1/211
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Traditioneel taalonderwijs
Lesgeven met behulp van een methode.
Mondelinge taalvaardigheid
Omvat spreken en luisteren, waarbij diverse mondelinge gespreksvormen centraal staan.
Woordenschat
Het leren van nieuwe woorden, uitdrukkingen en spreekwoorden.
Beginnende geletterdheid
Het vermogen om schriftelijke taal te begrijpen en gebruiken, vooral in de kleutergroepen.
De drie stadia van geletterheid
Ontluikende geletterdheid = voorschoolse periode (0 – 4 jaar).
Beginnende geletterdheid = ontwikkeling van geletterdheid in de groepen 1 – 3.
Gevorderde geletterdheid = de periode na groep 3.
Aanvankelijk lezen
Belangrijk onderdeel van beginnende geletterdheid, het leren lezen in groep 3.
Voortgezet technisch lezen
Omvat het decoderen van tekst en het toepassen van leesstrategieën.
Begrijpend lezen
Het begrijpen van tekst en het achterhalen van de gedachte of bedoeling ervan.
Stellen
Het schrijven van teksten.
Taalbeschouwing
Reflecteren op de taalvorm, inclusief grammatica en spellingregels.
Spelling
Het correct schrijven van woorden, toepassen van spellingsregels en interpunctie.
De 3 functies van taal
Communicatieve/sociale, conceptualiserende/cognitieve, en expressieve taalfunctie.
De communicatieve / sociale functie
we gebruiken de taal als communicatiemiddel, interactie tussen mensen
De communicatieve / sociale functie: zelfhandhaving
beschermen wat je hebt, opkomen voor wat je wilt (“Die had ik)
De communicatieve / sociale functie: zelfsturing
aangeven wat je gaat doen (“Ik ga aankleden, dan naar de bakker”)
De communicatieve / sociale functie: sturing van anderen
beïnvloeden van gedrag van anderen (“Zullen we gaan zwemmen?”)
De communicatieve / sociale functie:structurering van een gesprek
beïnvloeden van het gespreksverloop (“Mag ik even wat zeggen?”).
De conceptualiserende / cognitieve functie: rapporteren
verslag over de werkelijkheid (beschrijven, vergelijken)
De conceptualiserende / cognitieve functie: redeneren
stap verder dan beschrijven (chronologisch ordenen, concluderen, relaties leggen, oplossingen voorleggen)
De conceptualiserende / cognitieve functie: projecteren
verplaatsen in gedachten en gevoelens van een ander.
De expressieve taalfunctie:
→ gevoelens uiten
→ experimenteren
→ creatief verwoorden
De communicatieve competentie
vermogen om de communicatieve functie toe te passen
De communicatieve competentie: Grammaticale competentie
kennis van taal en taalregels (inclusief woordenschat en correcte uitspraak)
De communicatieve competentie: Tekstuele competentie
kennis van gesproken en geschreven teksten
De communicatieve competentie: Strategische competentie
strategieën voor bepaalde doelen. Bv overtuigen, aanzetten tot actie
De communicatieve competentie: Functionele competentie
aanpassen van taalgebruik per situatie
De verschillende niveaus van taal
Pragmatisch, fonologisch, morfologisch, syntactisch, semantisch, en orthografisch niveau.
Pragmatisch niveau
gebruik van woorden (het kind maakt zich de regels eigen voor het gebruik van de taal.)
Fonologisch niveau
uitspraak van woorden (het kind vormt spraakklanken)
Morfologisch niveau
opbouw van woorden (het gaat om de manier waarop woorden worden gevormd)
Syntactisch niveau
volgorde van woorden (zinnen) (kinderen leren de regels voor het combineren van woorden)
Semantisch niveau
betekenis van woorden (het gaat om de betekenis van woorden)
Orthografisch niveau
spelling van woorden
Fases in het taalverwervingsproces
Prelinguale, vroeglinguale, differentiatie, en voltooiingsfase.
