1/159
H1 - 8
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
3 systemen van het geheugen
Zintuiglijk geheugen
Werkgeheugen
Langeduurgeheugen
Delen van het langeduurgeheugen
Impliciet/procedureel geheugen
Expliciet/declaratief geheugen
Semantisch geheugen
Episodisch/autobiografisch geheugen
Wat is chunking?
Je kan +/- 7 cijfers/letters/korte woorden herinneren
MAAR: Amerikaanse man kon 100
Kapte string in kleine delen + linkte ze aan dingen uit zijn langeduur geheugen
Hoe kan je het autobiografisch geheugen bestuderen?
Associaties: Datering van herinneringen = niet-lineair dalende curve
Dagboekmethode
Studie van het autobiografisch geheugen aan de hand van dagboekaantekeningen
Wagenaar
→ 5 jaar lang belangrijkst voorval per dag opgeschreven, antwoord op 4 vragen + beoordeeld op =/= schalen
→ zichzelf vragen stellen (m aanwijzingen)
→ Wanneer: minst handige aanwijzing
Wat = belangrijkste
MAAR: bedoeling geheugen te bestuderen (meeste mensen X bewust mee bezig); X intieme details
Gert Storms
→ Ook gedaan, met intieme dingen erbij (X bedoeling geheugen sturderen)
→ krijgt gebeurtenis moet zeggen wanneer?
→ ⅔ dingen herinnerd
Vergeetcurve:
2% precies gedateerd
Gemiddelde dateringsfout: anderhalf jaar
Belangrijkste voorspellers van accuraatheid:
opvallendheid
aangenaamheid
intimiteit
Niet: emotionaliteit
Goed herinnerd: Familie, reizen, vrienden
Slechter herinnerd: weer, dromen, natuurfenomenen
Het geheugen van ooggetuigen
Onderzocht sinds jaren 70
Waarschuwing voor onbetrouwbaarheid
In VS 75.000 beschuldigingen/jaar o.b.v. ooggetuigenverklaringen
Tussen 1992 en 2009 door DNA 225 vrijspraken, ¾ veroordeeld mede door ooggetuigen
Het geheugen van ooggetuigen: Onderzoeksmethoden
Experimenten
voordeel: controleerbaarheid
nadeel: ecologische validiteit
Veldexperimenten
voordeel: veralgemeenbaarheid
nadeel: storende variabelen
Belangrijkste bevinding: geheugen is geen registratieapparaat !
Het geheugen van ooggetuigen: 3 stadia
1 Inprenten
2 Bewaren
3 Oproepen
Bij elk proces kan er iets fout gaan
Vertekeningen bij het inprenten: Duur
Memon et al.
Film m misdadiger
→ 12 sec of 45 sec te zien
→ fotos getoond, duid misdadiger aan
→ langer zien = + effectief
→ ook fotos zonder misdadiger
→ korter zien = + vals alarmen
Vertekeningen bij het inprenten: Geweld
Clifford + Scott
Betekenis dr argumenten/geweld op film
→ wat kwam erna?
→ geweld = - goede antwoord (- accuraatheid v herinneringen)
Mog oorzaak = stress
Implicatie: voorzichtig m getuigenissen bij geweld
Vertekeningen bij het inprenten: Karakteristieken van de observator
Hastorf + Cantrill
→ Studenten herinneren meer fouten v ander voetbalploeg + schatten ze erger in
Cross-race bias
Kans op misidentificatie 1,56x hoger bij iemand van andere ras
Kans op correcte identificatie 1,40x hoger bij iemand van zelfde ras
Bruner + Postman
Speelkaarten kort getoond, welke gezien? (maar bep harten in zwart)
→ sommige proefpersonen zeiden dat ze paarse harten zagen
(= mengvorm verwachting + werkelijkheid)
Wat is cross-race bias?
Beïnvloeding tijdens bewaring: Versterking
Loftus
Film van auto-ongeluk
→ reeks vragen
Incl. hoe snel … voorbij stopteken … (A)
OF hoe snel … rechts afsloeg (B)
→ was er een stopteken te zien?
A: 53% ja
B: 35% ja
Je kan herinneringen dus versterken
Beïnvloeding tijdens bewaring: Compromieherinneringen
Loftus
Film “Diary of a student revolution”
→ 8 demonstranten getoond
→ reeks vragen
Incl. was leider van 4 een man of vrouw? (A)
OF was leider van 12 een man of vrouw? (B)
→ Hoeveel demonstranten?
A: ‘4’ => 6.4
B: ‘12’ => 8.9
Opnieuw, kleur auto dat voetganger aanrijdt
→ vraag over blauwe voorbijrijdende auto (A)
OF voorbijrijdende auto (X kleur vermeldt) (B)
-> Kleur auto aanduiden
A: blauw/blauw-groen
B: groen v auto
Beïnvloeding tijdens bewaring: Creëren van niet-bestaande objecten
Loftus, Miller + Burns
Filmje, voetganger aangerende
A: Na stopteken
B: na gevarendriehoek
→ Reeks vragen
Incl: reed er een auto eerst voorbij, voor het stopteken?
OF reed er een auto eerst voorbij, voor de gevarendriehoek?
→ foto: welke heb je gezien op het filmpje?
Als gezien = suggereert in vraag => 50%< juiste dia
Als gezien =/= suggereert in vraag => 41% juiste dia (< dan toeval)
Wanneer heeft misleiding het grootste effect?
