Domeinen kerndoelen Kennisbasistoets Taal Samenvatting Lynn

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/211

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 4:31 AM on 6/11/24
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

212 Terms

1
New cards

Traditioneel taalonderwijs

Lesgeven met behulp van een methode.

2
New cards

Mondelinge taalvaardigheid

Omvat spreken en luisteren, waarbij diverse mondelinge gespreksvormen centraal staan.

3
New cards

Woordenschat

Het leren van nieuwe woorden, uitdrukkingen en spreekwoorden.

4
New cards

Beginnende geletterdheid

Het vermogen om schriftelijke taal te begrijpen en gebruiken, vooral in de kleutergroepen.

5
New cards

De drie stadia van geletterheid

  • Ontluikende geletterdheid = voorschoolse periode (0 – 4 jaar).

  • Beginnende geletterdheid = ontwikkeling van geletterdheid in de groepen 1 – 3.

  • Gevorderde geletterdheid = de periode na groep 3.

6
New cards

Aanvankelijk lezen

Belangrijk onderdeel van beginnende geletterdheid, het leren lezen in groep 3.

7
New cards

Voortgezet technisch lezen

Omvat het decoderen van tekst en het toepassen van leesstrategieën.

8
New cards

Begrijpend lezen

Het begrijpen van tekst en het achterhalen van de gedachte of bedoeling ervan.

9
New cards

Stellen

Het schrijven van teksten.

10
New cards

Taalbeschouwing

Reflecteren op de taalvorm, inclusief grammatica en spellingregels.

11
New cards

Spelling

Het correct schrijven van woorden, toepassen van spellingsregels en interpunctie.

12
New cards

De 3 functies van taal

Communicatieve/sociale, conceptualiserende/cognitieve, en expressieve taalfunctie.

13
New cards

De communicatieve / sociale functie

we gebruiken de taal als communicatiemiddel, interactie tussen mensen

14
New cards

De communicatieve / sociale functie: zelfhandhaving

beschermen wat je hebt, opkomen voor wat je wilt (“Die had ik)

15
New cards

De communicatieve / sociale functie: zelfsturing

aangeven wat je gaat doen (“Ik ga aankleden, dan naar de bakker”)

16
New cards

De communicatieve / sociale functie: sturing van anderen

beïnvloeden van gedrag van anderen (“Zullen we gaan zwemmen?”)

17
New cards

De communicatieve / sociale functie:structurering van een gesprek

beïnvloeden van het gespreksverloop (“Mag ik even wat zeggen?”).

18
New cards

De conceptualiserende / cognitieve functie: rapporteren

verslag over de werkelijkheid (beschrijven, vergelijken)

19
New cards

De conceptualiserende / cognitieve functie: redeneren

stap verder dan beschrijven (chronologisch ordenen, concluderen, relaties leggen, oplossingen voorleggen)

20
New cards

De conceptualiserende / cognitieve functie: projecteren

verplaatsen in gedachten en gevoelens van een ander.

21
New cards

De expressieve taalfunctie:

→ gevoelens uiten
→ experimenteren
→ creatief verwoorden

22
New cards

De communicatieve competentie

vermogen om de communicatieve functie toe te passen

23
New cards

De communicatieve competentie: Grammaticale competentie

kennis van taal en taalregels (inclusief woordenschat en correcte uitspraak)

24
New cards

De communicatieve competentie: Tekstuele competentie

kennis van gesproken en geschreven teksten

25
New cards

De communicatieve competentie: Strategische competentie

strategieën voor bepaalde doelen. Bv overtuigen, aanzetten tot actie

26
New cards

De communicatieve competentie: Functionele competentie

aanpassen van taalgebruik per situatie

27
New cards

De verschillende niveaus van taal

Pragmatisch, fonologisch, morfologisch, syntactisch, semantisch, en orthografisch niveau.

28
New cards

Pragmatisch niveau

gebruik van woorden (het kind maakt zich de regels eigen voor het gebruik van de taal.)

29
New cards

Fonologisch niveau

uitspraak van woorden (het kind vormt spraakklanken)

30
New cards

Morfologisch niveau

opbouw van woorden (het gaat om de manier waarop woorden worden gevormd)

31
New cards

Syntactisch niveau

volgorde van woorden (zinnen) (kinderen leren de regels voor het combineren van woorden)

32
New cards

Semantisch niveau

betekenis van woorden (het gaat om de betekenis van woorden)

33
New cards

Orthografisch niveau

spelling van woorden

34
New cards

Fases in het taalverwervingsproces

Prelinguale, vroeglinguale, differentiatie, en voltooiingsfase.