Prelinguale fase
0 tot 1 jaar → huilen (0 - 6 weken) → vocaliseren (6 weken - 4 maanden) klinkers of vocalen = 2 klinkers → vocaal spel (4 - 7 maanden) spelen met toonhoogtes, luidheid en duur + medeklinkers → brabbelen (> 7 maanden) klanken in de moedertaal, zonder betekenis. Bv. mamama
Vroeglinguale fase
1 - 2,5 jaar ~ eenwoordzin: koppeling tussen woord en werkelijkheid (1 - 1,5 jaar) ~ tweewoordzin: begin in leren van grammatica. Sommigen slaan deze fase over ~ meerwoordzin: sprong in de woordenschat
Differentiatie fase
2,5 - 5 jaar → ontwikkelt zich op elk niveau: het ontwikkelen van tijdsbesef (maakte), gebruik van functiewoorden (want) groter taalaanbod en grotere leefwereld door school → overgeneralisatie (Bv. gevald) → neologismen: niet bestaande woorden
Voltooiingsfase
5 - 9 jaar → uitbreiding van gestarte processen → uitbreiding van woordenschat
De linguale periode (1 – 9 jaar)
De vroeglinguale periode ( 1 – 2,5 jaar) = brabbelen gaat over naar betekenisvol taalgebruik.
De differentiatiefase (2,5 – 5 jaar) = kinderen leren dat woorden van vorm kunnen veranderen en dat die vormverandering ook iets betekent.
De voltooiingsfase (5 – 9 jaar) = alle processen uit de vorige periode worden nu verder opgebouwd
Overgeneralisatie
kinderen passen taalregels onterecht toe. Voorbeeld: loopte, gevald, meegebrengt. Dit komt vooral voor in de differentatiefase
Tweedetaalverwerving
Simulante en successieve tweetaligheid, interferentiefouten.
Tweedetaalverwerving Simulante tweetaligheid
iemand leert twee talen min of meer gelijktijdig. Kinderen leren voor hun derde jaar een tweede taal.
Tweedetaalverwerving Successieve tweetaligheid
kinderen leren een tweede taal nadat ze een eerste geleerd hebben.
Tweedetaalverwerving Interferentiefouten
zijn fouten die voortkomen uit de verschillen tussen een eerste en een tweede taal
Spreekstrategieën
1. Oriënteren op het spreekdoel (= informeren, amuseren, instrueren, overtuigen)
2. Oriënteren op het onderwerp en het inzetten van eigen kennis
3. Oriënteren op het soort spreektaak → hoe breng ik het over
4. Oriënteren op het publiek of gesprekspartners
5. Reflecteren op de spreektaak (tijdens) → gaat het ‘presenteren’ nog goed?
6. Monitoren van de spreektaak (tijdens) → kan ik iets doen om mijn ‘presentatie’ te verbeteren?
7. Evalueren van de spreektaak (na afloop) → hoe is het verlopen?
Luisterstrategieën Globaal luisteren
probeer je globaal te volgen wat er gezegd wordt. Het gaat om het begrijpen van informatie. Dit wordt ook wel begrijpend luisteren genoemd en is een goede voorbereiding op begrijpend lezen. o Je luisterdoel is bij deze strategie: een bepaald gevoel willen ondergaan.
Luisterstrategieën Intensief luisteren
je probeert ook alle details van een verhaal in je op te nemen. o Je luisterdoel is bij deze strategie: iets te weten willen komen.
Luisterstrategieën Kritisch luisteren
je probeert een mening te vormen tijdens het luisteren. o Je luisterdoel is bij deze strategie: een mening willen vormen.
Luisterstrategieën Gericht luisteren
dit pas je toe als je geïnteresseerd bent in bepaalde aspecten van een verhaal. o Je luisterdoel is bij deze strategie: een bepaalde handeling willen uitvoeren
Spreekdoelen Informeren
overbrengen van feitelijke informatie. De spreker wil iets uitleggen of verduidelijken.
Spreekdoelen Amuseren
de spreker wil zijn toehoorders vermaken, boeien of ontroeren.
Spreekdoelen Overtuigen
de spreker wil de luisteraar overhalen een bepaald standpunt of bepaalde mening in te nemen.
Spreekdoelen Instrueren
je wilt bijvoorbeeld uitleggen hoe iets werkt
Mentaal lexicon
Opslagplaats van alle geleerde woorden.
Woordbetekenis
Label, concept, concrete, abstracte, en contextuele betekenis.
Label betekenis
klankvorm van het woord (Bv. auto)
Concept
betekenis van het woord (Bv. voertuig)
Concrete betekenis
uitleggen van een woord op ervaringsniveau, wat je kunt aanwijzen of ervaren
Abstracte betekenis
idee van de betekenis van een woord, bv. muziekinstrumenten
Contextuele betekenis
alle relaties die een woord heeft met een ander woord
Woordenschat
Woordenschatuitbreiding, productieve/passieve woordenschat.
