben) gestaan
vergelijken
to compare
vergeleek
vergeleken
(hebben) vergeleken
verkopen
to sell
verkocht
verkochten
(hebben) verkocht
verstaan
to understand (hear)
verstond
verstonden
(hebben) verstaan
vervangen
to change
verving
vervingen
(hebben) vervangen
verzenden
to send
verzond
verzonden
(hebben) verzonden
vinden
to find
vond
vonden
(hebben) gevonden
voorkomen
to prevent
voorkwam
voorkwamen
(hebben) voorkomen
vragen
to ask
vroeg
vroegen
(hebben) gevraagd
weten
to know
wist
wisten
(hebben) geweten
willen
to want
wilde/ wou
wilden
(hebben) gewild
winnen
to win
won
wonnen
(hebben) gewonnen
zeggen
to say
zei
zeiden
(hebben) gezegd
zien
to see
zag
zagen
(hebben) gezien
zingen
to sing
zong
zongen
(hebben) gezongen
zitten
to sit
zat
zaten
(hebben) gezeten
zoeken
to search
zocht
zochten
(hebben) gezocht
zullen
shall
zou
zouden
beginnen
to begin
begon
begonnen
(zijn) begonnen
blijven
to stay
bleef
bleven
(zijn) gebleven
gaan
to go
ging
gingen
(zijn) gegaan
komen
to come
kwam
kwamen
(zijn) gekomen
overlijden
to pass away
overleed
overleden
(zijn) overleden
vallen
to fall
viel
vielen
(zijn) gevallen
vertrekken
to leave
vertrok
vertrokken
(zijn) vertrokken
worden
to become
werd
werden
(zijn) geworden
zijn
to be
was
waren
(zijn) geweest
lopen
to walk
liep
liepen
(hebben/ zijn) gelopen
vergeten
forget
vergat
vergaten
(hebben/ zijn) vergeten