Loftus, Miller & Burns
OV1: misleiding net na observatie
misleiding net voor bevraging
OV2: bevraging na 20 minuten
na 1 dag
na 2 dagen
na 1 week
Hoofdeffect van OV2 (langer → - accuraat)
Misleiding net na observatie minder effect
Oproepen van informatie: Context
Godden + Baddeley
→ leden duikschool leren woordenlijst
Onder water
Of boven water
→ bevraagd
Onder water
Of boven water
Oproepen van informatie: Bewoording van bevraging
Loftus
Rek m pijnstillers, vraagt als iemand een koopt
→ Waarom? Hoe vaak? Hoeveel verschillende al gebruikt?
Verwoording: 1, 2, 3? => 3,3
1, 5, 10? => 5,2
‘Frequently’ => 2,2
‘Occasionally’ => 0,7
Loftus + Zanni
Filmpje aanrijding
→ reeks vragen
Incl. Herinner je de gebroken koplamp? => 15% ja
OF Herinner je een gebroken koplamp? => 7% ja
→ Opnieuw gevraagd, later
Incl. Herinner je de gebroken koplamp? => 20% ja
OF Herinner je een gebroken koplamp? => 6% ja
Loftus + Palmer
Filmpje aanrijding
→ reeks vragen
Incl. When they contacted each other => 30,8
OF When they hit each other => 34,0
OF When they bumped into each other => 38,1
OF When they collided with each other => 39,3
OF When then smashed into each other => 40,8
Metakennis
Heel veel informatie opgeslagen
Metakennis
Flashbulb memories
E.g. Waar was je bij 9/11?
Antw kloppen soms X
Hoe betrouwbaar is metakennis in de context van ooggetuigenverklaringen?
Wat zijn Flashbulb memories?
Inplanten van herinneringen
Loftus + Pickrell
Proefpersoon gevraagd of ze herinneren d ze verloren waren in winkelcentrum
→ 25% beweren te herinneren (als plausibel details)
Garry, Manning + Loftus
F1: Lijst m dingen, aangeven of ooit voorgevallen
F2: oefening levendig voorstellingen, d iets uit lijst gebeurt was (“andere studie”)
F3: Vragenlijst opnieuw: vinken ^gebeurtenis aan
Heaps + Nash
→ geloven ooit bijna verdronken
Porter et al.
→ geloven d ooit aangevallen dr dier tot bloeden toe
25 tot 30% ‘succes’ bij inplanten van herinnering
Inplanten van herinneringen: The perfect ending to the perfect day
Brown, Ellis + Loftus
→ beoordelen advertenties
Incl vr Disneyland
→ weet je nog d X er was?
→ Bugs Bunny op ad: herinneren hem MAAR is geen Disney karakter dus kan niet
Inplanten van herinneringen: Wie is er kwetsbaar?
Hyman & Billings: wie is er kwetsbaar?
Mensen die vaardig zijn in het creëren van mentale beelden
Mensen die goed hypnotiseerbaar zijn
Mensen met dissociatieve tendens
Verdrongen herinneringen: The myth of repressed memory
Loftus & Ketcham (1994) The myth of repressed memory
George Franklin: beschuldigd v moord v vriendin v dochter toen ze 7 jaar waren
→ Pas later ‘herinnerd’ dr dochter (als therapie deed)
→ later vrijgesteld
Verdrongen herinneringen: opvattingen
Vooral in de VS grote controverse over ‘verdrongen herinneringen’
Therapeuten versus geheugen onderzoekers
Freud I: Herinnering te pijnlijk → verdwijnt uit bewustzijn
Freud Later: K wel terug herinnerd worden, maar zin X echt, vertalen een soort verlangen
Miller: Verdrongen herinnering gebeuren vaak
Loftus: Bestaat X !!
Verdrongen herinneringen: 2 partijen
Therapeuten: veilige omgeving om te uiten wat pijnlijk is
Geheugenexperten: k aangepraat worden; verwachtingen v therapeuten spelen rol
Williams
→ 38% v vrouwen herinnerde X d misbruikt als kind
De Monty Hall Dilemma
Marilyn vos Savant: je verdubbelt de kans om de prijs te winnen als je je keuze verandert.
Granburg + Brown
68 studenten, 50x beurten
Hoogste scores -> 25 $
1e beurt: 90% blijven
Laatste 10 beurten: 45% blijven bij keuze
Herbranson + Schroeder
Met duiven
Correct -> eten
1e dagen: 36% veranderen
Na 30 dagen: 96% veranderen
Zelfde m mensen
Correct -> geld
1e beurten: 57% veranderen
Na 200 beurten: 66% veranderen
-> Mensen leren niet bij??
Falende beloningen: biologische beperkingen bij conditionering
Breland + Breland
Dieren trainen
-> Instinctieve drift: instincten > getraind gedrag
Falende beloningen: Onverwacht gedrag bij kinderen
Miller + Estes
Kinderen voor scherm, getekende gezichten getoond m 1 =/=
Groep 1: hoeveel correct
Groep 2: elk juist antwoord -> 1 cent
Groep 3: elk juist antwoord -> ½ $
Hoeveel correct?
