Sociologie

0.0(0)
Studied by 1 person
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/324

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

UGent 25-26

Last updated 8:33 PM on 8/21/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

325 Terms

1
New cards

sociologische verbeelding

= het vermogen om de band te zien tussen je eigen persoonlijke leven en de grote maatschappelijke wereld

2
New cards

gedrag

= Elke actie of reactie van een individu, zoals een lichamelijke beweging, een verbale uiting,…

3
New cards

sociaal handelen

= menselijk gedrag waarbij een persoon bewust rekening houdt met het gedrag, de intenties of de reacties van anderen

4
New cards

instrumenteel rationeel, waarde rationeel, affectief, traditioneel

soorten sociaal handelen (4)

5
New cards

instrumenteel rationeel handelen

= een vorm van menselijk gedrag waarbij je de beste middelen kiest om een specifiek doel zo efficiënt mogelijk te bereiken

6
New cards

waarde rationeel handelen

= handelen dat wordt gedreven door een bewust geloof in een absolute waarde, zoals ethiek, religie of schoonheid, los van het directe nut of resultaat

7
New cards

affectief handelen

= gedrag dat direct wordt gestuurd door emoties, gevoelens of driften

8
New cards

traditioneel handelen

= gedrag dat mensen bijna zonder nadenken doen

9
New cards

interactie

= wisselwerking of het op elkaar reageren van personen, objecten of systemen, zoals sociale communicatie, medicijnwisselwerkingen of natuurkrachten

10
New cards

opdat motieven

= beschrijft de wens om een specifiek doel te bereiken

11
New cards

omdat motieven

= beschrijft de reden of oorzaak van een handeling

12
New cards

conforme interactie, samenwerking, conflict, ruil

soorten interactie (4)

13
New cards

conforme interactie

soort interactie

= communicatie of handeling die past binnen afgesproken regels, zoals richtlijnen, wetten of gedragsnormen

14
New cards

samenwerking

soort interactie

= twee of meer mensen of groepen samenwerken om een gezamenlijk doel te bereiken, waarbij ze taken, kennis en vaardigheden delen

15
New cards

conflict

soort interactie

= botsing van tegengestelde belangen, meningen of waarden tussen personen, groepen of landen

16
New cards

ruil

soort interactie

= het uitwisselen van spullen, diensten of van plek zonder dat je daar per se geld voor gebruikt

17
New cards

structuur

= het geheel van posities van actoren en de vorm vd interacties en relaties tussen die actoren

18
New cards

cultuur

= al het gedrag, de regels, de gewoonten en de kunst die mensen samen maken en delen

19
New cards

demografische, ecologische, materiële en technologische

factoren die een rol spelen in de context (3)

20
New cards

demografische factoren

factor v context

= meetbare kenmerken van een bevolking, zoals leeftijd, geslacht, en inkomen

21
New cards

ecologische factoren

factor v context

= alle invloeden uit de omgeving die het leven van organismen beïnvloeden

22
New cards

materiële en technologische factoren

factor v context

= tastbare en technische invloeden die bepalen hoe een organisatie werkt, producten maakt en groeit.

→ behoeften vd mens zo adequaat mogelijk te bevredigen

23
New cards

micro-sociologie

= tak van de sociologie die zich richt op alledaagse menselijke interacties, individueel gedrag en kleinschalige sociale groepen

24
New cards

macro-sociologie

= tak vd sociologie die zicht richt op brede sociale structuren, grote instituties en hele bevolkingsgroepen

25
New cards

sociale psychologie

= onderzoekt de wisselwerking tussen het inter- en het intra-individuele, tussen gedrag en interactie

26
New cards

sociobiologie

= de wetenschap die sociaal gedrag van dieren en mensen verklaart vanuit de evolutietheorie, met nadruk op begrippen zoals natuurlijke selectie, genen en overleving

27
New cards

biosociale verklaring

= wetenschappelijke manier om menselijk gedrag te beschrijven door te kijken naar de wisselwerking tussen biologische kenmerken en sociale factoren

28
New cards

objectiviteit

basisprincipe v sociologisch onderzoek

= De verklaringen en inzichten moeten geldig zijn voor meer dan één wetenschapper

29
New cards

concepten

basisprincipe v sociologisch onderzoek

= Stellen ons in staat om bepaalde aspecten vd werkelijkheid te vatten.

