Flashcards Temperament en Persoonlijkheidstheorieën

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
full-widthPodcast
1
Card Sorting

1/99

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Een set van 100 oefenflashcards in Q&A-stijl gebaseerd op de verstrekte bronnen over temperament, aandachtsnetwerken, genetica en trekten- en lexicale persoonlijkheidsmodellen.

Last updated 2:50 PM on 9/17/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

100 Terms

1
New cards

Hoe definiëren Derryberry en Rothbart (1997) het begrip temperament?

Als constitutioneel gebaseerde individuele verschillen in emotionele, motorische en aandachtsreactiviteit en zelfregulatie, die consistentie vertonen over situaties en relatieve stabiliteit over de tijd.

2
New cards

Wat betekent de term 'reactiviteit' in de temperamentstheorie van Rothbart?

De latentie, stijgtijd (rise time), intensiteit en duur van de responsiviteit van een persoon op stimulatie.

3
New cards

Welke processen vallen onder 'zelfregulatie' volgens de definitie van temperament door Rothbart?

Processen die dienen om reactiviteit te moduleren, waaronder oriëntatie en effortful attention (doelgerichte aandacht), evenals motorische neigingen tot benadering, terugtrekking, inhibitie en zelfstimulatie.

4
New cards

Welke vier typen temperament onderscheidden Grieks-Romeinse geneesheren op basis van het humorale model van Hippocrates?

Het melancholische type (zwarte gal), het cholerische type (gele gal), het sanguinische type (bloed) en het flegmatische type (slijm).

5
New cards

Wat verstond Ivan Pavlov onder een 'sterk' versus een 'zwak' zenuwstelsel bij honden?

Honden met een sterk zenuwstelsel konden de sterkte van een geconditioneerde respons blijven vergroten onder hoge intensiteit of langdurige stimulatie, terwijl honden met een zwak zenuwstelsel deze respons snel verloren.

6
New cards

Wat ontdekten Nebylitsyn en Gray (1972) over individuen met een 'zwak' zenuwstelsel?

Zij vertoonden lagere sensorische drempels dan individuen met een sterk zenuwstelsel.

7
New cards

Welke drie algemene factoren identificeerden Heymans en Wiersma (1906) in hun vragenlijststudie onder 3.000 artsen?

Zij identificeerden drie algemene factoren op basis van vragenlijsten ingevuld door 3.000 artsen, waaruit zij acht temperamentstypen poneerden.

8
New cards

Wat hield het concept van 'effective experience' van Escalona (1968) in?

Dat het louter karakteriseren van een omgevingsgebeurtenis niet nauwkeurig de ervaring van een kind weergeeft, omdat de sociale wereld niet voor elk kind op dezelfde manier wordt ervaren.

9
New cards

Welke voorspellende waarde had de spierspanning en emotionele distress van 3- tot 4-maanden oude Zwitserse zuigelingen in het onderzoek van Meili (1950)?

Het voorspelde latere terughoudendheid en verlegenheid op zeven- en veertienjarige leeftijd.

10
New cards

Hoeveel zuigelingen onderzochten Thomas en Chess initieel in de New York Longitudinal Study (NYLS)?

Tweeëntwintig (2222) zuigelingen in de leeftijd van drie tot zes maanden.

11
New cards

Welke negen temperamentsdimensies werden geïdentificeerd in de New York Longitudinal Study (NYLS)?

(1) Activity level, (2) Rhythmicity, (3) Approach/withdrawal, (4) Adaptability, (5) Threshold of response, (6) Intensity, (7) Mood, (8) Distractibility, en (9) Attention span/persistence.

12
New cards

Welke vijf dimensies uit de NYLS werden gebruikt om kinderen te categoriseren als 'difficult' (moeilijk)?

Terugtrekking (withdrawal), overwegend negatieve stemming (negative mood), onaanpasbaarheid (unadaptable), intensiteit (intense) en onregelmatigheid (irregular).