Groep 2 = Groep 3
Groep 1 > Groep 2+3
⇒ Betalen werkte slechter
Falende beloningen: Onverwacht gedrag bij volwassenen
Glucksberg
Volwassenen: oplossing voor probleem
Kaars op ooghoogte zetten + laten branden met duimspijkers + lucifers (in / uit doos)
Hypothese: betaalde conditie = hoofdeffect
Resultaten: beter als niet in doos
Als niet in doos, maakt X uit of betaald
Als in doos, niet-betaalde conditie > betaalde conditie
Wet van het effect
Bekrachtiging ⇒ kans v gedrag stijgt
→ Skinner heeft het geoptimaliseerd
MAAR vooral getest op dieren/kinderen/psych patiënten
Beloningen en problemen oplossen
Schwartz
Duiven in kooi, voor rooster
Lamp links boven
Leren knoppen gebruiken om licht te ‘sturen’, licht moet naar onder rechts
Bekrachtigd m eten
Duif leert stereotiep gedrag (bep pad altijd, maar maakt eig X uit)
-> Blijft tot 61 dagen na training
Opnieuw met proefpersonen
Nog sterker stereotiep gedrag
Opnieuw, met nieuwe condities
1: eerst leerfase met slechts 50% van de 70 mogelijke paden
2: geen leerfase, daarna: uitzoeken welke 35 paden ‘correct’ waren
Resultaat: C1 veel trager (uitbetaling werkt oplossen tegen)
DUS beloning werkt herhaling in de hand en leidt aandacht af
Beloningen en problemen oplossen: Joodse parabel
Joodse schoenmaker in centrum, racisten sturen kinderen -> elke keer d iemand binnen komt racistische dingen roepen
Man beloont kinderen m ½ $
Volgende dag m ¼ $
Volgende dag 5 cent
-> komen X terug
Begin: intrinsieke motivatie
→ + extrinsieke bekrachtiging
⇒ - intrinsieke motivatie
Extrinsieke en intrinsieke motivatie
Deci
1
Na 4 weken wordt groep 1 betaald, maar X zeggen tegen groep 2
Na 7 weken terug X betaald
2
Geometrische puzzels oplossen → hoeveel extra maken in ‘vrije tijd’
DUS extrinsieke motivatie kan intrinsieke motivatie ondermijnen
Ryan + Deci
Onderscheid tussen verschillende vormen van extrinsieke motivatie
Extern gereguleerd gedrag: gedrag gesteld om tegemoet te komen aan externe
dwang / voor het verkrijgen van een beloning
Geïntrojecteerd gedrag: gedrag gesteld om schuld- en angstgevoelens te vermijden /
ego te versterken
Regulatie door identificatie: gedrag gesteld dat door persoon zelf als belangrijk
beschouwd wordt
Geïntegreerde regulatie: gedrag volledig geassimileerd met waarden + behoeften
van de persoon, maar wel om een bepaalde doel te bereiken
Naarmate gedrag meer intern gedetermineerd is, wordt het effectiever, zorgt het voor vrijwillige volharding + verhoogd subjectief welbevinden
Zelfdeterminatietheorie: kans op een zelf-gedetermineerde leefstijl vergroot naarmate de 3 basisbehoeften (competentie, autonomie, verbondenheid) meer voldaan zijn.
Punished by rewards
Als expliciete beloning, ⇒ - motivatie dan als belang benadrukt, e.g. bij studeren of lezen.
Lepper, Greene + Nisbett
Kinderen vrije speeltijd
1: aangekondigde beloning bij spelen m bep speelgoed
2: onaangekondigde beloning
3: geen beloning
Dag 2: hoeveel spelen m een ander nieuwe speelgoed?
Resultaat: C1 < C2 = C3
= ondermijnende effect van beloningen
Rothe
Pay for performance-principe
Perry, Engbers + Yun
Weinig empirisch + langdurig onderzoek naar het effect van “pay for performance”
Geen duidelijke evidentie voor
Betere prestaties
Stijgende motivatie
Wel evidentie voor
Meer werkongevallen
Meer onethisch gedrag
Kohn
Beloningen motiveren mensen wel, maar om beloningen te krijgen
Gevaar van competitie: sommigen krijgen dan geen beloning, en dat kan als straf
genomen worden
Mensen die wel beloond worden, kunnen zich in de toekomst minder
verantwoordelijk voelen voor prestaties in soortgelijke situaties.
Punished by rewards: Extrinsieke incentive bias
Chip Heath
MBA studenten: waarden ordenen volgens belang voor zichzelf
Ordenen volgens belang v medestudenten/managers/loketbedienden
Bij zelf: intrinsieke motivatie hoger ingeschat
+ straf => - populair op school
+ beloond => voelen -altruïstisch, - bereid te delen met anderen, - bereid anderen te helpen
Skinner bij =/= culturen
Intrinsieke motivatie werkt voornamelijk in op kwalitatieve verschillen
Extrinsieke motivatie werkt voornamelijk in op kwantitatieve verschillen
Iyengar + Lepper
Bij + oz: nadruk op link tussen motivatie en keuzevrijheid/zelfbeschikking
-> Maar is keuzevrijheid even belangrijk in elke cultuur?
Kinderen moeten anagrammen maken
Hoelang werken ze in ‘vrije tijd’ verder aan?
Opnieuw: computerspel, 1st instellen
Hoe leuk vonden ze het? Zouden ze opnieuw willen?
Resultaat: Aziatisch amerikaanse kinderen zetten keuze v iemand in dezelfde gemeenschap bovenaan
Skinner: voor + tegen
2 Strekkingen:
1 Skinner: X vrije wil; product van genetische erfenis, persoonlijke geschiedenis + de setting waarin men zich bevindt
2 Anderen: wel vrije wil/zelfbeschikking = !!
Wat is leren? Wat zijn de 2 vormen?
