Domeinen kerndoelen Kennisbasistoets Taal Samenvatting Lynn
Traditioneel taalonderwijs = lesgeven met behulp van een methode.
1. Mondelinge taalvaardigheid
→ spreken, luisteren (het voeren van allerlei mondelinge gespreksvormen staan centraal)
2. Woordenschat
→ nieuwe woorden, uitdrukkingen en spreekwoorden
3. Beginnende geletterdheid
→ vermogen om schriftelijke taal te begrijpen en gebruiken (wat je in de kleutergroepen doet aan de schriftelijke taalontwikkeling.)
3 stadia van geletterheid:
ontluikend (0-4 jaar)
beginnend (groep 1 t/m 3)
gevorderd (na groep 3): 1 onderdeel = aanvankelijk lezen (1e helft groep 3) daarna;
4. Aanvankelijk lezen = een belangrijk onderdeel binnen beginnende geletterdheid. Dit is het leren lezen in groep 3.
5. Voortgezet technisch lezen
→ decoderen van tekst (nog niet het begrijpen)
→ leesstrategieën
6. Begrijpend lezen
→ begrijpen van tekst / achterhalen van de gedachte of bedoeling van de tekst
7. Stellen
→ schrijven van teksten
8. Jeugdliteratuur
9. Taalbeschouwing
→ reflecteren op de taalvorm (kinderen leren reflecteren op de taalvorm, de manier waarop iets is verwoord.)
→ grammatica (zinsontleden en woordsoorten benoemen)
10. Spelling
→ correct schrijven
→ spellingsregels toepassen
→ interpunctie (leestekens)
Traditioneel taalonderwijs = Lesgeven m.b.v. een methode
1.1 De 3 functies van taal
1. De communicatieve / sociale functie =we gebruiken de taal als communicatiemiddel, interactie tussen mensen
→ zelfhandhaving= beschermen wat je hebt, opkomen voor wat je wilt (“Die had ik)
→ zelfsturing= aangeven wat je gaat doen (“Ik ga aankleden, dan naar de bakker”)
→ sturing van anderen= beïnvloeden van gedrag van anderen (“Zullen we gaan zwemmen?”)
→ structurering van een gesprek= beïnvloeden van het gespreksverloop (“Mag ik even wat zeggen?”).
2. De conceptualiserende / cognitieve functie:
→ rapporteren= verslag over de werkelijkheid (beschrijven, vergelijken)
→ redeneren= stap verder dan beschrijven (chronologisch ordenen, concluderen, relaties leggen, oplossingen voorleggen)
→ projecteren= verplaatsen in gedachten en gevoelens van een ander.
3. De expressieve taalfunctie:
→ gevoelens uiten
→ experimenteren
→ creatief verwoorden
De communicatieve competentie = vermogen om de communicatieve functie toe te passen
Grammaticale competentie → kennis van taal en taalregels (inclusief woordenschat en correcte uitspraak)
Tekstuele competentie → kennis van gesproken en geschreven teksten
Strategische competentie → strategieën voor bepaalde doelen. Bv overtuigen, aanzetten tot actie
Functionele competentie → aanpassen van taalgebruik per situatie
1.2 De verschillende niveaus van taal
1.Pragmatisch niveau → gebruik van woorden (het kind maakt zich de regels eigen voor het gebruik van de taal.)
2. Fonologisch niveau → uitspraak van woorden (het kind vormt spraakklanken)
3. Morfologisch niveau → opbouw van woorden (het gaat om de manier waarop woorden worden gevormd)
4. Syntactisch niveau → volgorde van woorden (zinnen) (kinderen leren de regels voor het combineren van woorden)
5. Semantisch niveau → betekenis van woorden (het gaat om de betekenis van woorden)
6. Orthografisch niveau → spelling van woorden
1.3 Fases in het taalverwervingsproces
1. Prelinguale fase = 0 tot 1 jaar → huilen (0 - 6 weken) → vocaliseren (6 weken - 4 maanden) klinkers of vocalen = 2 klinkers → vocaal spel (4 - 7 maanden) spelen met toonhoogtes, luidheid en duur + medeklinkers → brabbelen (> 7 maanden) klanken in de moedertaal, zonder betekenis. Bv. mamama
2. Vroeglinguale fase = 1 - 2,5 jaar ~ eenwoordzin: koppeling tussen woord en werkelijkheid (1 - 1,5 jaar) ~ tweewoordzin: begin in leren van grammatica. Sommigen slaan deze fase over ~ meerwoordzin: sprong in de woordenschat
3. Differentiatie fase = 2,5 - 5 jaar → ontwikkelt zich op elk niveau: het ontwikkelen van tijdsbesef (maakte), gebruik van functiewoorden (want) groter taalaanbod en grotere leefwereld door school → overgeneralisatie (Bv. gevald) → neologismen: niet bestaande woorden
4. Voltooiingsfase = 5 - 9 jaar → uitbreiding van gestarte processen → uitbreiding van woordenschat
De prelinguale periode (0 – 1 jaar) = Een periode met onsamenhangende reeksen klanken. Huilen is een manier van communiceren. Het kind begint met vocaliseren, het produceren van klanken.
