1/324
UGent 25-26
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
sociologische verbeelding
= het vermogen om de band te zien tussen je eigen persoonlijke leven en de grote maatschappelijke wereld
gedrag
= Elke actie of reactie van een individu, zoals een lichamelijke beweging, een verbale uiting,…
sociaal handelen
= menselijk gedrag waarbij een persoon bewust rekening houdt met het gedrag, de intenties of de reacties van anderen
instrumenteel rationeel, waarde rationeel, affectief, traditioneel
soorten sociaal handelen (4)
instrumenteel rationeel handelen
= een vorm van menselijk gedrag waarbij je de beste middelen kiest om een specifiek doel zo efficiënt mogelijk te bereiken
waarde rationeel handelen
= handelen dat wordt gedreven door een bewust geloof in een absolute waarde, zoals ethiek, religie of schoonheid, los van het directe nut of resultaat
affectief handelen
= gedrag dat direct wordt gestuurd door emoties, gevoelens of driften
traditioneel handelen
= gedrag dat mensen bijna zonder nadenken doen
interactie
= wisselwerking of het op elkaar reageren van personen, objecten of systemen, zoals sociale communicatie, medicijnwisselwerkingen of natuurkrachten
opdat motieven
= beschrijft de wens om een specifiek doel te bereiken
omdat motieven
= beschrijft de reden of oorzaak van een handeling
conforme interactie, samenwerking, conflict, ruil
soorten interactie (4)
conforme interactie
soort interactie
= communicatie of handeling die past binnen afgesproken regels, zoals richtlijnen, wetten of gedragsnormen
samenwerking
soort interactie
= twee of meer mensen of groepen samenwerken om een gezamenlijk doel te bereiken, waarbij ze taken, kennis en vaardigheden delen
conflict
soort interactie
= botsing van tegengestelde belangen, meningen of waarden tussen personen, groepen of landen
ruil
soort interactie
= het uitwisselen van spullen, diensten of van plek zonder dat je daar per se geld voor gebruikt
structuur
= het geheel van posities van actoren en de vorm vd interacties en relaties tussen die actoren
cultuur
= al het gedrag, de regels, de gewoonten en de kunst die mensen samen maken en delen
demografische, ecologische, materiële en technologische
factoren die een rol spelen in de context (3)
demografische factoren
factor v context
= meetbare kenmerken van een bevolking, zoals leeftijd, geslacht, en inkomen
ecologische factoren
factor v context
= alle invloeden uit de omgeving die het leven van organismen beïnvloeden
materiële en technologische factoren
factor v context
= tastbare en technische invloeden die bepalen hoe een organisatie werkt, producten maakt en groeit.
→ behoeften vd mens zo adequaat mogelijk te bevredigen
micro-sociologie
= tak van de sociologie die zich richt op alledaagse menselijke interacties, individueel gedrag en kleinschalige sociale groepen
macro-sociologie
= tak vd sociologie die zicht richt op brede sociale structuren, grote instituties en hele bevolkingsgroepen
sociale psychologie
= onderzoekt de wisselwerking tussen het inter- en het intra-individuele, tussen gedrag en interactie
sociobiologie
= de wetenschap die sociaal gedrag van dieren en mensen verklaart vanuit de evolutietheorie, met nadruk op begrippen zoals natuurlijke selectie, genen en overleving
biosociale verklaring
= wetenschappelijke manier om menselijk gedrag te beschrijven door te kijken naar de wisselwerking tussen biologische kenmerken en sociale factoren
objectiviteit
basisprincipe v sociologisch onderzoek
= De verklaringen en inzichten moeten geldig zijn voor meer dan één wetenschapper
concepten
basisprincipe v sociologisch onderzoek
= Stellen ons in staat om bepaalde aspecten vd werkelijkheid te vatten.