Leren = blijvende verandering van gedrag/mentale processen als gevolg v ervaring
(X maturatie, instinct, reflex)
2 vormen van leren:
1 Klassieke / Pavloviaanse conditionering
2 Operante / Instrumentele conditionering
Klassieke conditionering: Ivan Pavlov
Ivan Pavlov (1849 – 1936)
onderzocht spijsvertering
Nobelprijs 1904
Honden: buis in muil: hoeveel speeksel geproduceerd
-> als eten zien aankomen: speeksel produceren (fysiologisch X zin want nog X nodig; gebeurt 1e keer X)
= ‘Associatief leerproces’
-> Nobel-voordracht over ‘psychische reflex’
Vandaag: Klassieke Conditionering
Klassieke conditionering: Passief proces
Belgeluid = voorwaardelijke prikkel
=> Orëntatie
Na conditionering:
Speeksel = voorwaardelijke reactie
Voedsel = onvoorwaardelijke prikkel
=> Speeksel
Na conditionering:
Speeksel = onvoorwaardelijke reactie
Klassieke conditionering: Aversieve conditionering
Belgeluid = voorwaardelijke prikkel
Elektrische schok = onvoorwaardelijke prikkel
Na conditionering:
Spierspanning + vertraagde hartslag = voorwaardelijke reactie
Versnelde hartslag = onvoorwaardelijke reactie
Klassieke conditionering: Verwerving
Verwerving van een voorwaardelijke reactie:
Begin: + sterke stijging
-> blijft stijgen, maar - sterk
Klassieke conditionering: Uitdoving
Voorwaardelijke prikkel -> X onvoorwaardelijke prikkel
Gedrag sterft uit (maar X vergeten!)
Klassieke conditionering: Spontaan herstel
Aanwakkering na een tijdje zonder prikkel
Klassieke conditionering: Prikkelveralgemening
Klassieke conditionering: Prikkeldiscriminatie
Klassieke conditionering: Hogere-orde-conditionering
Klassieke conditionering: Watson + Kleine Albert
Conditionering op kind v 9 maand
-> rat / konijn / hond / aap / harige masker => X reactie
-> hamer op ijzeren staat => schrikreactie
-> rat / konijn / hond / aap / harige masker + hamer op ijzeren staaf => schrikreactie
-> rat / konijn / hond / aap / harige masker => schrikreactie
= veralgemening
-> uitdoven? (X uitgetest)
Klassieke conditionering: Universeel fenomeen
Voedselconditionering als tegenargument voor temporele contiguïteit
(e.g. eten voor chemo => misselijkheid gekoppeld aan eten)
Conditionering na 1 koppeling
(e.g. m auto slippen in regen => angst bij rijden in regen)
Coyotes & schapen (Garcia)
-> schapenvlees m stof d coyotes ziek maakt => - schapenverlies
Klassieke conditionering: Kan je een willekeurige voorwaardelijke prikkel koppelen aan een onvoorwaardelijke prikkel?
(Garcia + Koelling)
-> Dorstige ratten afzonderlijk in een kooi
-> kunnen vocht likken uit een flesje
-> likken gekoppeld aan
lichtflits + geluid (VP)
bepaalde smaak (VP)
-> 2de fase: na likken
X-stralen (OP)
elektrische schok (OP)
Test: hoeveel likken?
=> Sommige combinaties werken niet
Klassieke conditionering: Reclame
(Plaud & Martini)
-> mannelijke proefpersonen: foto’s van naakte/halfnaakte vrouwen
-> conditioneringsfase: 3 sessies à 15 aanbiedingen
15 sec VP: neutrale objecten (koffietafel, spaarpot)
30 sec OP: seksuele stimuli
afhankelijke variabele: peniszwelling bij zien van de VP
=> suggereren dat reclame werkt …
Operante conditonering: Edward Thorndike
Edward Thorndike (1874 – 1949)
instinctieve en intelligente gedrag van kippen -> kippen vervangen door katten
-> katten in puzzelbox als hongerig
-> bak m eten buiten, kat probeert te krijgen
-> toevallig trekken aan touw => deur open
-> opnieuw: elke keer sneller, tot direct aan touw trekken
Operante conditonering: Wet van het effect
positieve gevolgen versterken het gedrag
negatieve gevolgen verzwakken het gedrag
Operante conditonering: Temporele contiguïteit
‘temporele contiguïteit’ tussen gedrag + gevolgen
= moet een snelle gevolg zijn, anders banden X gelegd
Operante conditionering bijzonder populair vanaf einde WOI
Behaviorisme: the black box
Operante conditonering: Burrhus Frederic Skinner
Burrhus Frederic Skinner (1904-1990)
‘Skinner Box’
Verbal behavior: taal geleerd volgens zelfde principes
Walden II
Effecten van beloning en straf
Leerde duiven ‘pingpongen’
Bijen sporen explosieven op
Alzheimermodellen testen
Enorme invloed op psychologie
Operante conditonering: Positieve versus negatieve bekrachtiging
= beide beloningen
Positieve bekrachtiging = iets aangenaams toedienen
Negatieve bekrachtiging = iets onaangenaams wegnemen
Operante conditonering: Uitdoving
Gedrag -> bekrachtiging ⇒ kans op gedrag +
Gedrag -> X bekrachtiging ⇒ - kans op gedrag
Operante conditonering: Intermittente bekrachtiging
Begin: elke keer gewenst gedrag vertonen => beloning
Later: maar ⅔ keer of ½ keer of ⅓ keer
=> X uidoving
=/= intervalschema’s:
Ratio + vast
Interval + vast
Ratio + variabel
Interval + variabel
Operante conditonering: Primaire en secundaire bekrachtigers