13
New cards

Hoe wordt een 'slow-to-warm-up' kind omschreven volgens het NYLS-model van Thomas en Chess?

Als een kind dat zich aanvankelijk terugtrekt maar reacties met lage intensiteit vertoont, en zich na verloop van tijd aanpast aan de situatie.

14
New cards

Hoe definieert Jerome Kagan het begrip 'behavioral inhibition' (gedragsinhibitie)?

Als angstige inhibitie (fearful inhibition) ten opzichte van het onbekende.

15
New cards

Welke gedragingen bij zuigelingen van vier maanden voorspellen individuele verschillen in behavioral inhibition in het onderzoek van Kagan?

De distress en motorische reactiviteit van de zuigeling bij de presentatie van nieuwe objecten.

16
New cards

Welke drie brede factoren worden frequent gevonden in factoranalytische studies van door ouders gerapporteerd temperament bij kinderen (Rothbart & Bates, 2006)?

Surgency, Negative Affectivity (of Negative Emotionality), en Effortful Control.

17
New cards

Welke specifieke eigenschappen omvat de temperamentsfactor Surgency volgens Rothbart?

Hoge niveaus van activiteit, sociabiliteit, impulsiviteit en het genieten van hoge-intensiteitsplezier (high intensity pleasure).

18
New cards

Uit welke onderdelen bestaat de temperamentsfactor Effortful Control?

Hoge aandachtsfocus (attentional focusing), efficiëntie van verschuiven (shifting), inhibitorische controle, perceptuele sensitiviteit en lage-intensiteitsplezier (low intensity pleasure).

19
New cards

Welke Big Five-persoonlijkheidsfactor is positief gerelateerd aan temperamentele Effortful Control bij volwassenen?

Conscientiousness (Zorgvuldigheid).

20
New cards

Aan welke Big Five-persoonlijkheidsfactor is de temperamentsdimensie Orienting to Low Intensity Stimuli onverwacht gerelateerd?

Openness to Experience (Openheid voor ervaringen).

21
New cards

Hoe meet de Attention Network Test (ANT; Fan et al., 2002) de conflictresolutie van het executieve aandachtsnetwerk?

Door gebruik te maken van flankers die in een richting wijzen die congruent of incongruent is met het doelwit (target).

22
New cards

Welke twee psychologische mechanismen waarmee effortful control wordt uitgeoefend, onderzochten Kanske et al. (2011)?

Afleiding (distraction) en herbeoordeling (reappraisal) van de huidige input.

23
New cards

Welk hersengebied vertoonde een sterkere afname in activiteit bij afleiding vergeleken met herbeoordeling in de studie van Kanske et al. (2011)?

De bilaterale amygdala.

24
New cards

Welk specifiek deel van de anterior cingulate cortex (ACC) wordt geactiveerd door cognitief conflict, en welk deel door een combinatie van conflict en negatieve emotie?

Cognitief conflict activeert de dorsale ACC, terwijl een combinatie van conflict en negatieve emotie de amygdala en de ventrale ACC activeert.

25
New cards

Wat is de genetische verandering bij de COMT val158met (rs4680) single nucleotide polymorfisme (SNP)?

Adenine wordt gesubstitueerd voor guanine binnen het COMT-gen.

26
New cards

Welk effect heeft de adenine-substitutie bij de COMT val158met polymorfisme op de dopaminedegradatie bij volwassenen?

Het leidt tot minder efficiënte dopaminedegradatie, waardoor meer dopamine beschikbaar is in de prefrontale cortex.

27
New cards

Waarom kan de relatie tussen het COMT val158met genotype en cognitief functioneren bij kinderen omgekeerd zijn vergeleken met volwassenen?

Omdat de enzymatische activiteit van COMT in de eerste levensjaren slechts tot de helft van het volwassen niveau bedraagt, wat kan leiden tot een overvloed aan dopamine op de omgekeerde U-vormige curve.

28
New cards

Welke polymorfisme in exon 3 van het DRD4-gen is primair geassocieerd met Sensation Seeking en ADHD?