generalisatie
basisprincipe v sociologisch onderzoek
= het algemeen maken v iets
empirisch materiaal
basisprincipe v sociologisch onderzoek
= alle feitelijke gegevens die een onderzoeker in de praktijk verzamelt door middel van waarneming, ervaring of metingen
cumulativiteit
basisprincipe v sociologische onderzoek
= dingen bij elkaar worden opgeteld of dat je voortbouwt op oud werk
verifieerbare rapportering
basisprincipe v sociologisch ond
= gerapporteerde gegevens en beweringen worden gestaafd door objectieve, feitelijke en controleerbare informatie
objectiviteit, concepten, generalisatie, empirisch materiaal, cumultativiteit, verifieerbare rapportering
basisprincipes v sociologisch onderzoek (6)
causale adequaatheid
= het idee dat er een kans of sterke kans moet zijn dat een oorzaak leidt tot een gevolg, zoals bekend is uit eerdere ervaringen
zinadequaatheid
= een verband tussen sociale handelingen als zinvol en logisch wordt ervaren volgens onze denk- en voelpatronen
causale en zin adequaatheid
eisen vr goed sociologisch werk (2)
positivisme
principes:
Kennis gebas op ervaring
2. Gestreefd nr causale verkl dr generalisaties
3. Eenheid v wetenschappelijke methode
4. Scheiding zijn tss feiten en waarden
interpretatieve methode
= onderzoeksaanpak in de wetenschap die zich richt op het begrijpen van de betekenis en de beleving die mensen geven aan hun sociale wereld
radicale sociologie
= kritische stroming die de maatschappelijke structuren diepgaand onderzoekt, de macht en ongelijkheid blootlegt, en stelt dat wetenschap nooit neutraal is
Humanistische sociologie
= beweren dat kennisverwerving bijdraagt tot het oplossen van sociale problemen
→ kennis is zowel een instrument als een doel
sociologisch probleem
= een probleem met betrekking tot sociologisch inzicht en theorievorming
→ een probleem binnen de sociologie als wetenschap
sociaal of beleidsprobleem
= ongewenste situatie die invloed heeft op een grote groep mensen, zoals armoede, eenzaamheid en discriminatie
institutie
= versmelting van cultuur en structuur
= vaste maatschappelijke regel
symbool
= is iets dat voor iets anders staat omdat er een verband bestaat tussen de twee, omdat het zo afgesproken is of omdat er een toevallige gelijkenis bestaat
gesloten instincten
= vast, onveranderlijk en volledig genetisch bepaald gedrag
open instincten
= flexibele, aanpasbare gedragspatronen die door ervaring en de omgeving kunnen worden gevormd
taal
= meest gebruikte communicatie middel
= een geheel van symbolen en tekens die op een oneindige manier met elkaar verbonden kunnen worden
materieel en immaterieel
2 soorten cultuur
gedeelde denkbeelden, wa en no, materiele cul
3 componenten van cultuur
subculturen
= groepen in de samenleving die overtuigingen, waarden en leefstijlen hebben die verschillen van de dominante cultuur bv de hippiebeweging
tegenculturen of countercultures
= verwerpen de dominante cultuur (bv hippies)
etnocentrisme
= beoordeelt en evalueert vreemde culturen met de eigen cultuur als maatstaf
cultureel relativisme
= ziet alle culturen als gelijkwaardig, omdat elke cultuur een eigen specifieke aanpassingswijze is aan de eisen die de omgeving stelt
etnieën
= bevolkingsgroep die zich met elkaar verbindt op basis van taal, cultuur en geschiedenis
dyade
= kleinst mogelijke sociologische eenheid -> 2 personen (bv huwelijk)
Sterke controle + fragiele relatie (geen geheimen)
triade
= 3 personen
Autonoom en grote onzekerheid -> jaloezie, chantage en manipulatie
interdependentie
syn vr onderlinge afhankelijkheid
figuratie
= personen die in een groep onderling samenwerken
structuur
= geheel van figuraties
aggregaat
= een aantal mensen die zich toevallig op dezelfde plaats bevinden (bv. Strand)
sociale categorie
= een aantal mensen die een of meerdere gemeenschappelijke kenmerken hebben (bv studenten)
groep
Leden van hebben gemeenschappelijke belangen (gemeenschappelijk doel)
Leden van interageren
Leden van delen de rechten en plichten verbonden met het lidmaatschap
Leden van hebben een gedeelde identiteit en groepsgevoel
groepscultuur
= houdt verband met de betekenissen die mensen aan hun interacties in de groep geven (gedeelde betekenissen).
Daarbij horen ook de waarden en normen die het handelen vd groepsleden vormgeven.
groepsstructuur
= het geheel van sociale relaties in de groep, waarbij de posities en statussen natuurlijk ook een rol spelen.
Elke groep waar een individu deel van uitmaakt, draagt bij tot de creatie van diens identiteit.
groepscohesie
= de capaciteit vd groep om samen te blijven
primaire groepen
klein
Blijvend (bestaan lange periode)
Groepsrelaties zijn zeer breed verspreid
Op emoties gebaseerd en niet- instrumenteel (emotionele banden staan centraal, niet een doel)
bv familie
secundaire groepen
Variërende grootte
Wisselende permanentie (ledenwisselingen zijn ongevaarlijk)
Relaties zijn gespecialiseerd en gesegmenteerd
Formeel en instrumenteel (doel)
Bv scholen, ziekenhuizen, bedrijven
formele organisatie
= een groep waarvan de organisatie gericht is op het bereiken van een specifiek doel door een gecoördineerde en collectieve inspanning.
Het zijn vooral secundaire groepen.
Als ze dit gemeenschappelijk doel willen bereiken, is er nood aan een beheersingsstructuur die de figuraties op elkaar kan afstellen.