Combinatie: Neutrale stimulus verwerft de status van bekrachtiger
Primaire bekrachtigers: v nature belonend, basisbehoeften (e.g. eten bij honger)
-> (Klassieke cond)
Secundaire bekrachtigers: in begin neutraal (e.g. geld) -> leiden tot beloning
-> (Operante cond)
Operante conditonering: Shaping
Aanleren van ongewoon gedrag: Shaping
-> laag beginnen (vr beloning) -> lat hoger leggen -> etc. (gedrag opbouwen)
Operante conditonering: Chaining
Aanleren van complexe sequentie van gedragingen: Chaining
Beginnen ‘van achter’, laatste gedrag wordt bekrachtigd, andere gedrag die voorafgaat aan laatste gedrag koppelen
Operante conditonering: Discriminatieve controle
Licht + gewenst gedrag => bekrachtigen
X licht + gewenst gedrag => X bekrachtigen
=> Enkel gedrag bij licht
Operante conditonering: Token economy
Gewenst gedrag => token => sparen => ruilen vr beloning
Operante conditonering: APOPO
Afrikaanse buidelratten -> landmijnen opsporen
excellente reukzin
licht
sub-Sahara als habitat
2009: 93.900 m2 in Mozambique
41 mijnen
54 andere explosieven
geen andere via metaaldetectie
0.33 keer vals alarm per 100 m2
⇔ signaaldetectietheorie
Training
Fase 1: klikgeluid via Pavlov (klik = secundaire bekrachtiger; klik gevolgd dr eten)
Fase 2: geurdetectie via Skinner in kooi
gat van 2 cm doorsnede
2gr aarde+5 druppels TNT onder gat
kop 2sec in gat => klik+eten
-> kop 5sec in gat => klik+eten
fase 3: discriminatietraining
3 gaten waarvan 1 met TNT
kop 5sec in juiste gat => klik+eten
60 tot 90 beurten/dag tot 100% correct
max. 1 vals alarm
NOOIT overslaan
fase 4: 75x300 cm met thee eitjes onder zandvlakte
fase 5: veldtraining op 28 ha doorzocht in opp. 3x10m
ratten aan koord
bij detectie: klik (+ voedsel?)
bij fout: weggetrokken
Operante conditonering: Opsporing TBC door ratten
18/20 ratten doorstaan training
Via microscoop
betrouwbaarheid 40-60%
40 stalen/dag
individuele rat
betrouwbaarheid 72-100%
40 stalen op 7 minuten
tot 1680 stalen/dag
Operante conditonering: Straf
Positieve straf: iets onaangenaams toedienen
Negatieve straf: iets aangenaams wegnemen
Vaak toegepast:
verkeersboetes
straffen van kinderen door ouders
straffen op school
Riskant:
wel onmiddellijke gedragsverandering
maar minder efficiënt bij intermitente toepassing dan bekrachtiging
Waarom?
gedrag niet onderdrukt als dreiging weg is
discriminatief leren: is straffer aanwezig?
moet snel toegediend worden (boetes??)
Fysiek straffen?
in VSA: 19/20 ouders (+ kans d doorgeven dr generaties)
in literatuur tegengestelde bevindingen
-> Beter incompatibel gedrag te belonen
(e.g. student die veel praat belonen als aandachtig luistert)
Operante conditonering: Bijgeloofexperimenten
Door het wet van het effect is er + kans d gedrag opnieuw gaan doen als denken d beloning oplevert
30 jaar na Thorndike: exp. Guthrie & Horton
puzzelbox met camera
‘persoonlijke’ strategieën (e.g. altijd m hoofd of altijd m staart indrukken)
Skinner: ‘superstition in the pigeon’
hongerige duif in Skinnerbox
elke 15 sec een voedselkorrel
na enkele minuten: ‘persoonlijk ritueel’
alsof er causaal verband is
Skinner in de les
Wagner & Morris:
kleuters 3 jaar kiezen ‘te verdienen’ speelgoedje
kamer met spiegelwand
robot spuwt knikkers
genoeg knikkers => speelgoedje
knikker na 15 sec (of na 30 sec)
6 dagen, telkens 8 minuten
Resultaat: ¾ bijgelovig (grimassen, neus aanraken, heupwiegen)
Ono:
volwassen in taak van 40 min
tafel met 3 hendeltjes lichtje + teller aan de muur
“niets speciaals doen, enkel punten verzamelen”
2 condities: punten
na vast tijdsinterval
na variabel interval
observatie achter de spiegel
Resultaat: veel bijgelovig gedrag
soms permanent, soms tijdelijk
vaak met hendeltjes
Morse & Skinner:
duiven in kooi leren op knop pikken via intermittente bekrachtiging
af & toe (onsystematisch): lamp ged. 2 min
Resultaat: sommige duiven meer pikken bij lamp
andere minder
soms verandert het patroon
licht = discriminatieve stimulus
Operante conditonering: Zelherkenning bij dieren?
maar: Thompson & Contie opnieuw m 10 duiven en geen enkele deden ^^
Conditionering: Andere vormen van leren
Cognitief leren: Tolman
Ratten door doolhof -> eten; extra wanden bouwen -> X helemaal naar begin gaan (= bestaan v ‘Cognitieve kaart’)
Inzichtelijk leren: Köhler
Chimpansee, banaan net uit bereik -> stok gebruiken/dozen opstapelen
Observationeel leren: Bandura
Agressief gedrag nabootsen tegenover een pop
Operante conditonering: Invloed van Skinner op het behaviorisme
einde 19de en begin 20ste eeuw: introspectie
-> John Watson's behavioristische principes
Invloed van B.F. Skinner
pas vanaf jaren ‘60 verzet tegen taboes
Maar: in psychotherapie: evidence-based sterker dan ooit (steeds gebruik)
Wat is psychologie?