30
New cards

generalisatie

basisprincipe v sociologisch onderzoek

= het algemeen maken v iets

31
New cards

empirisch materiaal

basisprincipe v sociologisch onderzoek

= alle feitelijke gegevens die een onderzoeker in de praktijk verzamelt door middel van waarneming, ervaring of metingen

32
New cards

cumulativiteit

basisprincipe v sociologische onderzoek

= dingen bij elkaar worden opgeteld of dat je voortbouwt op oud werk

33
New cards

verifieerbare rapportering

basisprincipe v sociologisch ond

= gerapporteerde gegevens en beweringen worden gestaafd door objectieve, feitelijke en controleerbare informatie

34
New cards

objectiviteit, concepten, generalisatie, empirisch materiaal, cumultativiteit, verifieerbare rapportering

basisprincipes v sociologisch onderzoek (6)

35
New cards

causale adequaatheid

= het idee dat er een kans of sterke kans moet zijn dat een oorzaak leidt tot een gevolg, zoals bekend is uit eerdere ervaringen

36
New cards

zinadequaatheid

= een verband tussen sociale handelingen als zinvol en logisch wordt ervaren volgens onze denk- en voelpatronen

37
New cards

causale en zin adequaatheid

eisen vr goed sociologisch werk (2)

38
New cards

positivisme

principes:

  1. Kennis gebas op ervaring

2.       Gestreefd nr causale verkl dr generalisaties

3.       Eenheid v wetenschappelijke methode

4.       Scheiding zijn tss feiten en waarden


39
New cards

interpretatieve methode

= onderzoeksaanpak in de wetenschap die zich richt op het begrijpen van de betekenis en de beleving die mensen geven aan hun sociale wereld

40
New cards

radicale sociologie

= kritische stroming die de maatschappelijke structuren diepgaand onderzoekt, de macht en ongelijkheid blootlegt, en stelt dat wetenschap nooit neutraal is

41
New cards

Humanistische sociologie

= beweren dat kennisverwerving bijdraagt tot het oplossen van sociale problemen

→ kennis is zowel een instrument als een doel

42
New cards

sociologisch probleem

= een probleem met betrekking tot sociologisch inzicht en theorievorming

→ een probleem binnen de sociologie als wetenschap

43
New cards

sociaal of beleidsprobleem

= ongewenste situatie die invloed heeft op een grote groep mensen, zoals armoede, eenzaamheid en discriminatie

44
New cards

institutie

= versmelting van cultuur en structuur

= vaste maatschappelijke regel

45
New cards

symbool

= is iets dat voor iets anders staat omdat er een verband bestaat tussen de twee, omdat het zo afgesproken is of omdat er een toevallige gelijkenis bestaat

46
New cards

gesloten instincten

= vast, onveranderlijk en volledig genetisch bepaald gedrag

47
New cards

open instincten

= flexibele, aanpasbare gedragspatronen die door ervaring en de omgeving kunnen worden gevormd

48
New cards

taal

= meest gebruikte communicatie middel

= een geheel van symbolen en tekens die op een oneindige manier met elkaar verbonden kunnen worden

49
New cards

materieel en immaterieel

2 soorten cultuur

50
New cards

gedeelde denkbeelden, wa en no, materiele cul

3 componenten van cultuur

51
New cards

subculturen

= groepen in de samenleving die overtuigingen, waarden en leefstijlen hebben die verschillen van de dominante cultuur bv de hippiebeweging

52
New cards

tegenculturen of countercultures

= verwerpen de dominante cultuur (bv hippies)

53
New cards

etnocentrisme

= beoordeelt en evalueert vreemde culturen met de eigen cultuur als maatstaf

54
New cards

cultureel relativisme

= ziet alle culturen als gelijkwaardig, omdat elke cultuur een eigen specifieke aanpassingswijze is aan de eisen die de omgeving stelt

55
New cards

etnieën

= bevolkingsgroep die zich met elkaar verbindt op basis van taal, cultuur en geschiedenis