De structuur van een … kan verschillende vormen aannemen (bv. bureaucratie).
bureaucratie
= een manier van organiseren bij de overheid of een bedrijf die werkt via strenge regels, vaste procedures en een duidelijke baas-knecht verhouding
macht
= de mogelijkheid of de capaciteit om andere mensen iets te laten doen in overeenstemming met bepaalde regels of dictaten
traditionele
type autoriteit
= Machtsuitoefening wordt als legitiem beschouwd omdat ze verankerd ligt in het geloof van de onaantastbaarheid v tradities.
→ leidt tot stabiele, maar particularistische beheersingssystemen
(gebonden aan specifieke personen en plaatsen).
charismatische
type autoriteit
= Gebaseerd op de intense verering van personen.
→ leidt tot onstabiele, voorbijgaande beheersingssystemen.
rationeel-legale
type autoriteit
= Gebaseerd op het geloof in de geldigheid van het recht
→ leidt tot precieze, universele beheersingssystemen (bv bureaucratie).
traditionele, charismatische, rationeel-legale
types autoriteit (3)
goal displacement
= na een bereikt doel gaat een organisatie gewoon op zoek naar een nieuw doel
ijzeren wet vd oligarchie
= bureaucratisering gaat onvermijdelijk hand in hand met de toename v de machtsconcentratie aan de top vd organisatie.
Topfunctionarissen kunnen dan hun eigen belang boven dat van de organisatie kiezen
sociale relatie
= verband tussen twee of meer actoren gekenmerkt door de kans dat er interactie plaatsvindt
sociale status
= De plaats die een persoon in een sociale relatie of verhouding aanneemt
statusset
Wnr deel uitmaken v vers socl verh, in elk ervan een socl status, alle sociale statussen samen =
toegeschreven
soort statuspositie
= ontleent een individu aan bv zijn afkomst, geslacht.
Het individu heeft hier zelf geen vat op
verworven
soort statuspositie
= wordt door de persoon zelf verworven obv prestaties.
Deze kan dus weer worden verloren.
Onzekerheid hierover kan leiden tot statusangst.
Iemand met statusangst vertoont dan een typisch gedragspatroon, namelijk het beklemtonen vd uiterlijkheden die zijn statuspositie aantonen (= statussymbolen).
verworven, toegeschreven
statusposities (2)
statuskristallisatie
= aangeeft in mate de verschillende statusdimensies van een persoon (zoals inkomen, opleiding, beroep en aanzien) met elkaar overeenkomen
statusinconsistentie
= begrip dat beschrijft dat iemand ongelijke scores heeft op verschillende sociale rangen, zoals inkomen, opleiding en beroep
statusconflict
= de inconsistentie tussen statusindicatoren die wordt ervaren door de interactiepartner van het subject
bv. zwarte arts in Amerika.
marginale mens
= persoon die een hogere status verwerft, maar inferieur (lager) blijft obv een andere status
machtsbron
= je controleert iets wat anderen nodig hebben
geld, prestige, schoonheid,…
role set
= het geheel v rollen samengaand met 1 positie
rolspanning
= ontstaat wanneer de verschillende groepen waartoe een persoon behoort verschillende belangen nastreven en dus tegengestelde aanspraken maken
rollenconflict
= ontstaat wanneer tussen sociale rollen een onverenigbaarheid ontstaat
bv. moeder die keuze moet maken tussen overwerken of kinderen ophalen.
Het gaat dus over rolverwachtingen die voortvloeien uit meerdere sociale rollen.
rolverwarring
= ontstaat wanneer iemand niet weet hoe hij zich moet gedragen omdat hij niet kan kiezen uit het passende rolgedrag
roldistantiëring
= betekent dat iemand in staat is om binnen het invullen vd rolverwachtingen voldoende individualiteit aan te brengen.
rolsegregatie
= Zich passend kunnen gedragen in diverse situaties
structurele effecten
= Kenmerken van een groep die een impact hebben op wat mensen doen
ecologische fout
= veronderstellen dat uitspraken gedaan op aggregaatniveau geldig zijn op individueel niveau.
institutie of instelling
= een samenstelling v rollen (structuur), die het gedrag vd leden vd gemeenschap reguleert op grond vd waarden (cultuur) v die gemeenschap en dit met de bedoeling aan bepaalde behoeften te voldoen (bv het gezin)
door de samenleving ontworpen en opgelegde handelingspatronen
institutietheorie
= verklaart hoe organisaties worden gevormd, beïnvloed en in stand gehouden door sociale regels, normen, verwachtingen en culturele overtuigingen in hun omgeving
wereldopenheid
= dat de mens in verschillende omstandigheden kan overleven (een dier kan dit niet)
Dit komt omdat de mens geen voorgeprogrammeerd gedrag heeft.
Gedrag is bij mensen niet bepaald door instincten, de mens heeft open instincten.
institutie
= zorgen voor en regelen een aantal universele aspecten vh menselijke samenleven door het opleggen v passende interactiepatronen zoals voortplanting, zorg voor kinderen,…
… duidt dus de manier aan waarop essentiële taken uitgevoerd en behoeften bevredigd worden op een maatschappelijk voorgeschreven manier.