Roediger et al.: Psychologie = de wetenschappelijke studie van de mentale processen en gedrag
Zimbardo et al.: Psychologie = de empirische studie van het gedrag en de mentale processen
Psychologie betwist ongefundeerde uitspraken van pseudowetenschappelijke aard
APA
= American Psychological Association
= beroepsvereniging, + geza, 48 divisies (+ divers, verscheiden)
-> Gedrag ook bestudeert dr economie, sociologie, criminologie,...
MAAR =/= methoden
Wat is pseudowetenschap?
= elke poging om fenomenen uit de natuurlijke wereld te verklaren die niet gebaseerd is op empirische observatie of op de wetenschappelijke methode
VS: 40-75% geloven in telepathie, helderziendheid,...
Studie van Daryl Bem: beweert dat mensen toekomst kunnen voorspellen
Mannelijke proefpersonen voor computerscherm
‘Correcte antwoord’ gekozen door computer na antwoord gegeven door proefpersoon
Foute keuze => X te zien
Juiste keuze => erotische scène
58% maakte juiste keuze (> dan verwacht, DUS toekomst voorspelbaar!)
MAAR: opnieuw gedaan, altijd =/= resultaten
Na 90 jaar geen enkele wetenschappelijke evidentie voor extra sensory perception
Het Freud probleem
Minder dan 10% van de APA-leden onderschrijven ideeën van Freud
Nog minder onderschrijven de ideeën van Jung
3 belangrijke kenmerken van wetenschappelijk onderzoek
1 Systematisch empirisme
2 Publiek verifieerbare kennis
3 Toetsbare theorieën
3 belangrijke kenmerken van wetenschappelijk onderzoek: Systematisch empirisme
= onderzoeksbenadering vertrekt van sensorische ervaring en observatie als onderzoeksgegevens (moet duidelijk zijn te zien/horen)
Geen gezagsargumenten
Vb. Galilei ziet manen rond Jupiter met telescoop
-> Gezagsargument Francesco Sizi (SLIDE)
Gebrek aan systematisch empirisme:
Vb. Benjamin Rush: aderlatingen bij gele koorts (X systematisch, als X genezen dan was het ‘te laat’)
Popper: kritiek op psychoanalyse van Freud omdat X systematisch
3 belangrijke kenmerken van wetenschappelijk onderzoek: Publiek verifieerbare kennis
eis van repliceerbaarheid
zelfde procedure → zelfde resultaten
peer review
3 belangrijke kenmerken van wetenschappelijk onderzoek: Toetsbare theorieën
Falsifieerbaarheid = fouten moeten aantoonbaar zijn (vb. X ‘God bestaat niet’)
? Psychoanalyse van Freud
Vb. Nixon: Watergate -> Aftreding
-> Freud: stijgende lijn, dan president, 'oedipale drang naar falen’’, zat in opvoeding
= verklaring komt achteraf
-> X toetsbaar
Vb. Syndroom Gilles de la Tourette
-> door verhouding vader/moeder
Toetsbaarheid varieert met tijd (kan mogelijk toetsbaar worden)
5 stappen van de wetenschappelijke methode
1 Hypothese
2 Gecontroleerde test
3 Objectieve gegevens verzamelen
4 Analyseren van de resultaten
5 Publiceren, bekritiseren + repliceren van resultaten
5 stappen van de wetenschappelijke methode: Hypothese
= een uitspraak die het resultaat van een wetenschappelijke studie voorspelt
Operationele definities = exacte procedures om experimentele condities en metingen van resultaten vast te leggen (termen zo goed mogelijk uitleggen)
5 stappen van de wetenschappelijke methode: Gecontroleerde test
Onafhankelijke variabele = de variabele die door de onderzoeker gemanipuleerd wordt
Randomisatie = enkel gebruik maken van toeval voor het vastleggen van de aanbiedingsvolgorde van de stimuli of toewijzen van proefpersonen aan condities
5 stappen van de wetenschappelijke methode: Objectieve gegevens verzamelen
Gegevens (data) = informatie verzameld door de onderzoeker voor het testen van de hypothese
Afhankelijk variabele = het gemeten resultaat van een studie; de responsen van deelnemers in een studie
5 stappen van de wetenschappelijke methode: Analyseren van de resultaten
= gebaseerd op statistische analyse van de resultaten: aanhouden of verwerpen van de hypothese
5 stappen van de wetenschappelijke methode: Publiceren, bekritiseren + repliceren van resultaten
7 types psychologisch onderzoek
1 Naturalistische observatie
2 Gevalstudie
3 Interview
4 Survey
5 Psychologische tests
6 Correlationele studies
7 Experimentele methode
Types psychologisch onderzoek: Naturalistische observatie
= vaak eerste stap in meer gecontroleerd onderzoek
vb. kijken naar geweld op TV
!: passen mensen (of dieren) gedrag aan wanneer ze geobserveerd worden?