De 7-repeat variant (DRD4 7-repeat).

29
New cards

Wat houdt het concept van 'differential susceptibility' (differentieuële vatbaarheid) in met betrekking tot het DRD4 7-repeat allel?

Dat kinderen met dit allel gevoeliger zijn voor de omgeving: ze presteren slechter in negatieve omgevingen, maar juist beter in positieve omgevingen dan kinderen zonder het 7-repeat allel.

30
New cards

Wat is het verschil in het aantal herhalingen tussen de korte en lange alleldragers van de 5-HTTLPR polymorfisme?

Korte alleldragers hebben de 14-repeat versie, terwijl lange alleldragers de 16-repeat versie van 5-HTTLPR hebben.

31
New cards

Welke invloed heeft het MTHFR-gen op de epigenetische modulatie?

Het MTHFR-gen codeert voor een sleutelenzym van het folaatmetabolisme dat participeert in epigenetische modulatie door de productie te beïnvloeden van een metaboliet die vereist is voor de methylering van DNA.

32
New cards

Welke combinatie van allelen van MTHFR en COMT vertoonde een grotere verbetering in reactietijd en conflictresolutie tijdens de ANT?

Het 677C-allel van MTHFR samen met het 158A (Met)-allel van COMT.

33
New cards

Wat is het verschil tussen netwerktraining (network training) en staatstraining (state training) in hersentraininginterventies (Tang & Posner, 2014)?

Netwerktraining maakt gebruik van cognitieve taken, terwijl staatstraining gebruikmaakt van methoden zoals meditatie en lichamelijke oefening.

34
New cards

Welke twee inhoudelijke kenmerken definiëren het begrip 'persoonlijkheidstrek' (personality trait)?

Consistentie (regelmaat in gedrag over situaties/tijd) en Onderscheidend vermogen / Distinctiviteit (psychologische kenmerken waarin mensen van elkaar verschillen).

35
New cards

Welke drie wetenschappelijke functies dienen trekconstructen volgens trektheoretici?

Beschrijving (description/taxonomie), Voorspelling (prediction) en Verklaring (explanation).

36
New cards

Uit welke vier niveaus bestaat de hiërarchische organisatie van persoonlijkheid volgens Hans Eysenck?

Specifieke responsen (specific responses), Habituele responsen (habitual responses), Trekken (traits), en Superfactoren (superfactors/types).

37
New cards

Welke drie typen trekken onderscheidde Gordon Allport op basis van hun reikwijdte en invloed?

Cardinale trekken (cardinal traits), Centrale trekken (central traits) en Secundaire disposities (secondary dispositions).

38
New cards

Wat verstaat Allport onder de 'functionele autonomie' van menselijke motieven?

Dat motieven van een volwassene onafhankelijk (autonoom) worden van vroege kindermotieven of spanning-reducerende driften waarin ze oorspronkelijk ontstonden.

39
New cards

Wat is het verschil tussen een idiografische en een nomothetische onderzoeksbenadering in de persoonlijkheidspsychologie?

Een idiografische benadering richt zich op het unieke individu via diepgaande studie van losse gevallen, terwijl een nomothetische benadering universele wetten/trekken zoekt door grote groepen mensen te vergelijken.

40
New cards

Wat is het hoofddoel van het gebruik van factoranalyse in de trekkenpsychologie?

Het samenvatten van patronen van intercorrelaties tussen een groot aantal variabelen tot een klein aantal onderliggende factoren.

41
New cards

Wat is volgens Raymond Cattell het verschil tussen oppervlaktetrekken (surface traits) en bronstrekken (source traits)?

Oppervlaktetrekken zijn waarneembare gedragstendensen op het oppervlak, terwijl bronstrekken de interne psychologische structuren zijn die de onderliggende oorzaak vormen van de correlaties tussen oppervlaktetrekken.

42
New cards

In welke drie categorieën verdeelde Cattell zijn 16 bronstrekken?