35
New cards

Prelinguale fase

0 tot 1 jaar → huilen (0 - 6 weken) → vocaliseren (6 weken - 4 maanden) klinkers of vocalen = 2 klinkers → vocaal spel (4 - 7 maanden) spelen met toonhoogtes, luidheid en duur + medeklinkers → brabbelen (> 7 maanden) klanken in de moedertaal, zonder betekenis. Bv. mamama

36
New cards

Vroeglinguale fase

1 - 2,5 jaar ~ eenwoordzin: koppeling tussen woord en werkelijkheid (1 - 1,5 jaar) ~ tweewoordzin: begin in leren van grammatica. Sommigen slaan deze fase over ~ meerwoordzin: sprong in de woordenschat

37
New cards

Differentiatie fase

2,5 - 5 jaar → ontwikkelt zich op elk niveau: het ontwikkelen van tijdsbesef (maakte), gebruik van functiewoorden (want) groter taalaanbod en grotere leefwereld door school → overgeneralisatie (Bv. gevald) → neologismen: niet bestaande woorden

38
New cards

Voltooiingsfase

5 - 9 jaar → uitbreiding van gestarte processen → uitbreiding van woordenschat

39
New cards

De linguale periode (1 – 9 jaar)

De vroeglinguale periode ( 1 – 2,5 jaar) = brabbelen gaat over naar betekenisvol taalgebruik.

De differentiatiefase (2,5 – 5 jaar) = kinderen leren dat woorden van vorm kunnen veranderen en dat die vormverandering ook iets betekent.

De voltooiingsfase (5 – 9 jaar) = alle processen uit de vorige periode worden nu verder opgebouwd

40
New cards

Overgeneralisatie

kinderen passen taalregels onterecht toe. Voorbeeld: loopte, gevald, meegebrengt. Dit komt vooral voor in de differentatiefase

41
New cards

Tweedetaalverwerving

Simulante en successieve tweetaligheid, interferentiefouten.

42
New cards

Tweedetaalverwerving Simulante tweetaligheid

iemand leert twee talen min of meer gelijktijdig. Kinderen leren voor hun derde jaar een tweede taal.

43
New cards

Tweedetaalverwerving Successieve tweetaligheid

kinderen leren een tweede taal nadat ze een eerste geleerd hebben.

44
New cards

Tweedetaalverwerving Interferentiefouten

zijn fouten die voortkomen uit de verschillen tussen een eerste en een tweede taal

45
New cards

Spreekstrategieën

1. Oriënteren op het spreekdoel (= informeren, amuseren, instrueren, overtuigen)

2. Oriënteren op het onderwerp en het inzetten van eigen kennis

3. Oriënteren op het soort spreektaak → hoe breng ik het over

4. Oriënteren op het publiek of gesprekspartners

5. Reflecteren op de spreektaak (tijdens) → gaat het ‘presenteren’ nog goed?

6. Monitoren van de spreektaak (tijdens) → kan ik iets doen om mijn ‘presentatie’ te verbeteren?

7. Evalueren van de spreektaak (na afloop) → hoe is het verlopen?

46
New cards

Luisterstrategieën Globaal luisteren

probeer je globaal te volgen wat er gezegd wordt. Het gaat om het begrijpen van informatie. Dit wordt ook wel begrijpend luisteren genoemd en is een goede voorbereiding op begrijpend lezen. o Je luisterdoel is bij deze strategie: een bepaald gevoel willen ondergaan.

47
New cards

Luisterstrategieën Intensief luisteren

je probeert ook alle details van een verhaal in je op te nemen. o Je luisterdoel is bij deze strategie: iets te weten willen komen.

48
New cards

Luisterstrategieën Kritisch luisteren

je probeert een mening te vormen tijdens het luisteren. o Je luisterdoel is bij deze strategie: een mening willen vormen.

49
New cards

Luisterstrategieën Gericht luisteren

dit pas je toe als je geïnteresseerd bent in bepaalde aspecten van een verhaal. o Je luisterdoel is bij deze strategie: een bepaalde handeling willen uitvoeren

50
New cards

Spreekdoelen Informeren

overbrengen van feitelijke informatie. De spreker wil iets uitleggen of verduidelijken.

51
New cards

Spreekdoelen Amuseren

de spreker wil zijn toehoorders vermaken, boeien of ontroeren.

52
New cards

Spreekdoelen Overtuigen

de spreker wil de luisteraar overhalen een bepaald standpunt of bepaalde mening in te nemen.

53
New cards

Spreekdoelen Instrueren

je wilt bijvoorbeeld uitleggen hoe iets werkt

54
New cards

Mentaal lexicon

Opslagplaats van alle geleerde woorden.

55
New cards

Woordbetekenis

Label, concept, concrete, abstracte, en contextuele betekenis.

56
New cards

Label betekenis

klankvorm van het woord (Bv. auto)

57
New cards

Concept

betekenis van het woord (Bv. voertuig)

58
New cards

Concrete betekenis

uitleggen van een woord op ervaringsniveau, wat je kunt aanwijzen of ervaren

59
New cards

Abstracte betekenis

idee van de betekenis van een woord, bv. muziekinstrumenten

60
New cards

Contextuele betekenis

alle relaties die een woord heeft met een ander woord

61
New cards

Woordenschat

Woordenschatuitbreiding, productieve/passieve woordenschat.