Types psychologisch onderzoek: Gevalstudie
= uitvoerige studie van 1 persoon of 1 geval
vb. Freud's psychoanalyse
!: gevaar van getuigenverklaringen -> toepasbaar op mensen in algemeen?
vb. Neuropsychologie (vaak gevalstudie omd - # mensen m bep stooornis)
Vb. man m staaf dr hoofd bleef leven maar karakterverschillen => je kan blijven leven
(moeilijk opnieuw uittesten)
Types psychologisch onderzoek: Interview
= directe bevraging
training: neutraliteit !
vb. bij 1500 jongeren duidelijk verband tussen kijken naar geweld + agressief gedrag
!: verband =/= causaliteit
Types psychologisch onderzoek: Survey
= verzamelen van steekproef van opinies
vb. Telephonisch survey naar stemgedrag zei dat Truman zou verliezen MAAR aselect, X representatief (voornamelijk rijke mensen hadden telephoon)
+ kritiek op steekproeven
-> W.E.I.R.D. participants (Western Educated Industrialized Rich Democratic)
Maakt soms X uit, maar vb. bij sociaal gedrag wel (veel studenten = WEIRD)
Types psychologisch onderzoek: Psychologische tests
A cognitieve tests
vb. schoolvorderingen, intelligentietests
Individueel (vb. WAIS, 1,5u lang) / collectief (vb. Raven Progressive Matrices, wordt moeilijker + vragen = - taalafhankelijk)
B persoonlijkheids- en attitudetests
vb. vragenlijsten, projectieve technieken
Projectieve technieken: vage opgave, resultaat zegt iets over jou (vb. Rorschach / TAT / Szondi), controversieel, rekent op objectiviteit v onderzoeker, eigen gedachten/stoornis projecteren
Psychologische onderzoek: Kwaliteit van een test beoordelen
standaardisatie: ‘hoe moet ik precies meten?’ (doe ik het altijd op dezelfde manier?)
betrouwbaarheid: ‘hoe precies is de meting?’ (hoe sterk correleert test met zichzelf?)
validiteit: ‘meet de test wat men beoogt te meten? (hoe sterk correleert test met een criterium?) -> vb. Rekentest m vraagstukken rekent ook taalvaardigheid
Types psychologisch onderzoek: Correlationele studies
= uitgedrukt in correlatiecoëfficiënt (R)
-1.0 ≤ r ≤ +1.0
-1.0: perfect omgekeerd verband
0.0: geen enkel verband
+1.0: perfect verband
vb. intelligentie en studieresultaten (pos verband, maar ook andere bepalende factoren)
vb. pearson en erfelijkheid TBC (foute causaliteit, eig besmettelijk)
vb. tienerzwangerschappen in taiwan
vb. dyslexie en oogbewegingen (dyslexie => + oogbeweging, maar gedacht d omgekeerd)
Types psychologisch onderzoek: Experimentele methode
correlationele studies beperken zich tot beschrijving van een bestaande toestand
in een experiment manipuleert de onderzoeker de werkelijkheid
het doel van het ingrijpen: causaliteit achterhalen
vb. Goldberger en pellagra
Pellagra: duizeligheid, vermoeidheid, braken, diarree, zweren, soms dodelijk
Oorzaak: levend micro-organisme? (cfr. cholera)
-> Goldberger: insufficiënte voeding: te veel koolhydraten te weinig proteïnen
Voor beide hypothesen correlationele evidentie
Goldberger ging verder: manipulatie: injecteerde zichzelf met bloed van een zieke, slikte neus- en keelslijmen van een zieke, slijm zweren + 4cm2 urine + 4cm2 stoelgang
-> nadien herhaling van het experiment op gevangenen
=> bewijs tegen hypothese micro-organismen
Gevalstudie: Elizabeth Warrington
warrington & shallice (1984) 4 patiënten met herpes simplex encephalitis
Problemen m natuurlijke concepten, maar artefacten herkennen X probleem
warrington & mccarthy (1987) 1 patiënt met omgekeerd ziektebeeld
Problemen m artefacten, maar natuurlijke concepten herkennen X probleem
Besluit: semantische informatie van natuurlijke concepten artefacten functioneel onafhankelijk
-> Caramazza: verklaring 1: informatie op andere plaats in de hersenen bewaard op verschillende momenten belangrijk doorheen de evolutie
-> Warrington: verklaring 2: de 2 soorten hebben verschillende centrale kennisstructuren:
artefacten = functioneel + natural kinds = perceptueel
-> Wat met Instrumenten/lichaamsdelen?
Lichaamsdelen = natuurlijke concepten, MAAR herkent als artefact (omd ! = functionaliteit)
Instrumenten = artefacten, MAAR herkent als natuurlijke concepten (omd ! = zintuigelijk)
=> verklaard dr theorie v Warrington maar X v Carramazza
Corrolationele studie: Willem Claeys
5 persoonlijkheidstrekken: extraversie vriendelijkheid gewetensvolheid neuroticisme algemene cultuur
-> hoe zijn deze best te meten (beste voorspelling van gedrag) ?