Vaardigheidstrekken (ability traits), Temperamentstrekken (temperament traits) en Dynamische trekken (dynamic traits).

43
New cards

Welke drie bronnen van data onderscheidde Cattell voor het meten van persoonlijkheid (LOTS/Cattell data-indeling)?

L-data (Life record data), Q-data (Questionnaire data) en OT-data (Objective-test data).

44
New cards

Welke bekende persoonlijkheidsvragenlijst ontwikkelde Cattell op basis van zijn factoranalyses van Q-data?

De Sixteen Personality Factor (16 P.F.) Questionnaire.

45
New cards

Hoeveel OT-data bronstrekken identificeerde Cattell uiteindelijk via objectieve miniature-situatietesten?

Eenentwintig (2121) OT-data bronstrekken.

46
New cards

Naast trekken, welke twee tijdelijke of situatiegebonden determinanten van gedrag onderscheidde Cattell?

Toestanden (states / stemmingen en emoties) en Rollen (roles / sociaal opgelegde gedragspatronen).

47
New cards

Wat is een secundaire factoranalyse (secondary factor analysis) zoals toegepast door Hans Eysenck?

Een statistische factoranalyse die wordt uitgevoerd op de correlaties tussen een initiële set van (gecorreleerde) factoren om onafhankelijke superfactoren te vinden.

48
New cards

Uit welke drie superfactoren bestaat het PEN-model van Hans Eysenck?

Psychoticisme (P), Extraversie (E) en Neuroticisme (N).

49
New cards

Welke fysiologische verklaring gaf Eysenck voor het verschil tussen introverten en extraverten?

Introverten hebben een hogere corticale opwindbaarheid (cortical arousal) via het ARAS en raken snel overprikkeld, terwijl extraverten een lagere corticale opwinding hebben en meer intense prikkels opzoeken.

50
New cards

Wat meet Eysenck's 'citroensaptest' (lemon drop test)?

Het verschil in speekselproductie na het aanbrengen van citroensap op de tong, waarbij introverten meer speeksel produceren dan extraverten.

51
New cards

Welke twee neurale systemen veronderstelde Eysenck als biologische basis voor Neuroticisme?

Het limbisch systeem en het autonome zenuwstelsel.

52
New cards

Welke neurotransmitter en welk hormoon worden in verband gebracht met de superfactor Psychoticisme?

Dopamine (hogere dopaminerge activiteit) en testosteron.

53
New cards

Welke studiegewoonten vertoonden extraverten vergeleken met introverten in de studie van Campbell en Hawley (1982)?

Extraverten kozen vaker studieplekken in de bibliotheek met externe stimulatie, namen meer pauzes en hadden voorkeur voor meer geluid en sociale contacten tijdens het studeren.

54
New cards

Welke drie kritiekpunten uitte Matthews (2016) op de Eysenckian theorie?

(1) Zelfrapportages meten geen directe breinactiviteit, (2) Eysenck onderschatte de complexiteit en onderlinge verbondenheid van het brein, en (3) Eysenck negeerde menselijke cognitieve factoren en taalkundige representaties.

55
New cards

Wat is de herkomst van het woord 'persoonlijkheid' volgens Verdieping 3.1 van De Raad?

Het komt van het Latijnse 'persona', wat verwijst naar het masker dat door acteurs in het oude Griekse theater werd gebruikt.

56
New cards

Wat houdt de 'trade-off' in die Tice et al. (1995) vonden bij het presenteren van jezelf?

Een trade-off tussen gunstigheid en geloofwaardigheid: wie te veel moeite doet om gunstig over te komen, valt snel door de mand en wordt ongeloofwaardig.

57
New cards

Wat stelt de lexicale hypothese (lexical hypothesis)?

Dat belangrijke individuele verschillen tussen mensen in het dagelijks leven uiteindelijk in de natuurlijke taal (het lexicon) worden gecodeerd.

