1/30
Deze flashcards behandelen de belangrijkste begrippen en gebeurtenissen uit de lessen over Rechtstaat & Democratie, inclusief de Nederlandse Opstand, de Franse Revolutie en de grondwet van 1848.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Een __________ is een staat waarin de overheid zich aan de wet moet houden en burgers grondrechten hebben.
rechtsstaat
Bij een __________ heeft het volk invloed op de besluitvorming van de overheid, bijvoorbeeld via verkiezingen.
democratie
Basisrechten die burgers beschermen tegen de overheid worden __________ genoemd.
grondrechten
Iemand die gehoorzaam moet zijn aan een heerser en weinig tot geen politieke rechten heeft, is een __________.
onderdaan
Een land waarin één koning alle macht heeft en niet beperkt wordt door wetten of een parlement is een __________.
absolute monarchie
Een regeringsvorm waarbij een kleine groep machtige mensen de macht heeft op basis van afkomst of rijkdom heet een __________.
aristocratie
Rechten die bepalen wat de overheid NIET mag doen, zoals de vrijheid van meningsuiting, zijn __________.
vrijheidsrechten
Vóór de Franse Revolutie van 1789 was de samenleving verdeeld in drie standen: de geestelijkheid, de adel en de __________.
burgers en boeren
Een belangrijke cultureel-mentale oorzaak van de Franse Revolutie waren de ideeën van de __________, zoals vrijheid en gelijkheid.
Verlichting
In 1793 werd koning __________ onthoofd, waarna Frankrijk een republiek werd.
Lodewijk XVI
De periode waarin Robespierre de macht behield door middel van geweld en executies wordt de __________ genoemd.
Terreur
Nederland hoorde in de 16e eeuw bij het rijk van de Spaanse koning __________.
Filips II
In 1566 vernielden protestanten katholieke beelden en kerken tijdens de __________.
Beeldenstorm
In het __________ uit 1581 zetten de zeven noordelijke provincies Filips II officieel af als koning.
Plakkaat van Verlatinghe
De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ontstond officieel in het jaar __________.
1588
In de Republiek was er geen volledige godsdienstvrijheid, maar wel __________, wat inhield dat je mocht geloven wat je wilde zolang het niet openlijk was.
gewetensvrijheid
De belangrijkste militaire leider van de Republiek, vaak iemand uit het Huis van Oranje, was de __________.
stadhouder
De belangrijkste bestuurder van het gewest Holland, zoals Johan van Oldenbarnevelt, was de __________.
raadspensionaris
De Tachtigjarige Oorlog eindigde in 1648 met de __________.
Vrede van Münster
Het anonieme pamflet 'Aan het Volk van Nederland' uit 1781 is geschreven door __________.
Johan Derk van der Capellen tot den Pol
Burgers die in de 18e eeuw meer democratie wilden en in opstand kwamen tegen de stadhouder werden de __________ genoemd.
Patriotten
In 1795 vielen Franse troepen Nederland binnen, wat leidde tot de __________.
Bataafse Revolutie
Napoleon maakte zijn broer __________ in 1806 koning van Nederland.
Lodewijk Napoleon
Willem I werd in 1815 koning van het __________ der Nederlanden, dat bestond uit Nederland, België en Luxemburg.
Verenigd Koninkrijk
In 1848 gaf koning Willem II opdracht aan __________ om een nieuwe democratische grondwet te schrijven.
Johan Rudolph Thorbecke
Het stemrecht dat afhankelijk is van hoeveel belasting men betaalt, noemt men __________.
censuskiesrecht
Door de __________ werd de koning onschendbaar en werden ministers verantwoordelijk voor het bestuur tegenover het parlement.
ministeriële verantwoordelijkheid
De Tweede Kamer kan ministers wegsturen via een __________, wat betekent dat het parlement geen vertrouwen meer heeft.
motie van wantrouwen
De leer van de scheiding der machten (wetgevend, uitvoerend, rechterlijk) heet de __________.
Trias Politica
Een verandering van een wetsvoorstel door de Tweede Kamer wordt een __________ genoemd.
amendement
Politiek die gebaseerd is op een geloofsovertuiging wordt __________ genoemd.
confessioneel