1/54
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Wat is de werking van antiaritmica bij de beïnvloeding van de elektrische activiteit van het hart?
Antiaritmica grijpen in op ionkanalen in nodale en niet-nodale cellen.
Welk specifiek vermogen bezitten nodale cellen van het hart?
Bezitten het vermogen om spontaan te depolariseren (pacemakeractiviteit).
Wat zijn de fysiologische eigenschappen van niet-nodale cellen onder normale omstandigheden?
Kunnen niet spontaan depolariseren onder normale omstandigheden.
Welke eigenschap kunnen myocardcellen ontwikkelen bij ectopisch gedrag?
Myocardcellen kunnen abnormale automatische activiteit ontwikkelen waarbij zij spontaan pacemakeractiviteit vertonen, vergelijkbaar met nodale cellen.
Waar kan abnormale automatie van myocardcellen ontstaan en waar kan dit toe leiden?
Deze abnormale automatie kan in elk soort hartweefsel ontstaan en leiden tot ritmestoornissen.
Wat zijn kenmerken van het actiepotentiaal in myocard cellen?
Hebben een stabiel rustmembraanpotentiaal.
Vereisen een depolariserende prikkel van naburige cellen.
Welke overkoepelende kenmerken horen bij de actiepotentiaal in myocardcellen met betrekking tot de activatieprikkel?
Vereisen een depolariserende prikkel van naburige cellen.
Wat is het mechanisme van fase 0 (depolarisatie) bij de actiepotentiaal in myocardcellen?
Snelle instroom van Na⁺ via voltage-gated natriumkanalen, wat een snelle stijging van het membraanpotentiaal veroorzaakt.
Wat is het mechanisme van fase 1 bij de actiepotentiaal in myocardcellen?
Tijdelijke uitstroom van K⁺.
Wat is het mechanisme van fase 2 bij de actiepotentiaal in myocardcellen?
Instroom van Ca²⁺ via L-type calciumkanalen treedt in evenwicht met de uitwaartse K⁺-stroom.
Wat is het mechanisme van fase 3 bij de actiepotentiaal in myocardcellen?
Sluiting van calciumkanalen en voortgezette K⁺-uitstroom zorgen voor terugkeer naar het rustpotentiaal.
Wat is het mechanisme van fase 4 bij de actiepotentiaal in myocardcellen?
Stabilisatie van de membraanpotentiaal door activiteit van ionpompen, zoals de Na⁺/K⁺-ATPase.
Wanneer worden de If-kanalen geactiveerd bij de funny current in nodale cellen?
Geactiveerd wanneer het membraanpotentiaal tijdens fase 4 een hypergepolariseerde waarde bereikt.
Wat veroorzaken de If-kanalen direct na activatie bij de funny current in nodale cellen?
Veroorzaken een geleidelijke instroom van Na⁺ en Ca²⁺.
Wat is het fysiologische gevolg van de geleidelijke ioneninstroom via de If-kanalen bij de funny current in nodale cellen?
Dit leidt tot depolarisatie tot aan de drempelwaarde, waarna een actiepotentiaal ontstaat.
Wat gebeurt er tegelijkertijd met andere ionenstromen tijdens het mechanisme van de If-kanalen bij de funny current in nodale cellen?
Tegelijkertijd vindt er een beperkte uitstroom van K⁺ plaats.
Welk effect heeft het sympathisch zenuwstelsel op de hartfrequentie?
Verhoogt de hartfrequentie (positief chronotroop).
Welk effect heeft het sympathisch zenuwstelsel op de AV-geleiding?
Versnelt de AV-geleiding (positief dromotroop).
Welk effect heeft het sympathisch zenuwstelsel op de contractiliteit van het myocard?
Verhoogt de contractiliteit van het myocard (positief inotroop).
Welk effect heeft het parasympathisch zenuwstelsel op de frequentie van het hart?
Verlaagt de frequentie (negatief chronotroop).
Welk effect heeft het parasympathisch zenuwstelsel op de AV-geleiding?
Vertraagt de AV-geleiding (negatief dromotroop).
Welk effect heeft het parasympathisch zenuwstelsel op de contractiliteit van de ventrikels en wat is hiervan de oorzaak?
Heeft geen effect op de contractiliteit van de ventrikels wegens het nagenoeg ontbreken van parasympathische innervatie in de ventrikels.
Waar zijn ritmestoornissen in de basis het gevolg van?
Gevolgen van problemen in de nodale cellen.
Wat is de exacte definitie van bradycardie bij ritmestoornissen?
Hartfrequentie minder dan 50 slagen per minuut.
Wat is de exacte definitie van tachycardie bij ritmestoornissen?
Hartfrequentie hoger dan 100 slagen per minuut.
Welke overkoepelende onderliggende mechanismen horen bij ritmestoornissen?
Abnormale automatie, getriggerde activiteit, re-entry.
Waar zijn geleidingsstoornissen in de basis het gevolg van?
Gevolgen van problemen in de myocardcellen (geleidingscellen).
Welk overkoepelend onderscheid in typen op basis van regelmaat hoort bij geleidingsstoornissen?
Regulair of irregulair.
Welk overkoepelend onderscheid in typen op basis van de anatomische locatie hoort bij geleidingsstoornissen?
Supraventriculair/ventriculair of AV-nodaal.
Wat is het directe effect van de aangrijpingspunten van antiaritmica?
Via werking op de natrium-, kalium- en calciumkanalen in het hart.
Wat is het indirecte effect van de aangrijpingspunten van antiaritmica?