58
New cards

In welke vier groepen verdeelden Allport en Odbert (1936) de circa 18.000 persoonlijkheidsbeschrijvende woorden uit de Webster dictionary?

(1) Echte eigenschappen (4.505 woorden), (2) Tijdelijke gemoedstoestanden/activiteiten (4.541 woorden), (3) Evaluatieve woorden (5.226 woorden), en (4) Metatorische/onduidelijke woorden (3.682 woorden).

59
New cards

Tot hoeveel eigenschappen reduceerde Cattell (1943) de lijst van Allport en Odbert voordat hij factoranalyse toepaste?

Tot 171 eigenschappen, die later werden teruggebracht tot 35 en uiteindelijk 12 (+4) factoren.

60
New cards

Wie gaven in 1981 de naam 'Big Five' aan de vijf brede persoonlijkheidsfactoren?

Lewis R. Goldberg.

61
New cards

Welke vijf factoren vormen de zogenaamde 'Norman-5' of Big Five (Goldberg)?

I. Extraversie, II. Vriendelijkheid (Agreeableness), III. Zorgvuldigheid (Conscientiousness), IV. Emotionele Stabiliteit (vs Neuroticisme), en V. Intellect.

62
New cards

Welke drie factoren bevatte de eerste versie van de NEO-vragenlijst van Costa en McCrae (1985)?

Neuroticisme, Extraversie, en Openstaan voor Ervaringen (Openness to Experience).

63
New cards

Waarom noemden Costa en McCrae hun NEO-PI-R model het 'Five-Factor Model' (FFM) in plaats van de Big Five?

Omdat de NEO-PI-R niet direct gebaseerd is op psycholexicaal onderzoek van woordenboeken, maar op factoranalyse van een vragenlijst (de 16PF) waaraan later twee factoren werden toegevoegd.

64
New cards

Wat is het verschil tussen een 'emic' en een 'etic' benadering bij het ontwikkelen van persoonlijkheidsvragenlijsten in een andere cultuur?

Een etic-benadering vertaalt een bestaande vragenlijst uit een andere cultuur, terwijl een emic-benadering een vragenlijst van de grond af opbouwt vanuit de eigen taal en cultuur.

65
New cards

Waarin verschilt de Nederlandse vijfde Big Five-factor van de Amerikaanse vijfde factor (Intellect)?

De Nederlandse vijfde factor bevat naast creativiteit en originaliteit ook eigenschappen die progressiviteit en rebelsheid beschrijven (kritisch, progressief, rebels).

66
New cards

Welke kleur/betekenis kreeg de vijfde factor in de Tsjechische psycholexicale studie (Hřebíčková, 2007)?

Het beschreef vermogens en vaardigheden in plaats van intellect.

67
New cards

Welke specifieke afwijkende factor werd gevonden in de Griekse psycholexicale vijffactorstructuur (Saucier et al., 2005)?

Negatieve Valentie (gekenmerkt door termen als barbaars, corrupt, pervers en onaangenaam).

68
New cards

Op welk oud filosofisch-psychologisch systeem in India zijn de drie sterkste factoren in het Hindi (Singh et al., 2013) gebaseerd?

Het Triguna-systeem, bestaande uit Sattvic, Tamasic en Rajasic.

69
New cards

Waardoor werd de factor Intellect vervangen in de Hongaarse vijffactorstructuur (Szirmák & De Raad, 1994)?

Door de factor Integriteit (waarheidlievend, rechtvaardig vs. hypocriet, hebzuchtig).

70
New cards

Welke twee extra evaluatieve factoren bevat het 'Big Seven' model volgens de Tellegen-Waller-methode?

Positieve Valentie (briljant, indrukwekkend) en Negatieve Valentie (corrupt, kwaadaardig).

71
New cards

Welke kenmerkende selectiemethode van woordenboekpagina's hanteerden Tellegen en Waller bij het Big Seven onderzoek?

Zij selecteerden op elke vierde pagina van het woordenboek alleen het eerste bruikbare woord.