De linguale periode (1 – 9 jaar) o De vroeglinguale periode ( 1 – 2,5 jaar) = brabbelen gaat over naar betekenisvol taalgebruik. o De differentiatiefase (2,5 – 5 jaar) = kinderen leren dat woorden van vorm kunnen veranderen en dat die vormverandering ook iets betekent. o De voltooiingsfase (5 – 9 jaar) = alle processen uit de vorige periode worden nu verder opgebouwd
Overgeneralisatie = kinderen passen taalregels onterecht toe. Voorbeeld: loopte, gevald, meegebrengt. Dit komt vooral voor in de differentatiefase
1.4 Tweedetaalverwerving
Simulante tweetaligheid = iemand leert twee talen min of meer gelijktijdig. Kinderen leren voor hun derde jaar een tweede taal.
Successieve tweetaligheid = kinderen leren een tweede taal nadat ze een eerste geleerd hebben.
Interferentiefouten = zijn fouten die voortkomen uit de verschillen tussen een eerste en een tweede taal
1.5 Spreek- en Luisterstrategieën
Spreekstrategieën
1. Oriënteren op het spreekdoel (= informeren, amuseren, instrueren, overtuigen)
2. Oriënteren op het onderwerp en het inzetten van eigen kennis
3. Oriënteren op het soort spreektaak → hoe breng ik het over
4. Oriënteren op het publiek of gesprekspartners
5. Reflecteren op de spreektaak (tijdens) → gaat het ‘presenteren’ nog goed?
6. Monitoren van de spreektaak (tijdens) → kan ik iets doen om mijn ‘presentatie’ te verbeteren?
7. Evalueren van de spreektaak (na afloop) → hoe is het verlopen?
Luisterstrategieën
Globaal luisteren = probeer je globaal te volgen wat er gezegd wordt. Het gaat om het begrijpen van informatie. Dit wordt ook wel begrijpend luisteren genoemd en is een goede voorbereiding op begrijpend lezen. o Je luisterdoel is bij deze strategie: een bepaald gevoel willen ondergaan.
Intensief luisteren = je probeert ook alle details van een verhaal in je op te nemen. o Je luisterdoel is bij deze strategie: iets te weten willen komen.
Kritisch luisteren = je probeert een mening te vormen tijdens het luisteren. o Je luisterdoel is bij deze strategie: een mening willen vormen.
Gericht luisteren = dit pas je toe als je geïnteresseerd bent in bepaalde aspecten van een verhaal. o Je luisterdoel is bij deze strategie: een bepaalde handeling willen uitvoeren
Spreekdoelen
• Informeren = overbrengen van feitelijke informatie. De spreker wil iets uitleggen of verduidelijken.
• Amuseren = de spreker wil zijn toehoorders vermaken, boeien of ontroeren.
• Overtuigen = de spreker wil de luisteraar overhalen een bepaald standpunt of bepaalde mening in te nemen.
• Instrueren = je wilt bijvoorbeeld uitleggen hoe iets werkt.
