1/38
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Psychometrische criteria
a. Objectiviteit
b. Betrouwbaarheid
c. Validiteit
d. Normering
Psychometrische criteria (kwaliteit van tests)
Objectiviteit
Verschillende professionals ā zelfde resultaat
= algemene wetenschappelijke eis
Betrouwbaarheid
Hoe nauwkeurig / consistent is de meting?
Validiteit
Meet de test wat hij moet meten?
Normering
Met wie vergelijk je?
Normgroep moet goed aansluiten bij cliƫnt
Ruwe scores
eerste uitkomst van een test of basisscore
Voorbeelden:
⢠aantal goede antwoorden
⢠aantal items waarvoor de antwoorden in zelfde richting wijzen
⢠somscore op Likert schaal
⢠leestijd
Interpreteren van ruwe scores? = probleem
⢠Bijna altijd numeriek, bijv.
- BDI-II-NL: 12 op 63
- Figuurreeksen (CoVaT-CHC): 44 op 75
ļØ Waarom een probleem? Op zichzelf heeft een ruwe score geen betekenis
ļØ Vergelijking nodig
⢠Is score hoog of laag in vergelijking met anderen?
⢠Waren de vragen moeilijk of gemakkelijk? (afhankelijk van de leeftijd)
oplossing = werken metā¦
1) Criteriumgeoriƫnteerde en (2) domeingerichte tests
(3) Genormeerde tests (meeste psychologische tests)
1) Criteriumgeoriƫnteerde
Vastgelegde grens (cut-off)
Voor iedereen hetzelfde
vb. examen (ā„ 10/20 = geslaagd)
Domeingerichte tests
Specifieke vaardigheden binnen een domein
Ook met cut-off
vb. selectieproeven politie
š Beide (criterium- & domeingericht):
vergelijken met absolute norm ā
iedereen wordt aan dezelfde standaard getoetst
(3) Genormeerde tests (meeste psychologische tests)
⢠betekenis door ruwe score te vergelijken met scores van de normgroep
⢠geen vooraf te behalen cut-off
Hierbij vergelijken we met een relatieve norm: de behaalde score moet niet over
een vooraf bepaalde cut-off maar wordt vergeleken met scores van anderen,
gebaseerd op het profiel van de testpersoon
Van ruwe score naar normscore
Ruwe scores worden afhankelijk van test, doel, gewoonte⦠getransformeerd tot
verschillende zgn. ānormscoresā
⢠Percentielen
⢠Stanines
⢠Indexen
⢠ā¦
Vergelijk met verschillende vertalingen van ƩƩn woord
MAAR allemaal dezelfde statistische principes aan de basis!
Frequentieverdeling
Verdelen in intervallen
⢠van gelijke breedte (voorkeur)
⢠Geen vast aantal, vaak tussen 10 à 15
Turven hoeveel scores in elk interval
vallen (frequentie)
⢠som = N (grootte steekproef)
Histogram/staafdiagram
= grafische representatie van een
frequentieverdeling
= Visuele samenvatting van de
geobserveerde data
Lijngrafiek van de histogram
ļØ frequentie van de intervallen wordt weergegeven door een lijn (die de middelste punten van de staven verbindt)
Maten voor centrale tendentie

Maten voor variabiliteit
Verschillende scoreverdelingen
⢠hetzelfde gemiddelde
⢠sterk verschillen in de mate van spreiding van de scores rond het gemiddelde
Standaarddeviatie (SD of s)
mate van spreiding van scores
Als scores sterk bijeengepakt zijn rond het gemiddelde
ļØSD ā 0
Naarmate scores meer gespreid zijn (meer uit elkaar)
ļØSD wordt groter
= Meest gebruikte maat voor variabiliteit
Normaalverdeling
tatistische bewerkingen mogelijk
⢠Bijv. t-test verschil tussen 2 groepen
⢠Normaalverdeling meestal voorwaarde voor statistische bewerkingen
Wiskundige precisie: mogelijk om % te berekenen
⢠Bijv. 2.14% van alle scores liggen tussen 2 en 3 SD hoger dan het gemiddelde
⢠Bijv. 68% van alle scores vallen binnen 1 SD boven of onder het gemiddelde
Normaalverdeling komt vaak voor in de praktijk (bijv. lengte, geboortegewicht,
intelligentie, ā¦) = āwet van de natuurā
symmetrie of asymmetrie
sitieve scheefheid = testscores dicht bij elkaar in lage zone
ļØ te weinig gemakkelijke items, test differentieert weinig in lage zone
Negatieve scheefheid = testscores dicht bij elkaar in hoge zone
ļØ te weinig moeilijke items, test differentieert weinig in hoge zone
Skewness/scheefheid
Oplossing:
Voorkeur (enkel door testauteurs/uitgeverijen):
⢠meer makkelijke items toevoegen (positieve scheefheid)
⢠Meer moeilijke items toevoegen (negatieve scheefheid)
Indien niet meer mogelijk:
⢠gebruik van statistische transformatie
⢠! Opletten bij interpretatie in de zone van mindere differentiatie
Percentielen
% personen die in de normgroep/steekproef gelijk met of onder een
specifieke ruwe score scoren
Percentiel
rangorde in een groep van 100 personen, waarbij 1 = laagste plaats
(bodem) en 100 = hoogste plaats (top) (<> ranking van bijv. sport)
ļØ Hogere percentielen komen overeen met hogere scores
(persoon met hoogste scores in de steekproef = percentiel 100 of P100)
ļØ obv vergelijking met normgroep
ā % correcte antwoorden (= vergelijking met totaalscore)
Bijv. bij een moeilijke test kan een score van 50% overeenkomen met percentiel
Percentielen: varianten
Percentielen: 100 gelijke delen
⢠Decielen: 10 gelijke delen
⢠Kwartielen: 4 gelijken delen
Percentielen Voordelen
Makkelijk te berekenen
IntuĆÆtief makkelijk uit te leggen aan cliĆ«nten, collegaās
ļØ Meest voorkomende transformatie van ruwe scores
ļØ Bijna alle testresultaten kunnen naar percentielen vertaald worden
Bijv. IQ van 130 = P98 (score ligt boven het gemiddelde en er is maar 2% in de
steekproef die hoger scoort)
Percentielen Nadeel:
percentielen vervormen de achterliggende meetschaal, zeker aan de uiteinden
Z-score
Standaardscore = geeft de afstand van de een ruwe score tot het
gemiddelde weer in termen van de standaarddeviatie
ļØ Basisstandaardscore = Z-score
Bijv.
