Nederlands Onregelmatige Verba

0.0(0)
Studied by 5 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/68

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Last updated 9:01 AM on 5/10/24
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

69 Terms

1
New cards

begrijpen

to understand

  • begreep

  • begrepen

  • (Hebben) begrepen

2
New cards

bedenken

to consider

  • bedacht

  • bedachten

  • (Hebben) bedacht

3
New cards

bekijken

to look at

  • bekeek

  • bekeken

  • (Hebben) bekeken

4
New cards

bewegen

to move/ to stir

  • bewoog

  • bewogen

  • (hebben) bewogen

5
New cards

beschrijven

to describe

  • beschreef

  • beschreven

  • (hebben) beschreven

6
New cards

bezoeken

to visit

  • bezocht

  • bezochten

  • (hebben) bezocht

7
New cards

breken

to break

  • brak

  • braken

  • (hebben) gebroken

8
New cards

brengen

to bring

  • bracht

  • brachten

  • (hebben) gebracht

9
New cards

buigen

to bow

  • boog

  • bogen

  • (hebben) gebogen

10
New cards

denken

to think

  • dacht

  • dachten

  • (hebben) gedacht

11
New cards

doen

to do

  • deed

  • deden

  • (hebben) gedaan

12
New cards

dragen

to wear

  • droeg

  • droegen

  • (hebben) gedragen

13
New cards

drinken

to drink

  • dronk

  • dronken

  • (hebben) gedronken

14
New cards

eten

to eat

  • at

  • aten

  • (hebben) gegeten

15
New cards

genieten

to enjoy

  • genoot

  • genoten

  • (hebben) genoten

16
New cards

geven

to give

  • gaf

  • gaven

  • (hebben) gegeven

17
New cards

hangen

to hang

  • hing

  • hingen

  • (hebben) gehangen

18
New cards

hebben

to have

  • had

  • hadden

  • (hebben) gehad

19
New cards

helpen

to help

  • hielp

  • hielpen

  • (hebben) geholpen

20
New cards

houden

to hold

  • hield

  • hielden

  • (hebben) gehouden

21
New cards

kiezen

to choose

  • koos

  • kozen

  • gekozen

22
New cards

kijken

to look

  • keek

  • keken

  • (hebben) gekeken

23
New cards

klinken

to sound

  • klonk

  • klonken

  • (hebben) geklonken

24
New cards

kopen

to buy

  • kocht

  • kochten

  • (hebben) gekocht

25
New cards

krijgen

to get

  • kreeg

  • kregen

  • (hebben) gekregen

26
New cards

kunnen

to be able to

  • kon

  • konden

  • (hebben) gekund

27
New cards

lezen

to read

  • las

  • lazen

  • (hebben) gelezen

28
New cards

liegen

to lie (not tell the truth)

  • loog

  • logen

  • (hebben) gelogen

29
New cards

liggen

to lie

  • lag

  • lagen

  • (hebben) gelegen

30
New cards

moeten

to have to

  • moest

  • moesten

  • (hebben) gemoeten

31
New cards

mogen

to be allowed to

  • mocht

  • mochten

  • (hebben) gemogen

32
New cards

nemen

to take

  • nam

  • namen

  • (hebben) genomen

33
New cards

ontbijten

to eat breakfast

  • ontbeet

  • ontbeten

  • (hebben) ontbeten

34
New cards

ontvangen

to receive

  • ontving

  • ontvingen

  • (hebben) ontvangen

35
New cards

roepen

to shout

  • riep

  • riepen

  • (hebben) geroepen

36
New cards

schrijven

to paint

  • schreef

  • schreven

  • (hebben) geschreven

37
New cards

slapen

to sleep

  • sliep

  • sliepen

  • (hebben) geslapen

38
New cards

sluiten

to close

  • sloot

  • sloten

  • hebben/ zijn gesloten

39
New cards

snijden

to cut

  • sneed

  • sneden

  • (hebben) gesneden

40
New cards

spreken

to speak

  • sprak

  • spraken

  • (hebben) gesproken

41
New cards

staan

to stand

  • stond

  • stonden

  • (hebben) gestaan

42
New cards

vergelijken

to compare

  • vergeleek

  • vergeleken

  • (hebben) vergeleken

43
New cards

verkopen

to sell

  • verkocht

  • verkochten

  • (hebben) verkocht

44
New cards

verstaan

to understand (hear)

  • verstond

  • verstonden

  • (hebben) verstaan

45
New cards

vervangen

to change

  • verving

  • vervingen

  • (hebben) vervangen

46
New cards

verzenden

to send

  • verzond

  • verzonden

  • (hebben) verzonden

47
New cards

vinden

to find

  • vond

  • vonden

  • (hebben) gevonden

48
New cards

voorkomen

to prevent

  • voorkwam

  • voorkwamen

  • (hebben) voorkomen

49
New cards

vragen

to ask

  • vroeg

  • vroegen

  • (hebben) gevraagd

50
New cards

weten

to know

  • wist

  • wisten

  • (hebben) geweten

51
New cards

willen

to want

  • wilde/ wou

  • wilden

  • (hebben) gewild

52
New cards

winnen

to win

  • won

  • wonnen

  • (hebben) gewonnen

53
New cards

zeggen

to say

  • zei

  • zeiden

  • (hebben) gezegd

54
New cards

zien

to see

  • zag

  • zagen

  • (hebben) gezien

55
New cards

zingen

to sing

  • zong

  • zongen

  • (hebben) gezongen

56
New cards

zitten

to sit

  • zat

  • zaten

  • (hebben) gezeten

57
New cards

zoeken

to search

  • zocht

  • zochten

  • (hebben) gezocht

58
New cards

zullen

shall

zou

zouden

59
New cards

beginnen

to begin

  • begon

  • begonnen

  • (zijn) begonnen

60
New cards

blijven

to stay

  • bleef

  • bleven

  • (zijn) gebleven

61
New cards

gaan

to go

  • ging

  • gingen

  • (zijn) gegaan

62
New cards

komen

to come

  • kwam

  • kwamen

  • (zijn) gekomen

63
New cards

overlijden

to pass away

  • overleed

  • overleden

  • (zijn) overleden

64
New cards

vallen

to fall

  • viel

  • vielen

  • (zijn) gevallen

65
New cards

vertrekken

to leave

  • vertrok

  • vertrokken

  • (zijn) vertrokken

66
New cards

worden

to become

  • werd

  • werden

  • (zijn) geworden

67
New cards

zijn

to be

  • was

  • waren

  • (zijn) geweest

68
New cards

lopen

to walk

  • liep

  • liepen

  • (hebben/ zijn) gelopen

69
New cards

vergeten

forget

  • vergat

  • vergaten

  • (hebben/ zijn) vergeten