2. Woordenschat
Mentaal lexicon = waar alle woorden die je leert worden opgeslagen
2.1 Woordbetekenis
Label → klankvorm van het woord (Bv. auto)
Concept → betekenis van het woord (Bv. voertuig)
Concrete betekenis → uitleggen van een woord op ervaringsniveau, wat je kunt aanwijzen of ervaren
Abstracte betekenis → idee van de betekenis van een woord, bv. muziekinstrumenten
Contextuele betekenis → alle relaties die een woord heeft met een ander woord
2.2 Woordenschat
Woordenschatuitbreiding → meer nieuwe woorden leren en een diepere woordkennis krijgen
Productieve / actieve woordenschat → woorden die je gebruikt om te communiceren (het zien van een cavia en deze kunnen benoemen)
Receptieve / passieve woordenschat → woorden die je begrijpt en kent (horen of lezen over een cavia, en deze als plaatje aan kunnen wijzen
2.3 Woordenschatopbouw
1. Synoniem → woorden met dezelfde betekenis (diabetes / suikerziekte)
2. Hyponiem → onderbrengen in een klasse (stoel is een hyponiem van meubelen)
3. Antoniem → tegenstelling (snel / langzaam)
4. Rijmwoorden → woorden die rijmen (slaap / gaap)
5. Homofoon → zelfde uitspraak, andere spelling (licht / ligt)
6. Homograaf → zelfde spelling, andere uitspraak, Bv. dolfijn = dólfijn (heel fijn) of dolfíjn (zeezoogdier)
7. Homoniem → zelfde uitspraak, zelfde spelling, Bv. bank (om op te zitten of waar geld op staat)
2.4 Principes voor woordenschat verwerving
Labelen → Koppeling tussen woord en werkelijkheid (een goudvis in een kom noem je een vis)
Categoriseren → Iedere label verwijst naar een categorie van dingen (veel verschillende zwemmende dieren heten ook een vis, ze verschillen in vorm, kleur enz.)
Netwerkopbouw → associaties bij een woord, Bv. vis = het dier een vis, het werkwoord vissen en dit kan met een hengel en een net.
2.5 Soorten informatie over een woord die opgeslagen is in het mentaal lexicon:
1. Akoestisch → hoe een woord klinkt
2. Articulatorisch → weten wat je lichaam moet doen om en klank uit te spreken
3. Fonologisch → hoe je een woord uitspreekt (akoestisch en articulatorisch gecombineerd)
4. Morfologisch → begrip van opbouw van woorden + voor- en achtervoegsels
5. Syntactisch → hoe je het woord in een zin gebruikt
6. Semantisch → wat de betekenis van het woord is
7. Orthografisch → hoe je het woord schrijft
2.6 Woordleerstrategieën
Woordleerstrategieën = werkwijzen die bewust wordt ingezet om de betekenis van woorden te achterhalen.
• Analyseren van een woord: wordt veelal gebruikt om de betekenis van langere woorden te achterhalen. Voorbeeld: vuilnisophaaldienst
• Gebruik maken van de (verbale en non-verbale) context.
• Gebruik maken van een bron in de eerste of de tweede taal. Voorbeeld: woordenboek, klasgenoot, leerkracht, internet
• Letten op overeenkomsten tussen de eerste en tweede taal.
2.7 Soorten taalgebruik
Vaktaalwoorden = woorden die kinderen in het gewone taalverkeer niet tegenkomen, maar wel op school krijgen. Vakinhoudelijke begrippen. Voorbeeld: erosie, persoonsvorm, zin, klinker etc..
Schooltaalwoorden = abstracte begrippen die de leerlingen moeten kennen om het onderwijs te volgens. Voorbeeld: oorzaak, gevolg, functie.
Inhoudswoorden = woorden met een duidelijke betekenis. Voorbeeld: zelfstandig naamwoord, werkwoorden.
Functiewoorden = woorden met een minder duidelijk omschreven betekenis. Voorbeeld: desondanks, niettemin
Signaalwoorden = woorden die de lezer informatie geven over de relaties in een tekst.
Cognitieve Academische Taalvaardigheid (CAT) = schoolse taalgebruik (Taal die gebruikt wordt op school en is gericht op kennisoverdracht, Bv. instructie)
Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid (DAT) = het taalgebruik voor de dagelijkse omgang.
3. Beginnende geletterdheid
pictografisch = een geheel woord is verbeeld 🚾
Logografisch = één teken voor één woord 🈲
3.1 Ontluikende geletterdheid
De interesse van jonge kinderen in letters → de letter M herkennen als Mc Donalds. Of pictografische afbeelden: WWF panda. Of symbolen die staan voor begrippen: kikker die staat voor het Duinrell logo.