56
New cards

dyade

= kleinst mogelijke sociologische eenheid -> 2 personen (bv huwelijk)

  • Sterke controle + fragiele relatie (geen geheimen)


57
New cards

triade

= 3 personen

  • Autonoom en grote onzekerheid -> jaloezie, chantage en manipulatie


58
New cards

interdependentie

syn vr onderlinge afhankelijkheid

59
New cards

figuratie

= personen die in een groep onderling samenwerken

60
New cards

structuur

= geheel van figuraties

61
New cards

aggregaat

= een aantal mensen die zich toevallig op dezelfde plaats bevinden (bv. Strand)

62
New cards

sociale categorie

= een aantal mensen die een of meerdere gemeenschappelijke kenmerken hebben (bv studenten)

63
New cards

groep

  • Leden van hebben gemeenschappelijke belangen (gemeenschappelijk doel)

  • Leden van interageren

  • Leden van delen de rechten en plichten verbonden met het lidmaatschap

  • Leden van hebben een gedeelde identiteit en groepsgevoel


64
New cards

groepscultuur

= houdt verband met de betekenissen die mensen aan hun interacties in de groep geven (gedeelde betekenissen).

  • Daarbij horen ook de waarden en normen die het handelen vd groepsleden vormgeven.


65
New cards

groepsstructuur

= het geheel van sociale relaties in de groep, waarbij de posities en statussen natuurlijk ook een rol spelen.

  • Elke groep waar een individu deel van uitmaakt, draagt bij tot de creatie van diens identiteit.


66
New cards

groepscohesie

= de capaciteit vd groep om samen te blijven

67
New cards

primaire groepen

  • klein

  • Blijvend (bestaan lange periode)

  • Groepsrelaties zijn  zeer breed verspreid

  • Op emoties gebaseerd en niet- instrumenteel (emotionele banden staan centraal, niet een doel)

  • bv familie


68
New cards

secundaire groepen

  • Variërende grootte

  • Wisselende permanentie (ledenwisselingen zijn ongevaarlijk)

  • Relaties zijn gespecialiseerd en gesegmenteerd

  • Formeel en instrumenteel (doel)

  • Bv scholen, ziekenhuizen, bedrijven


69
New cards

formele organisatie

= een groep waarvan de organisatie gericht is op het bereiken van een specifiek doel door een gecoördineerde en collectieve inspanning.

  • Het zijn vooral secundaire groepen.

  • Als ze dit gemeenschappelijk doel willen bereiken, is er nood aan een beheersingsstructuur die de figuraties op elkaar kan afstellen.

  • De structuur van een … kan verschillende vormen aannemen (bv. bureaucratie).


70
New cards

bureaucratie

= een manier van organiseren bij de overheid of een bedrijf die werkt via strenge regels, vaste procedures en een duidelijke baas-knecht verhouding

71
New cards

macht

= de mogelijkheid of de capaciteit om andere mensen iets te laten doen in overeenstemming met bepaalde regels of dictaten

72
New cards

traditionele

type autoriteit

= Machtsuitoefening wordt als legitiem beschouwd omdat ze verankerd ligt in het geloof van de onaantastbaarheid v tradities.

→ leidt tot stabiele, maar particularistische beheersingssystemen

(gebonden aan specifieke personen en plaatsen).

73
New cards

charismatische

type autoriteit

= Gebaseerd op de intense verering van personen.

leidt tot onstabiele, voorbijgaande beheersingssystemen.

74
New cards

rationeel-legale

type autoriteit

= Gebaseerd op het geloof in de geldigheid van het recht

leidt tot precieze, universele beheersingssystemen (bv bureaucratie).

75
New cards

traditionele, charismatische, rationeel-legale

types autoriteit (3)

76
New cards

goal displacement

= na een bereikt doel gaat een organisatie gewoon op zoek naar een nieuw doel

77
New cards

ijzeren wet vd oligarchie

= bureaucratisering gaat onvermijdelijk hand in hand met de toename v de machtsconcentratie aan de top vd organisatie.