72
New cards

Welke zesde factor werd toegevoegd in het HEXACO / Big Six model door Ashton en Lee (2004)?

Eerlijkheid-Bescheidenheid (Honesty-Humility).

73
New cards

Welk effect had het toevoegen van de factor Eerlijkheid-Bescheidenheid op de inhoud van de factor Vriendelijkheid in het Big Six model?

Vriendelijkheid verloor termen gerelateerd aan eerlijkheid en werd nauwer gedefinieerd als vriendelijk-geduldig versus ruzieachtig-koppig.

74
New cards

Welke vier woordsoorten kunnen taalkundig worden gebruikt voor psycholexicaal onderzoek?

Adjectieven (bijvoeglijke naamwoorden), Zelfstandige naamwoorden (type nouns en attribute nouns), Werkwoorden (verbs), en Bijwoorden (adverbs).

75
New cards

Hoeveel factoren vonden De Raad en Barelds (2008) in hun onbeperkte Nederlandse psycholexicale onderzoek uit alle woordklassen?

Acht factoren (de Big Eight).

76
New cards

Welke acht factoren vormen de 'Big Eight' van De Raad en Barelds (2008)?

  1. Deugdzaamheid, 2. Competentie, 3. Extraversie, 4. Mildheid, 5. Zorgvuldigheid, 6. Neuroticisme, 7. Hedonisme, en 8. Volgzaamheid.
77
New cards

Met welk bekend persoonlijkheidsconstruct van Marvin Zuckerman vertoont de zevende factor 'Hedonisme' uit de Big Eight grote overeenkomst?

Sensatiezucht (Sensation Seeking).

78
New cards

Welke vier facetten van Sensatiezucht onderscheidt Marvin Zuckerman?

  1. Thrill and adventure seeking, 2. Experience seeking, 3. Disinhibition, en 4. Boredom susceptibility.
79
New cards

Voor hoeveel procent is de eigenschap Sensatiezucht erfelijk/genetisch bepaald volgens Zuckerman?

Voor ongeveer 60%60\%.

80
New cards

Welk enzym in de hersenen is in verlaagde mate aanwezig bij mensen met een hoge score op Sensatiezucht?

Monoamino-oxidase (MAO).

81
New cards

Welke statistische maatstaf gebruikt men om te onderzoeken of persoonlijkheidsfactoren uit verschillende talen/culturen identiek zijn?

De congruentiecoëfficiënt (waarbij een waarde van 0,900,90 of hoger duidt op identieke factoren).

82
New cards

Welke drie factoren bleken universeel en volledig repliceerbaar in alle 14 onderzochte talen in het panculturele driefactorenmodel (De Raad et al., 2010, 2014)?

Affiliatie (Communion), Dynamiek (Agency/Extraversie), en Orde (Conscientiousness).

83
New cards

Waarover gaat de universele factor 'Dynamiek' in het panculturele driefactorenmodel?

Over het competente individu dat zich manifesteert in gerichte actie, veelzijdigheid, effectieve communicatie en ondernemerschap.

84
New cards

Waarover gaat de universele factor 'Affiliatie' in het panculturele driefactorenmodel?

Over het deel uitmaken van een grotere sociale eenheid en het streven naar intimiteit, vereniging en binding.

85
New cards

Waarover gaat de universele factor 'Orde' in het panculturele driefactorenmodel?

Over het helder krijgen van geest en omgeving, en het streven naar orde, stabiliteit, regulering en precisie.

86
New cards

Welke twee factoren vormen het panculturele tweefactorenmodel (DeYoung; De Raad et al.)?

Dynamiek (Agency / β\beta / Persoonlijke groei) en Affiliatie (Communion / α\alpha / Socialisatie).

87
New cards

Welke twee hersensystemen vormen de basis van Jeffrey Gray's biopsychologische persoonlijkheidstheorie?

Het Behavioral Activation System (BAS) en het Behavioral Inhibition System (BIS).

88
New cards

Voor welk type motivatie en gevoeligheid zorgt een reactief Behavioral Activation System (BAS)?