ruwe score exact 1SD > M ļØ Z-score = +1
ruwe score exact 0.5SD < M ļØ Z-score = -0.5
lineaire Z-score
berekening met formule formule gebruiken Zx = Xi -X / Sx
Genormaliseerde Z-score
omzettingstabel gebruiken
Behoudt dezelfde verdelingskenmerken als ruwe scores:
⢠lineaire z-scores zijn dus niet automatisch normaal verdeeld!
bij omzetting van ruwe scores naar z-scores
⢠wordt de verdeling verschoven (gemiddelde wordt van elke score afgetrokken)
⢠wordt de afstand tussen de scores veranderd (elke score wordt gedeeld door de
standaarddeviatie)
⢠maar blijven andere kenmerken (bv. scheefheid) gelijk
Lineaire Z ā score: belang
Deze kunnen resultaten van verschillende schalen/ (sub)tests omzetten naar een
gemeenschappelijke schaal zodat vergelijking mogelijk is
Lineaire Z ā scores: Nadeel
ergelijken enkel wanneer de verdelingen van de scores dezelfde vorm
hebben (bijv. normaalverdeling).
Wanneer verdelingen van scores niet dezelfde vorm hebben, kan de vergelijking van standaardscores erg misleidend zijn!!
Genormaliseerde Z-score
Psychologisch geschoolden verkiezen normaalverdeling
⢠Vaststaande statistische kenmerken (wiskunde mogelijk)
⢠Getransformeerde scores van ruwe scores kunnen dan over subtesten e subschalen met elkaar vergeleken worden
MAAR wat als verdeling van de scores skewed/ asymmetrisch zijn? (kan je niet zomaar garanderen bij elk construct/instrument)
ļØTransformeren of normaliseren naar een normaalverdeling
ļØPopulairste werkwijze: omzetting percentielen naar genormaliseerde z- scores
Genormaliseerde Z-score
= Niet-lineaire transformatie van ruwe scores (niet op basis van een
formule):
De verdeling van scores wordt zodanig vervormd dat er een normale verdeling
ontstaat
Afleidingen van z-scores: waarom
Z-score: veel statistische voordelen
Maar nadeel: kommagetallen (lastig om te werken) en negatieve getallen (kan
lastig zijn om uit te leggen)
ļØAndere gestandaardiseerde scores gebruiken die eigenlijk een transformatie
van de z-score zijn. (lineair of genormaliseerd!)
ļØInterpretatie is gelijk omdat het enkel over wiskundige bewerkingen gaat om z-
scores groter en positiever te maken. (cf. dialectwoord naar andere talen
vertalen via algemeen Nederlands)
T-score
⢠Vaak gebruikt in klinische tests
⢠Voor elke distributie van ruwe scores is M van de T-score = 50
⢠Meeste geobserveerde T-scores liggen tussen 20 en 80
(-3SD & +3SD van M)
⢠T-scores van lager dan <20 of >80 zijn mogelijk, zeker in klinische populaties
(bijv. T-score van 90 op persoonlijkheidsvragenlijst)
Fromule Z = (T ā 50)/ 10
Stanines
alle ruwe scores worden omgezet op schaal van 1 tot 9
(M = 5, SD ā 2)
= schaal van 1 tot 9 met getalswaarden die corresponderen met gelijke
intervallen onder de normaalverdeling:
C- scores
Zelfde als stanines, maar meer klassen (11)
ļ Gevoeliger aan uiteinden van schaal
ļ Vergelijking met standaardnormale verdeling
Manieren van interpreteren š¹ 1. Via standaarddeviaties (SD)
bij zowel lineair als genormaliseerd mag dit
š Je vergelijkt met het gemiddelde van de normgroep
Voorbeeld:
M = 80
BI = [67 ā 83]
Berekening:
67 ā 1,3 SD onder gemiddelde
83 ā 0,3 SD boven gemiddelde
š Interpretatie:
Ware score ligt tussen duidelijk ondergemiddeld en net boven gemiddeld
interpretaie Via percentielen
Plaats in groep
Voorbeeld:
95e percentiel = beter dan 95% van groep
š Zeer concreet en begrijpbaar voor cliĆ«nten š
interpretatie Via labels -
Bijvoorbeeld:
gemiddeld
hooggemiddeld
hoog
š Enkel toegestaan als verdeling normaal is! - dus NIET lineaire !!
Methode: overlap van BIās
Geen overlap
š Groot verschil ā waarschijnlijk echte verschillen ā
ā Wel overlap
š Onzeker ā kan toeval zijn ā