  • Topfunctionarissen kunnen dan hun eigen belang boven dat van de organisatie kiezen


78
New cards

sociale relatie

= verband tussen twee of meer actoren gekenmerkt door de kans dat er interactie plaatsvindt

79
New cards

sociale status

= De plaats die een persoon in een sociale relatie of verhouding aanneemt

80
New cards

statusset

Wnr deel uitmaken v vers socl verh, in elk ervan een socl status, alle sociale statussen samen =

81
New cards

toegeschreven

soort statuspositie

= ontleent een individu aan bv zijn afkomst, geslacht.

  • Het individu heeft hier zelf geen vat op


82
New cards

verworven

soort statuspositie

= wordt door de persoon zelf verworven obv prestaties.

  • Deze kan dus weer worden verloren.

  • Onzekerheid hierover kan leiden tot statusangst.

  • Iemand met statusangst vertoont dan een typisch gedragspatroon, namelijk het beklemtonen vd uiterlijkheden die zijn statuspositie aantonen (= statussymbolen).


83
New cards

verworven, toegeschreven

statusposities (2)

84
New cards

statuskristallisatie

= aangeeft in mate de verschillende statusdimensies van een persoon (zoals inkomen, opleiding, beroep en aanzien) met elkaar overeenkomen

85
New cards

statusinconsistentie

= begrip dat beschrijft dat iemand ongelijke scores heeft op verschillende sociale rangen, zoals inkomen, opleiding en beroep

86
New cards

statusconflict

= de inconsistentie tussen statusindicatoren die wordt ervaren door de interactiepartner van het subject

bv. zwarte arts in Amerika.

87
New cards

marginale mens

= persoon die een hogere status verwerft, maar inferieur (lager) blijft obv een andere status

88
New cards

machtsbron

= je controleert iets wat anderen nodig hebben

geld, prestige, schoonheid,…

89
New cards

role set

= het geheel v rollen samengaand met 1 positie

90
New cards

rolspanning

= ontstaat wanneer de verschillende groepen waartoe een persoon behoort verschillende belangen nastreven en dus tegengestelde aanspraken maken

91
New cards

rollenconflict

= ontstaat wanneer tussen sociale rollen een onverenigbaarheid ontstaat

bv. moeder die keuze moet maken tussen overwerken of kinderen ophalen.

  • Het gaat dus over rolverwachtingen die voortvloeien uit meerdere sociale rollen.


92
New cards

rolverwarring

= ontstaat wanneer iemand niet weet hoe hij zich moet gedragen omdat hij niet kan kiezen uit het passende rolgedrag

93
New cards

roldistantiëring

= betekent dat iemand in staat is om binnen het invullen vd rolverwachtingen voldoende individualiteit aan te brengen.

94
New cards

rolsegregatie

= Zich passend kunnen gedragen in diverse situaties

95
New cards

structurele effecten

= Kenmerken van een groep die een impact hebben op wat mensen doen

96
New cards

ecologische fout

= veronderstellen dat uitspraken gedaan op aggregaatniveau geldig zijn op individueel niveau.

97
New cards

institutie of instelling

= een samenstelling v rollen (structuur), die het gedrag vd leden vd gemeenschap reguleert op grond vd waarden (cultuur) v die gemeenschap en dit met de bedoeling aan bepaalde behoeften te voldoen (bv het gezin)

  • door de samenleving ontworpen en opgelegde handelingspatronen


98
New cards

institutietheorie

= verklaart hoe organisaties worden gevormd, beïnvloed en in stand gehouden door sociale regels, normen, verwachtingen en culturele overtuigingen in hun omgeving

99
New cards

wereldopenheid

= dat de mens in verschillende omstandigheden kan overleven (een dier kan dit niet)

  • Dit komt omdat de mens geen voorgeprogrammeerd gedrag heeft.

  • Gedrag is bij mensen niet bepaald door instincten, de mens heeft open instincten.


100
New cards

institutie

= zorgen voor en regelen een aantal universele aspecten vh menselijke samenleven door het opleggen v passende interactiepatronen zoals voortplanting, zorg voor kinderen,…

  • … duidt dus de manier aan waarop essentiële taken uitgevoerd en behoeften bevredigd worden op een maatschappelijk voorgeschreven manier.