Boekoriëntatie → rug van een boek laten zien → met de vinger bijwijzen
Verhaalbegrip → verhaal laten voorspellen → verhaal laten naspelen
Alfabetisch principe → elke klank komt overeen met een afzonderlijke letter (foneem - grafeem) → Welke klanken en letters hoor je in /vis/ ? → Noem woorden die beginnen met een/s/
VOORBEELD VAN HET SCHRIFTSYSTEEM: RADIO ~ /RADIO/ Fonemen zijn de klanken. R/AA/D/IE/J/OO - DIT ZIJN 6 FONEMEN Grafemen zijn de letters. R, A, D, I, O - DIT ZIJN 5 GRAFEMEN
Geletterdheid = belangstelling voor het geschreven woord en de inzichten die kinderen ontwikkelen in de functies van geschreven taal.
Functionele geletterdheid = de vaardigheid om zich in een geletterde samenleving te kunnen redden.
AVI-toetsen = toets op het gebied van technisch lezen
Metalinguïstisch bewustzijn = Belangrijke rol bij de taalontwikkeling. Dit is het vermogen om na te denken over de vorm en het gebruik van taal en om onbewuste kennis over de regels in de taal te verwoorden.
3.2 Auditieve vaardigheden
1. Auditieve objectivatie → letten op de klank en niet op de betekenis van het woord
2. Auditieve discriminatie → klanken en woorden onderscheiden (man en maan)
3. Auditieve analyse → het woord opsplitsen in afzonderlijke fonemen (klanken): (auto = au-to)
4. Auditieve synthese → klanken samenvoegen tot een woord (b - oo - s = boos)
5. Temporeel ordenen → klanken en woorden in een bepaalde volgorde onthouden (niet drop maar dorp)
6. Klankpositie bepalen → horen waar de klank of letter in een woord staat (vooraan in mier staat ‘m’) → combinatie van auditieve analyse, temporeel ordenen en kennis van begrippen, zoals voor, midden en achter.
3.3 Visuele vaardigheden
1. Visuele analyse → afzonderlijke grafemen (letters) in een woord herkennen
2. Visuele synthese → het samenvoegen van grafemen (letters) Het hardop verklanken van letters is een hulpmiddel
3. Spatieel ordenen → letters ordenen van links naar rechts = leesrichting (dus niet tak maar kat)
4. Letterpositie bepalen → aangeven op welke plaats in het woord de letter te vinden is → combinatie van visuele analyse, spatieel ordenen en kennis van begrippen, zoals voor, midden en achter.
5. Visuele discriminatie = verschil zien tussen letters en woorden
3.4 Elementaire leeshandeling De leesstrategie (Hoe leer je kinderen lezen?) van visueel naar auditief
Het geschreven woord visueel analyseren → tuin opdelen in de grafemen: t, ui en n
De juiste fonemen koppelen aan de grafemen die je hebt gezien → het foneem /t/ aan t
De volgorde van fonemen onthouden → de fonemen /t/, /ui/ en /n/
Het auditief synthetiseren van afzonderlijke fonemen → het woord uitspreken: /t/ + /ui/ + /n/ = /tuin/
Betekenis geven aan het gesproken woord → een tuin is een begrensd stuk grond met gras of tegels dat bij je huis hoort
Bij de elementaire leeshandeling gebruik je alleen klankzuivere woorden.
3.5 Elementaire spellinghandeling De spellingsstrategie (Hoe leer je kinderen spellen?) Van auditief naar visueel!
Het gesproken woord auditief analyseren → /tuin/ opdelen in de fonemen: /t/, /ui/ en /n/
De volgorde van de fonemen onthouden
De juiste grafemen koppelen aan de fonemen die je hebt gehoord → het grafeem t aan /t/
Het visueel synthetiseren van afzonderlijke grafemen → het woord schrijven: t + ui + n = tuin
De elementaire spellinghandeling is het omgekeerde van de elementaire leeshandeling
3.6 Fonologisch bewustzijn
Dit is het bewustzijn van de vorm en klanken van gesproken taal: → kunnen luisteren (kritisch en aandachtig naar geluiden maar later ook naar woorden en zinnen) → woorden en zinnen bewustzijn (samengestelde woorden als keukenraam of de volgorde van woorden in zinnen) → het besef dat woorden kunnen rijmen (alert op laatste klanken van woorden) → bewustzijn van lettergrepen, liever klankgroepen genoemd (koekenpan) → het is de weg naar het fonemisch bewustzijn.