3 metingen:
“klassieke” persoonlijkheidsvragenlijsten
-> 14 vragen per schaal, geselecteerd via psychometrische methoden
-> telkens beantwoorden op een 7-puntenschaal
-> somscores per schaal
vrije zelfbeschrijving
-> “beschrijf uzelf, zo volledig mogelijk, a.d.h.v. 10 vrij te kiezen adjectieven. zeg niet hoe u zou willen zijn, maar hoe u echt bent. gebruik hiervoor algemeen gekende woorden”
-> elk van deze adjectieven is beoordeeld door 10 experts voor elk van de 5 schalen
-> gewichten (o.b.v. deze beoordelingen) worden opgeteld om score te bekomen
één-itemmethode
-> slechts 1 vraag per te meten variable: “hoe …. bent u?”
-> 5 schalen als volgt omschreven: levendig (extraversie) sociaal (vriendelijkheid) punctueel (gewetensvolheid) gespannen (neuroticisme) gecultiveerd (algemene cultuur)
-> telkens 7-puntenschaal
criteriumgegevens (datgene wat de onderzoeker wil voorspellen):
5 gedragingen per dimensie
toegepast op verschillende situaties vb thuis onmiddellijk opstaan bij wakker worden
ingevuld door 3 mensen: vader moeder vriend
=> zouden allemaal (hoog) moeten correleren
resultaten:
(r² = % verschillen in variabele A dat kan voorspeld worden door variabele B en vice versa)
intercorrelaties van de 3 zelfrapporteringsmethoden tussen .50 en .70, ongeacht gebruikte methode
correlaties tussen zelfrapporteringsmethoden en gedragsciteria .15 tot .30, ongeacht gebruikte methode (slechts) 2.25 tot 9% variantie verklaard !
validiteit van de 3 methoden is het hoogst indien de vrije zelfbeschrijvingsmethode eerst wordt aangewend
Techniek wordt gebruikt vb. bij sollicitaties, maar voorspelt weinig
Corrolationele studie: Kuppens et al.
2 componenten in geluksgevoel:
A cognitieve evaluatie van algemene levenstevredenheid
B affectieve component positieve emoties/negatieve emoties
=> Samenhang?
Onderzoek:
bijna 10.000 proefpersonen
46 landen (alle werelddelen)
90% tussen 18 en 27 jaar, 2% jonger, 8% ouder
A Algemene levenstevredenheid
5 vragen telkens te beoordelen op 7-puntenschaal
-> “als ik mijn leven opnieuw zou beginnen, dan zou ik bijna niets veranderen”
B Emoties
6 positieve (pleasant, happy, pride, gratitude, cheerful, love)
8 negatieve (sad, anger, unpleasant, guilt, shame, worry, stress, jealousy)
-> hoe frequent ervaren afgelopen week (9-puntenschaal)
2 indices per land:
Individualisme / Collectivisme
Zelfexpressie / Overleving
Besluit:
levenstevredenheid hangt
op positieve manier samen met positieve emoties
op negatieve manier samen met negatieve emoties
maar
negatieve emoties hebben sterker effect in individualistische landen
positieve emoties hebben sterker effect in landen met hoge zelfexpressie
DUS
positieve en negatieve emoties universeel als wenselijk, resp. onwenselijk, ervaren
MAAR levenstevredenheid ook gekleurd door culturele waarden
Experimentele studie: Klein + Hodges
Stereotype van de man: actiegericht, moeilijkheden bij ‘lezen’ van anderen
-> Misschien is zwakkere empathie van mannen gewoon resultaat van zwakkere motivatie?
Gefilmd interview: jonge vrouw die net gezakt is voor toelatingsexamen voor doctoral school -> 5 minuten herbekijken; becommentariëren gedachten & gevoelens
-> 4 ‘stops’
107 proefpersonen (17 – 42 jaar oud)
53 vrouwen
54 mannen
eerst beschrijving van laatste teleurstellend studieresultaat
video van gesprek met vrouw bekijken m 4 stops
-> telkens beschrijving gevoelens en gedachten
2 condities
betaalde conditie: 2 $, 1 $ of niets
controleconditie
‘blinde’ beoordelaars !!
=> ‘dubbel blinde’ studie (beoordelaars weten niets + proefpersonen ook niet)
Onafhankelijke variabelen = geslacht + punten
Resultaten:
vrouwen betere inschattingen dan mannen
= hoofdeffect (v geslachtsvariabele)
meer accurate inschattingen in de betaalde conditie
= hoofdeffect (v betaling)
significant interactie-effect
-> duidelijk verschil tussen ♀ en ♂ in controleconditie
-> geen verschil tussen ♀ en ♂ in de betaalde conditie
verschil in empathie tussen ♀ en ♂ niet genetisch bepaald wel motivationeel bepaald
Experimentele studie: Emily Rosa
Therapeutic touch = energetisch veld manipuleren zonder aanraking
21 therapeuten: 1 tot 27 jaar ervaring
Hand boven L/R (op toeval bepaald) -> voelen of niet?
14 therapeuten met 10 proefbeurten
7 therapeuten met 20 proefbeurten
= Onafhankelijke variabele binnen proefpersoenen gemanipuleerd
Toeval = 50% kans
Resutaat <50%
-> geen correlatie tussen prestatie en # jaar ervaring
Ethische kwesties
Ethische code bij beroepsverenigingen
Informed consent
= vrijwillig / betaling / ‘credit points’
Experimenten mogen soms nu X meer (e.g. Milgram)
Dieronderzoek:
erfelijke en omgevingsinvloeden makkelijker manipuleren
ontwikking = sneller
gelijkaardige processen