Gevoeligheid voor beloning en een approach-motivatie (gericht op doelen bereiken en doenerigheid), wat zich vertaalt in impulsiviteit.

89
New cards

Voor welk type motivatie en gevoeligheid zorgt een reactief Behavioral Inhibition System (BIS)?

Gevoeligheid voor straf en een avoidance-motivatie (vermijden van negatieve ervaringen), wat zich vertaalt in angst.

90
New cards

Hoe verhouden de factoren Angst en Impulsiviteit van Gray zich tot de dimensies Extraversie en Neuroticisme van Eysenck in een circumplex?

Angst is een combinatie van Neuroticisme en Introversie; Impulsiviteit is een combinatie van Extraversie en Neuroticisme (Gray's assen zijn een rotatie van Eysenck's assen).

91
New cards

Wat is de functie van de anterior insula en de anterior cingulate cortex (ACC) in de menselijke hersenen volgens Allman et al. (2010)?

Het zijn de twee delen van de menselijke hersenen die projectiecellen (von Economo-neuronen) bevatten met bijzonder lange verbindingen naar andere hersenstructuren.

92
New cards

Wat laat recent onderzoek bij muizen zien over de basolaterale amygdala qua verwerking van emotionele valentie (Namburi et al., 2015)?

Afzonderlijke neuronen worden geactiveerd door beloning (gekoppeld aan de nucleus accumbens) of door straf/angst (gekoppeld aan de centraal-mediale amygdala).

93
New cards

Welke twee categorieën van hersentraining onderscheiden Tang en Posner (2014) ter verbetering van executieve aandacht?

Netwerktraining (met cognitieve taken) en staatstraining (met methoden als meditatie en fysieke oefening).

94
New cards

Wat is het verschil tussen de zienswijze van de Big Five / Five-Factor modellen en temperamentstheorieën over zuigelingen?

Big Five factoren (zoals Conscientiousness of Neuroticism) beschrijven geen individuele verschillen in het vroege zuigelingenleven, terwijl temperamentstheorieën dat wel doen.

95
New cards

Welke rol heeft het gen MTHFR in de folaatstofwisseling en DNA-methylering?

MTHFR is een sleutelenzym dat participeert in de productie van een metaboliet die nodig is voor DNA-methylering (epigenetische modificatie).

96
New cards

Wat werd er in het onderzoek van Fuemmeler et al. (2016) ontdekt over DNA-methylering in navelstrengbloed van pasgeborenen?

Hogere methylering in differentieel gemethyleerde DNA-regio's was significant gerelateerd aan door ouders gerapporteerde internalizing en surgency.

97
New cards

Wat hield de interventiestudie van Bakermans-Kranenburg et al. (2008) in bij peuters met het DRD4 7-repeat allel?

Oudertraining bleek het meest effectief te zijn in het verminderen van externaliserend gedrag bij kinderen met het 7-repeat allel.

98
New cards

Welke relatie ontdekten Berry et al. (2013) tussen dagopvanguren, het DRD4 7-repeat allel en zelfregulatie bij kleuters?

Dragers van het 7-repeat allel die minder uren op de dagopvang doorbrachten, vertoonden betere aandacht en inhibitorische controle; voor kinderen zonder 7-repeat was er geen relatie met opvanguren.

99
New cards

Wat bleek uit de zeer grote studie van Willis-Owen et al. (2005) met N=88.142N = 88.142 en 20.92120.921 over 5-HTTLPR?

De studie vond geen enkele associatie tussen 5-HTTLPR en major depressie of neuroticisme.

100
New cards

Wat is de relatie tussen temperamentele oriëntatie op lage-intensiteitsstimuli (Orienting to Low Intensity Stimuli) en de Big Five factor Openheid volgens Evans & Rothbart (2007)?

Orienting to Low Intensity Stimuli was onverwacht positief gerelateerd aan de persoonlijkheidsfactor Openness to Experience.