3.7 Fonemisch bewustzijn
Dit is het bewustzijn van de vorm en losse klanken van gesproken taal zonder betekenis erbij te betrekken: → het isoleren van klanken (kunnen horen wat de eerste, middelste, laatste klank van het woord ‘roos’ is) → ‘plakken’ van klanken tot een woord; auditieve synthese (v-i-s wordt vis) → ‘hakken’ van een woord in losse klanken; auditieve analyse (pan wordt p-a-n) → het kunnen manipuleren van klanken binnen een woord (de letter /s/ in ‘soep’ wordt een /p/; wat krijgen we dan voor woord?)
4. Voortgezet technisch lezen
De automatisering van verschillende strategieën = belangrijk voor het leren lezen en zo ook het luisteren, spreken en schrijven van nieuwe woorden.
4.1 Strategieën technisch lezen
1. De elementaire leeshandeling → lezen door grafeem voor grafeem te verklanken → voor het aanleren van nieuwe woorden
2. Lezen met behulp van klankclusters en spellingpatronen → herkennen van klankclusters, vaak voorkomende klinker- en medeklinkercombinaties en spellingpatronen (str, schr, aan of ok)
3. Lezen met behulp van visuele woordvorm of directe woordherkenning → herkennen van het woord aan de vorm of als plaatje
4. Lezen met behulp van morfologische analyse → herkennen van morfemen en woorddelen (caviahok = cavia + hok)
5. Lezen met behulp van de context → het woord lezen door naar de context in de zin te kijken. (de kip legt een ...) → gebruik maken van tekstbegrip, woordenschat en kennis over de wereld → is pas mogelijk als de elementaire leesbehandeling geautomatiseerd is.
4.2 Voordracht aspecten
Uitspraak en articulatie → de woorden duidelijk uitspreken zonder spellinguitspraak (zoals: paddenstoel /padunstoel/. De /n/ spreek je niet uit, je schrijft hem wel)
Klemtoon → per woord ligt de klemtoon vast en in zinnen is de plaats van de nadruk afhankelijk van de context
Zinsmelodie → correcte melodie ligt vast en interpunctie geeft houvast bij langere zinnen (vraagteken = zinsmelodie omhoog, mededeling = zinsmelodie omlaag)
Natuurlijkheid en emotionaliteit → op natuurlijke wijze voorlezen en bij monologen, dialogen en groepsgesprekken moeten emoties van personen gelezen worden
Tempo → techniek van het vlot lezen en om afwisseling in tempo (zoals bij een opsomming, dan lees je langzamer)
Volume → afwisseling in hoe hard of zacht je leest → afhankelijk van de context (... fluistert: “_” of ... schreeuwt: “_”)
Lezen van interpunctie → van belang voor correcte zinsmelodie → komma’s, punten, aanhalingstekens, vraagtekens en uitroeptekens is bepalend voor de betekenis van de zin
4.3 Leesprocessen
Bottom-up model = de lezer begint met het waarnemen op het meest elementaire niveau, dat van de letters. Eerst herkent hij de letters, daarna de opbouw van woorden en woordgroepen en als laatste stap de betekenis van de zin.
Top-down model = De lezer maakt sterk gebruik van zijn voorkennis en de context. Het lezen is een proces van voorspellen, selecteren en toetsen.
Interactief model = een afwisseling tussen het voorspellend lezen en woord voor woord lezen. → leesproces die een combinatie is van het bottom-upmodel en het top-downmodel → directe woordherkenning → herkennen van een woord in een vertrouwde context en af en toe een lagere leesstrategie toepassen
4.4 Leesteksten
→ moeten aansluiten op het niveau van de leerlingen
→ hiervoor houd je rekening met woordgebruik, zinsopbouw, tekstsoort, tekstinhoud, stijl, vormgeving en lengte
→ het moet passen bij de ontwikkeling en aansluiten bij de leefwereld van leerlingen
→ ze moeten genoeg voorkennis, leestechniek en leeservaring hebben
4.5 Dyslexie =→ er wordt gesproken van dyslexie wanneer de automatisering van woordidentificatie (lezen) en / of schriftbeeldvorming (spellen) zich niet, onvolledig of moeizaam ontwikkelen. → symptomen van dyslexie in de kleutertijd: moeite met rijtjes benoemen of opzeggen van versjes
5. Begrijpend lezen en schrijven
de Zelfreflectiestrategie = bewust worden van eigen leesgedrag (herkennen, erkennen en zo nodig herzien)
5.1 Leesdoelen
informatie zoeken → hoe verzorg je een cavia?
