1/48
7.3, 7.4, 7.5 , 7.6 et 7.11
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
mensen (2)
personnes, gens
oude mensen
les personnes âgées
20 mensen
20 personnes
de meeste mensen
la plupart des gens
mensen (subst.)
de passagiers
vaste, klanten stamgasten
pendelaars
les passagers
les habitués
les navetteurs
plaats
un lieu
= un lieu déterminé où quelque chose s’est passé / se passe
de geboorteplaats
le lieu de naissance
een historiche plaats
un lieu historique, un site historique, un site archéologique
een verblijfplaats
un lieu de séjour, une résidence
een bedevaartplaats
un lieu de pèlerinage
een ontmoetingsplaats
un lieu de rencontre
de plaats delict
le lieu du crime
in plaats van
au lieu de
plaats, plek
un endroit
de mooiste plaatsen
les plus beaux endroits
op een leuke plek gekampeerd
dans un endroit charmant
op een rustige plek
dans un endroit calme
de ideale plaats om
l’endroit idéal pour
op verschillende plaatsen
Ă plusieurs endroit
plaats
une place, un emplacement
= l’endroit où l’on s’assied, où l’on met quelque chose
Hoeveel plaatsen wenst u?
Combien de places désirez-vous?
Blijf op je plaats zitten
Reste assis Ă ta place.
Er is geen plaats meer.
Il n’y a plus de place.
op hun plaats
Ă leur place.
Ik zoek een plaats in de schaduw.
Je cherche une place à l’ombre.
Gelukkig hadden we een plaats in de schaduw.
Heureusement que nous avoins (trouvé) un emplacement à l’ombre.
De Notre Dame werd daar (= op de plaats) waar vroeger een Romeinse tempel stond.
Notre-Dame a été construite sur l’emplacement d’un temple romain.
op een plaast voor gehandicapten
sur un emplacement réservé aux handicapés
plaats, ligging
une position, une situation, un site
een plaats aan de hemel
une position dans le ciel
de ligging
une situation
vindplaats
un site
op de binnenplaats, aan de achterzijde / binnenplaats
dans la cour, côté cour
op de speelplaats
dans la cour
genieten van iets
profiter de
bewonderen, genieten van iets mooi dat je ziet
admirer
profiteren van, een voordeel hebben
bénéficier
genieten van iets lekkers (= bewust genieten)
savourer
genieten van eten, drinken (smullen)
se régalér
genieten van het leven, zijn jeugd,de vakantie, het mooie weer
profiter de la vie, de sa jeunesse, des vacances, du beau temps
genieten van het uitzich, van iets moois
admirer qqc
genieten van iets lekkers (3)
savoures qquc, déguster, se régaler (de)
van bepaalde voordelen genieten
bénéficier d’avantages fiscaux, d’une allocation, d’un privilège
genieten (het naar de zin hebben)
prendre du bon temps, s’amuser
groot aanzien genieten
jouir d’un grand presitge, d’une bonne reputation
ook (au mileu de la phrase)
aussi
ook (en tĂŞte de phrase)
par conséquent
als, indien
si
als, wanneer
quand