62
New cards

Woordenschatuitbreiding

meer nieuwe woorden leren en een diepere woordkennis krijgen

63
New cards

Productieve / actieve woordenschat

woorden die je gebruikt om te communiceren (het zien van een cavia en deze kunnen benoemen)

64
New cards

Receptieve / passieve woordenschat

woorden die je begrijpt en kent (horen of lezen over een cavia, en deze als plaatje aan kunnen wijzen

65
New cards

Woordenschatopbouw

Synoniem, hyponiem, antoniem, rijmwoorden, homofoon, homograaf, homoniem.

66
New cards

Synoniem

woorden met dezelfde betekenis (diabetes / suikerziekte)

67
New cards

Hyponiem

onderbrengen in een klasse

68
New cards

Antoniem

tegenstelling (snel / langzaam)

69
New cards

Rijmwoorden

woorden die rijmen (slaap / gaap)

70
New cards

Homofoon

zelfde uitspraak, andere spelling (licht / ligt)

71
New cards

Homograaf

zelfde spelling, andere uitspraak, Bv. dolfijn = dólfijn (heel fijn) of dolfíjn (zeezoogdier)

72
New cards

Homoniem

zelfde uitspraak, zelfde spelling, Bv. bank (om op te zitten of waar geld op staat)

73
New cards

Principes voor woordenschatverwerving

Labelen, categoriseren, netwerkopbouw.

74
New cards

Labelen

Koppeling tussen woord en werkelijkheid (een goudvis in een kom noem je een vis)

75
New cards

Categoriseren

Iedere label verwijst naar een categorie van dingen (veel verschillende zwemmende dieren heten ook een vis, ze verschillen in vorm, kleur enz.)

76
New cards

Netwerkopbouw

associaties bij een woord, Bv. vis = het dier een vis, het werkwoord vissen en dit kan met een hengel en een net.

77
New cards

Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon Akoestisch,

hoe een woord klinkt

78
New cards

Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon articulatorisc

weten wat je lichaam moet doen om en klank uit te spreken

79
New cards

Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon fonologisch.

hoe je een woord uitspreekt (akoestisch en articulatorisch gecombineerd)

80
New cards

Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon Morfologisch

Het begrip van de opbouw van woorden met voor- en achtervoegsels.

81
New cards

Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon Syntactisch

Het gebruik van een woord in een zin.

82
New cards

Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon Semantisch

De betekenis van een woord.

83
New cards

Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon Orthografisch

De manier waarop een woord wordt geschreven.

84
New cards

Woordleerstrategieën

Werkwijzen om bewust de betekenis van woorden te achterhalen.

85
New cards

Woordleerstrategieën

• Analyseren van een woord: wordt veelal gebruikt om de betekenis van langere woorden te achterhalen. Voorbeeld: vuilnisophaaldienst

• Gebruik maken van de (verbale en non-verbale) context.

• Gebruik maken van een bron in de eerste of de tweede taal. Voorbeeld: woordenboek, klasgenoot, leerkracht, internet

• Letten op overeenkomsten tussen de eerste en tweede taal.

86
New cards

Schooltaalwoorden

abstracte begrippen die de leerlingen moeten kennen om het onderwijs te volgens. Voorbeeld: oorzaak, gevolg, functie.

87
New cards

Vaktaalwoorden

woorden die kinderen in het gewone taalverkeer niet tegenkomen, maar wel op school krijgen. Vakinhoudelijke begrippen. Voorbeeld: erosie, persoonsvorm, zin, klinker etc..

88
New cards

Inhoudswoorden

woorden met een duidelijke betekenis. Voorbeeld: zelfstandig naamwoord, werkwoorden.

89
New cards

Functiewoorden

woorden met een minder duidelijk omschreven betekenis. Voorbeeld: desondanks, niettemin

90
New cards

Signaalwoorden

woorden die de lezer informatie geven over de relaties in een tekst.

91
New cards

Cognitieve Academische Taalvaardigheid (CAT)

Taalgebruik gericht op kennisoverdracht in een schoolse context.

92
New cards

Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid (DAT)

Taalgebruik voor dagelijkse omgang.

93
New cards

pictografisch

een geheel woord is verbeeld

94
New cards

Logografisch

één teken voor één woord

95
New cards

Geletterdheid

Belangstelling voor geschreven woorden en inzicht in de functies van geschreven taal.

96
New cards

Ontluikende geletterdheid De interesse van jonge kinderen in letters

de letter M herkennen als Mc Donalds. Of pictografische afbeelden: WWF panda. Of symbolen die staan voor begrippen: kikker die staat voor het Duinrell logo.

97
New cards

Ontluikende geletterdheid Boekoriëntatie

rug van een boek laten zien → met de vinger bijwijzen

98
New cards

Ontluikende geletterdheid Verhaalbegrip

verhaal laten voorspellen → verhaal laten naspelen

99
New cards

Ontluikende geletterdheid Alfabetisch principe

lke klank komt overeen met een afzonderlijke letter (foneem - grafeem) → Welke klanken en letters hoor je in /vis/ ? → Noem woorden die beginnen met een/s/

100
New cards

Geletterdheid

belangstelling voor het geschreven woord en de inzichten die kinderen ontwikkelen in de functies van geschreven taal.