Achterhalen hoe iets werkt → hoe maak je een auto van lego?
Zoeken naar meningen en emoties → is deze film de moeite waard?
Zoeken naar argumenten → ben ik voor of tegen deze stelling?
Ontspannen → is dit een leuk om te lezen?
5.2 Begrijpend lezen strategieën
Oriënterend lezen → bepalen van context van de tekst → wat voor soort tekst het is → wie de auteur is → voor welk publiek de tekst bestemd is → zo krijg je een duidelijk beeld van de bedoeling van de tekst
Globaal lezen → bekijken van de opmaak van de tekst → titel, inleiding, plaatjes, kopjes → cursief of vetgedrukte woorden en zinnen lezen → zo leer je over de inhoud en de bedoeling zonder de tekst helemaal te lezen
Zoekend lezen → de tekst lezen om informatie te vinden → scannend lezen tot je bij het stuk tekst komt dat informatie bevat die je zoekt → nauwkeurig het tekstgedeelte lezen om een antwoord te vinden
Intensief lezen → eerst de opmaak van de tekst bekijken (net als bij globaal lezen) → aandachtig en grondig de hele tekst lezen → het centrale thema van de tekst zoeken → let op de structuur (inleiding, kern, slot) → elk onderwerp van elke alineau nagaan → onderscheiden van hoofd- en bijzaken → ervoor zorgen dat je de hele tekst goed begrijpt
Kritisch lezen → je eigen oordeel over de tekst vormen → feiten en meningen onderscheiden → kijken of alle informatie klopt en correct is
Genietend lezen → de tekst lezen op je eigen tempo → voor je eigen plezier lezen → zelf ontspannen.
5.3 Tekstsoorten
1 Verhalende teksten → verzonnen gebeurtenissen of persoonlijke weergave van de realiteit → het tekstdoel is om de lezer te amuseren
2. Informatieve teksten → de beschreven werkelijkheid, zoals in kranten, studieboeken of encyclopedieën → het tekstdoel is om informatie te geven en kennis van werkelijkheid te verrijken
3. Directieve teksten → beschreven hoe een handeling moet worden uitgevoerd, zoals een recept of handleiding → het tekstdoel is om handelingen te sturen en instructies te geven aan de lezer
4. Beschouwende teksten → de beschreven werkelijkheid maar ook meningen geven over een situatie, zoals in een recensie → het tekstdoel is om hun kijk op het probleem te geven en te onderbouwen
5. Argumentatieve teksten → beschreven opvattingen van auteurs, zoals een advertentie of sollicitatiebrief → onderbouwd met argumenten → het tekstdoel is om de lezer te overtuigen of over te halen.
5.4 Tekstkenmerken
Inhoud → het onderwerp van de tekst → heeft een leerling interesse over het onderwerp, zal deze de tekst sneller begrijpen
Structuur → hoe een tekst is opgebouwd → leerlingen profiteren van de kennis van hoe verschillende teksten zijn opgebouwd: weet een leerling dat het verhalende tekst is, dan weten ze dat eerst de hoofdpersoon wordt voorgesteld
Taalgebruik → wat voor soort woorden er gebruikt worden en de zinsopbouw → wanneer een leerling 10% van de woorden niet begrijpt, is de tekst al onbegrijpelijk
Bedoeling → wat de gedachte achter de tekst is en welke informatie er in voor komt → wanneer je iets wilt weten over de ijstijd, kun je beter een informatieve tekst kiezen
5.5 Tekstrelaties
Een mondelinge of schriftelijke tekst bestaat uit een verzameling samenhangende woorden en zinnen. Die samenhang bestaat uit cognitieve relaties die worden uitgedrukt door bv. voegwoorden, signaalwoorden of verwijswoorden. Relaties tussen zinnen:
vraag-antwoord
Chronologische volgorde (en toen)
Voorbeelden Vergelijkingen (maar)
Middel-doel (want)
Voorwaardelijke structuren (als)
5.6 Tekstdoelen
1. Informeren → lezer informatie geven over een bepaald onderwerp
2. Overtuigen → lezer overhalen tot een mening
3. Amuseren → lezer een bepaalde emotie laten beleven
4. Instrueren → lezer aansporen tot het verrichten van een bepaalde handeling
5.7 Informatieverwerking
Perceptie → informatie die via zintuigen beschikbaar is