Woordenschatuitbreiding
meer nieuwe woorden leren en een diepere woordkennis krijgen
Productieve / actieve woordenschat
woorden die je gebruikt om te communiceren (het zien van een cavia en deze kunnen benoemen)
Receptieve / passieve woordenschat
woorden die je begrijpt en kent (horen of lezen over een cavia, en deze als plaatje aan kunnen wijzen
Woordenschatopbouw
Synoniem, hyponiem, antoniem, rijmwoorden, homofoon, homograaf, homoniem.
Synoniem
woorden met dezelfde betekenis (diabetes / suikerziekte)
Hyponiem
onderbrengen in een klasse
Antoniem
tegenstelling (snel / langzaam)
Rijmwoorden
woorden die rijmen (slaap / gaap)
Homofoon
zelfde uitspraak, andere spelling (licht / ligt)
Homograaf
zelfde spelling, andere uitspraak, Bv. dolfijn = dólfijn (heel fijn) of dolfíjn (zeezoogdier)
Homoniem
zelfde uitspraak, zelfde spelling, Bv. bank (om op te zitten of waar geld op staat)
Principes voor woordenschatverwerving
Labelen, categoriseren, netwerkopbouw.
Labelen
Koppeling tussen woord en werkelijkheid (een goudvis in een kom noem je een vis)
Categoriseren
Iedere label verwijst naar een categorie van dingen (veel verschillende zwemmende dieren heten ook een vis, ze verschillen in vorm, kleur enz.)
Netwerkopbouw
associaties bij een woord, Bv. vis = het dier een vis, het werkwoord vissen en dit kan met een hengel en een net.
Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon Akoestisch,
hoe een woord klinkt
Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon articulatorisc
weten wat je lichaam moet doen om en klank uit te spreken
Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon fonologisch.
hoe je een woord uitspreekt (akoestisch en articulatorisch gecombineerd)
Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon Morfologisch
Het begrip van de opbouw van woorden met voor- en achtervoegsels.
Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon Syntactisch
Het gebruik van een woord in een zin.
Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon Semantisch
De betekenis van een woord.
Soorten informatie over een woord in het mentaal lexicon Orthografisch
De manier waarop een woord wordt geschreven.
Woordleerstrategieën
Werkwijzen om bewust de betekenis van woorden te achterhalen.
Woordleerstrategieën
• Analyseren van een woord: wordt veelal gebruikt om de betekenis van langere woorden te achterhalen. Voorbeeld: vuilnisophaaldienst
• Gebruik maken van de (verbale en non-verbale) context.
• Gebruik maken van een bron in de eerste of de tweede taal. Voorbeeld: woordenboek, klasgenoot, leerkracht, internet
• Letten op overeenkomsten tussen de eerste en tweede taal.
Schooltaalwoorden
abstracte begrippen die de leerlingen moeten kennen om het onderwijs te volgens. Voorbeeld: oorzaak, gevolg, functie.
Vaktaalwoorden
woorden die kinderen in het gewone taalverkeer niet tegenkomen, maar wel op school krijgen. Vakinhoudelijke begrippen. Voorbeeld: erosie, persoonsvorm, zin, klinker etc..
Inhoudswoorden
woorden met een duidelijke betekenis. Voorbeeld: zelfstandig naamwoord, werkwoorden.
Functiewoorden
woorden met een minder duidelijk omschreven betekenis. Voorbeeld: desondanks, niettemin
Signaalwoorden
woorden die de lezer informatie geven over de relaties in een tekst.
Cognitieve Academische Taalvaardigheid (CAT)
Taalgebruik gericht op kennisoverdracht in een schoolse context.
Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid (DAT)
Taalgebruik voor dagelijkse omgang.
pictografisch
een geheel woord is verbeeld
Logografisch
één teken voor één woord
Geletterdheid
Belangstelling voor geschreven woorden en inzicht in de functies van geschreven taal.
Ontluikende geletterdheid De interesse van jonge kinderen in letters
de letter M herkennen als Mc Donalds. Of pictografische afbeelden: WWF panda. Of symbolen die staan voor begrippen: kikker die staat voor het Duinrell logo.
Ontluikende geletterdheid Boekoriëntatie
rug van een boek laten zien → met de vinger bijwijzen
Ontluikende geletterdheid Verhaalbegrip
verhaal laten voorspellen → verhaal laten naspelen
Ontluikende geletterdheid Alfabetisch principe
lke klank komt overeen met een afzonderlijke letter (foneem - grafeem) → Welke klanken en letters hoor je in /vis/ ? → Noem woorden die beginnen met een/s/
Geletterdheid
belangstelling voor het geschreven woord en de inzichten die kinderen ontwikkelen in de functies van geschreven taal.