Beïnvloeding van ionstromen via het autonoom zenuwstelsel (bètablokker).
Wat is de werking van hartglycosiden (zoals digoxine) bij de aangrijpingspunten van antiaritmica?
Verhogen de contractiliteit van het hart.
Wat is de werking en wat zijn klinische voorbeelden van Klasse I antiaritmica volgens de classificatie?
Natriumkanaalblokkers: Vertragen fase 0 (voorbeelden: flecaïnide, lidocaïne).
Wat is de werking en wat is een klinisch voorbeeld van Klasse II antiaritmica volgens de classificatie?
β-blokkers: Verminderen sympathische invloed (voorbeeld: metoprolol).
Wat is de werking en wat zijn klinische voorbeelden van Klasse III antiaritmica volgens de classificatie?
Kaliumkanaalblokkers: Verlengen duur van de actiepotentiaal (voorbeelden: amiodaron, sotalol).
Wat is de werking en wat zijn klinische voorbeelden van Klasse IV antiaritmica volgens de classificatie?
Calciumkanaalblokkers: Vooral werkzaam op nodale cellen; verlengen geleidingstijd en verminderen automatische activiteit (voorbeelden: verapamil, diltiazem).
Wat is de werking van de categorie overige antiaritmica (zoals digoxine) volgens de classificatie?
Onder andere digoxine; zorgt voor vagale stimulatie en een verhoogde AV-refractaire tijd.
Op welke specifieke fase, met welk ionstroom-effect en welk elektrofysiologisch effect werken Klasse I antiaritmica?
Fase 0, natriumionen influx neemt af, met als elektrofysiologisch effect minder automatie door verhoging prikkeldrempel / minder geleiding.
Op welke specifieke fase, met welk ionstroom-effect en welk elektrofysiologisch effect werken Klasse II antiaritmica?
Fase 4, natriumionen en calciumionen influx neemt af, met als elektrofysiologisch effect depolarisatie SA-knoop en geleiding AV-knoop minder.
Op welke specifieke fase, met welk ionstroom-effect en welk elektrofysiologisch effect werken Klasse III antiaritmica?
Fase 3, kaliumionen efflux neemt af, met als elektrofysiologisch effect duur actiepotentiaal en refractaire periode omhoog.
Op welke specifieke fase, met welk ionstroom-effect en welk elektrofysiologisch effect werken Klasse IV antiaritmica?
Fase 2, calciumionen en natriumionen influx neemt af, met als elektrofysiologisch effect depolarisatie SA-knoop en geleiding AV-knoop omlaag.
Als wat voor middelen werken Klasse I antiaritmica in het algemeen?
Werken als membraanstabiliserende middelen.
Wat is het directe effect van Klasse I antiaritmica op ionkanalen tijdens de actiepotentiaal?
Blokkeren natriumkanalen, waardoor de natriuminstroom tijdens fase 0 van het actiepotentiaal tot een bepaalde mate wordt geremd (niet alle natriumkanalen kunnen worden geblokkeerd).
Waar leiden de blokkade en geremde natriuminstroom bij Klasse I antiaritmica fysiologisch toe?
Leiden tot een tragere depolarisatie en een verminderde prikkelgeleiding.
Welk bijkomend klinisch effect hebben Klasse I antiaritmica?
Hebben een lokaal anesthetisch effect.
Wat is het potentiële risico van Klasse I antiaritmica vanwege hun krachtige werking?
Kunnen vanwege hun krachtige werking pro-aritmisch zijn.
Op basis van welke specifieke functionele eigenschappen worden Klasse I antiaritmica onderverdeeld in subgroepen?
Op basis van affiniteit voor natriumkanalen en effect op duur actiepotentiaal.
Wat zijn de kenmerken en de toepasbaarheid van de subgroep Klasse IA antiaritmica?
Behoort tot de meest potente en breed toepasbare middelen.
Wat zijn de specifieke kenmerken en de effectiviteit van de subgroep Klasse IB antiaritmica?
Kenmerkt zich door een relatief kortere werking; met name effectief in ventriculair ischemisch weefsel.
Wat zijn de kenmerken en de toepasbaarheid van de subgroep Klasse IC antiaritmica?
Behoort tot de meest potente en breed toepasbare middelen.
Bij welke overkoepelende klinische beelden worden de verschillende subgroepen van Klasse I antiaritmica ingezet?
Worden ingezet bij supraventriculaire tachycardieën (IA, IC) en ventriculaire tachycardieën (IA, IB, IC).
Aan welke specifieke functionele toestanden en bijbehorende fasen van de natriumkanalen binden Klasse I antiaritmica met hoge affiniteit?
Binden met hoge affiniteit aan natriumkanalen in de geactiveerde toestand (fase 0) en geïnactiveerde toestand (fase 2).
Hoe binden Klasse I antiaritmica aan natriumkanalen in de rusttoestand?
Binden nauwelijks aan kanalen in rusttoestand.
Onder welke specifieke overkoepelende klinische omstandigheden is de werking van de use-dependent kanaalblokkade hierdoor vooral uitgesproken?
De werking is hierdoor vooral uitgesproken bij hoge frequenties of bij verlies van rustpotentiaal (zoals bij tachycardie of ischemie).
Welke specifieke klinische voorbeelden horen bij Klasse I antiaritmica en tot welke subgroepen behoren zij?
Flecaïnide (klasse IC, klinisch het meest relevant), procaïnamide (klasse IA) en kinidine (klasse IA).