Cognitie → nieuwe informatie koppelen aan bestaande kennis, het creëren van nieuwe kennis en het gebruiken van die kennis
Voor het verwerken van informatie gebruiken we onze intelligentie:
verbaal/linguïstische intelligentie (woordknap) logisch/mathematische intelligentie (rekenknap) visueel/ruimtelijke intelligentie (beeldknap) muzikaal/ritmische intelligentie (muziekknap) lichamelijke/kinetische intelligentie (beweegknap) interpersoonlijke intelligentie (mensknap) natuurgerichte intelligentie (natuurknap)
6. Stellen
Bij stellen hanteren we Dezelfde tekstsoorten als bij begrijpend lezen en schrijven
6.1 Tekstopbouw
stapelstructuur → losse onderdelen (boodschappenlijstje)
verhaalstructuur → opeenvolgende gebeurtenissen van een personage (opsomming)
Betoogstructuur → uitspraken ondersteund door argumenten (betoog)
6.2 Fases van stellen
1. Bepalen → het doel → het publiek → de tekstsoort
2. Verzamelen → informatie → selecteren → ordenen
3. Formuleren → gedachtes omzetten in geschreven taal
4. Reviseren → herlezen en herzien van de tekst (product)
5. Verzorgen → vormgeving en lay-out van de tekst in orde maken
6. Reflecteren → bewust nadenken over schrijfactiviteit (proces) en de tekst (product)
6.3 Schrijfproces in het kort
1. Bepalen van het doel, publiek en tekstsoort
2. Verzamelen, selecteren en ordenen van de inhoud - structureren 3. Formuleren van zinnen en alinea’s
4. Reviseren van de tekst
5. Verzorgen van spelling en opmaak
6. Reflecteren op schrijfgedrag
7. Jeugdliteratuur
Narratologie = het bestuderen van het vertellen van verhalen
7.1 Literaire genres
Teksten die tot dezelfde groep horen, omdat ze bv. hetzelfde thema, doel of vorm hebben. De teksten worden ingedeeld op basis van:
Thema → hier-en-nu verhalen, historische verhalen, oorlogsverhalen, andere culturen, detectives, sprookjes, fantasieverhalen, griezelverhalen, science-fiction en dierenverhalen
Woord en beeld → prentenboeken en stripverhalen
Doelstelling → verhalende teksten, informatieve teksten
Vormstelling → proza, drama en poëzie
7.2 Functies van jeugdliteratuur
1. Ontspannende functie → laat je ontspannen
2. Creatieve functie → daagt uit om het verhaal zelf in te vullen, te fantaseren
3. Emotionele functie → geeft inzicht in gevoelens en kan helpen emoties te verwerken
4. Informatieve functie → komt tegemoet aan de behoefte van kennis
5. Opvoedende functie → geeft de mogelijkheid een standpunt in te nemen
6. Esthetische functie → komt tegemoet aan schoonheid en het genieten van moois op zichzelf
7.3 Verhaalelementen
Thema→ waar het verhaal over gaat
Personages→ wie of wat komen voor in het verhaal
Handeling→ wat de personages in het verhaal doen
Ruimte→ waar het verhaal zich afspeelt
Opbouw→ de manier waarin het verhaal is opgebouwd
Taalgebruik→ de stijl en woordkeuzes in het verhaal
Doelstelling→ wat de schrijver wil bereiken met het verhaal
Beweegredenen→ de redenen die de personages in het verhaal hebben om te handelen
Perspectief→ vanuit welk standpunt het verhaal wordt verteld
Vertelde tijd→ de tijd in het verhaal waarover verteld wordt
Motief→ (regelmatig) terugkerend element in het verhaal
7.4 Beoordelingscriteria jeugdliteratuur
Literaire grond → het verhaal staat centraal Bv. “zeer origineel taalgebruik”
Pedagogische grond → het kind en zijn ontwikkeling staat centraal Bv. “heerlijk taboedoorbrekend, genoten!”
Ideologische grond → het functioneren van het kind in de maatschappij staat centraal Bv. “Zo leren ze zich beter inleven
8. Taalbeschouwing
Metalinguïstisch bewustzijn = toepassen van taaleigenschappen & taalgebruik
8.1 Functies van taal
communicatieve functie → om te communiceren met anderen → bijvoorbeeld informeren of amuseren
conceptualiserende functie → om de werkelijkheid te ordenen → verwijzen naar betekenissen en concepten → relaties beschrijven om grip te krijgen op de werkelijkheid
expressieve functie → om uitdrukking te geven aan persoonlijke emoties.
8.2 Soorten taalgebruik
vakjargon straattaal formeel informeel
8.3 Taalbeschouwingsstrategieën
1. Analyseren → een ontdekking doen in taaluitingen → het achterhalen van een woord door te kijken naar betekenisvolle delen: Bv. hoopvol = hoop + vol, dus vol van hoop
2. Relateren → Gebruik maken van relaties, zoals een oorzaak-gevolg relatie: Bv. “Ik heb een lieve kat, maar de jouwe krabt”, door het woordje maar weet je dat dit een tegenstelling is
3. Vergelijken → het ontdekken van iets gemeenschappelijks, zoals de uitspraak: Bv. wij en wei schrijf je hetzelfde, maar schrijf je anders
4. Classificeren → het onderbrengen in categorieën (door analyseren én te vergelijken) Bv. de ontdekking dat ‘je’ een verkleinmorfeem is: huisje is kleiner dan huis, dus boekje is ook kleiner
5. Generaliseren → het ontdekken of bedenken van een regel die je onthoudt: Bv. wanneer in een methode het onderwerp altijd op de eerste plaats staat, kan de leerling de conclusie trekken dat het eerste zinsdeel altijd het onderwerp is.
6. Herordenen → het op een andere manier kijken naar taal(aspecten) → op de vorm letten en niet op de betekenis: Bv. “Welk woord is langer: slang of regenworm?”
8.4 Onderdelen van taalkunde
Fonologie → klanken
Morfologie → woordopbouw
Syntaxis → zinsopbouw
Semantiek → betekenis
Pragmatiek → taalgebruik
Orthografie → spelling
9. Spelling
Onveranderlijke woorden = vast woordbeeld, zoals hyena veranderlijke woorden = werkwoorden en vervoegingen
9.1 Spellingstrategieën
1.Directe spellingstrategie → het spellen is geautomatiseerd
2. Indirecte spellingstrategie → het schrijven van een woord vereist denkhandelingen
3. Fonologische strategie / auditieve strategie → het woord opsplitsen in klanken en klankgroepen & de juiste letter schrijven → elementaire spellinghandeling = losse fonemen → klankclusterstrategie = klankgroepen als ‘ooi’ → 1 op 1 relatie: schrijf op wat je hoort
4. Woordbeeldstrategie / visuele strategie → het beroep doen op het woordgeheugen → makkelijk te onthouden en geen regels nodig: weetwoorden → woorden die klanken bevatten die je op verschillende manieren kunt schrijven: Bv. ‘ou - au’
5. Regelstrategie → het toepassen van een spellingregel (het schrijven van niet-klankzuivere woorden): Bv. een trema op een klinker voor de uitspraak
6. Analogiestrategie → het woord schrijven door het te vergelijken met een ander woord: voorbeeldwoord → gebruik maken van een zelf ontdekte overeenkomst, zonder dat regels zijn aangeleerd: Bv. overeenkomst in klankvorm: slapen - schapen, of in betekenis: vertrouwelijk - trouwen
7. Hulpstrategie → gebruik maken zelfbedachte geheugensteuntjes of ezelsbruggetjes.Bv. aan het eind van een woord kan nooit een v of z staan, alleen bij meervouden, dus het is muis in plaats van muiz.
9.2 Spellingsprincipes
Fonologisch principe →hoofdprincipe van de Nederlandse spelling → elk foneem wordt weergegeven in een apart grafeem → schrijf het woord zoals het klinkt
Morfologisch principe → de regel van gelijkvormigheid: Bv. een woord, voor- of achtervoegsel op dezelfde manier schrijven (hond-honden) → de regel van overeenkomst: Bv. een woord die op dezelfde manier wordt gevormd, wordt op dezelfde manier geschreven (grootte-lengte)
Etymologisch principe → de geschiedenis van een woord is bepalend voor de schrijfwijze: Bv. het verschil tussen ‘ij’ en ‘ei’, omdat er vroeger uitspraakverschillen bestonden
Syllabisch principe → klankdelen (syllabes) van een woord zijn bepalend voor de schrijfwijze: Bv. eindigt een klankgroep op een korte klank, dan schrijf je twee medeklinkers: pot - potten