1/62
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
5. Straat etnografie
1. Straat als setting
2. Focus = verborgen, gemarginaliseerde of gecriminaliseerde groepen.
3. Vaak geïnteresseerd in de politiek en mechanismen van in- en uitsluitingsprocessen
6. Institutionele etnografie
1. Focus = op institutionele kader (wetten, regels, algemene relaties, organisaties) waarin sociale praktijken van mensen zijn ingebed.
( <--> niet zozeer de alledaagse sociale praktijken van mensen)
7. Multi-sited etnografie
1. Setting = vaak niet meer verbonden aan één locatie, maar de bestudeerde personen, verhalen of objecten hebben 'connecties' in verschillende plaatsen
2. 7 manieren om dit te doen = volgen van paden en bewegingen van mensen, metaforen, verhalen, conflicten etc
8. Virtuele etnografie
= De virtuele ruimte (internet, videospellen,...) is een bijzondere setting waar personen/ groepen (virtuele gemeenschappen) bestudeerd worden
9. Visuele etnografie
1. Fotografieën en films worden in de sociale wetenschappen vaak gebruikt om bevolkingsgroepen te bestuderen.
2. Etnografen doen het in groeiende mate binnen de visuele sociologie en antropologie.
Instant etnografie
= de onmiddellijke etnografie nadat men iets heeft vastgesteld, hierbij is er geen
voorbedacht plan of keuze van methodiek
Liquid etnografie
= onderkennen van de vloeibare grens tussen onderzoeker, onderzoekspopulatie en activisme o Politiek geëngageerde en emancipatorische vorm van etnografische onderzoek
Auto-etnografie
= een autobiografische schrijfstijl en onderzoeksgenre dat verschillende lagen van bewustzijn vertoont, waarbij het persoonlijke en het culturele met elkaar verbonden worden.
= vaak vanuit 1e persoon geschreven
(Hayano is bedenker van term)
Types auto-etnografie (= verschillen in de nadruk die ze leggen)
1. Onderzoeksproces (graphy)
2. Culturele aspect (ethnos)
3. Op het 'ik' (auto)
Kritieken op auto-etnografie + antwoorden
1. Narratieve waarheid = welk soort waarheid streven deze verhalen na?
--> Herinneringen vervormen altijd, er is geen eenduidige waarheid, Versimilitude
2. Persoonlijke narratieven zijn geen wetenschap
--> romantisering, onderzoeker eerder verhalenverteller
3. Persoonlijke narratieven en veralgemeenbaarheid
--> kan je pers. verhalen veralgemenen naar brede populatie?
Verisimilitude
= 'aannemelijk' of 'waarschijnlijkheid'
= Er is geen eenduidige waarheid, en voor de auto-etnograaf betekent validiteit vooral verisimilitude
Testimonio
= getuigenis
= Dit genre ging in tegen de 'officiële' geschiedenis van de dictaturen.
1. Het betreft dus vaak narratieven over schendingen van de mensenrechten.
2. Vrouwen hebben een belangrijke rol gespeeld in het ontstaan van dit genre: moeders en echtgenoten van vermoorde, ontvoerde of opgesloten activisten.
Verschil tussen life history-technieken en testimonio?
life history-technieken = bij levensgeschiedenissen staat de intentie van de auteur (diegene die het gesprek opneemt) centraal.
Bij het testimonio: intentie van de eigenlijke verteller (narrator) centraal.
8 essentiële kenmerken van participerende observatie:
1. Het verzamelen van wetenschappelijk bruikbare gegevens (setting)
2. Tijdsperiode (PO kost tijd, onderzoeker moet in de setting bestuderen opgenomen en aanvaard worden)
3. Medeweten van andere participanten
4. Deelname aan dagelijks leven
5. Interactie onderzoeker en setting (interageren)
--> interacties nauwlettend nagaan en in kaart brengen
6. Onderzoeksplan
--> het is flexibele techniek = participeren in bepaalde setting kan onvoorspelbare wendingen nemen, dus is noodzakelijk.
7. Systematische combinatie van technieken
--> meer uitgebalanceerde methode
--> meer controle op betrouwbaarheid resultaten
8. Gebruik van verschillende methoden en technieken (observeren, interviewen, luisteren, artefacten, ...)
Setting (doel)
= om over een setting gegevens te verzamelen die aan wetenschappelijke standaarden voldoen + die een onderzoeksvraag beantwoorden
Belangrijke gevolgen van overt te onderzoeken:
1. zich kenbaar maken kan de kwaliteit van de data beïnvloeden: mensen gedragen zich anders of bepaalde verschijnselen doen zich niet voor omdat
men weet dat er een onderzoeker bij is
2. het zich niet blootgeven aan participanten kan echter ethische problemen stellen
6 criteria waaraan de PO zou moeten voldoen
1. De respondent en zijn dagelijkse leefwereld staan centraal
2. Het onderzoeksprobleem is waarneembaar in de dagelijkse leefwereld van de respondent of de onderzochte social setting
3. Toegang krijgen tot sociale setting die men wil bestuderen
4. probleem beperkt genoeg (inhoud en georgrafisch) zodat het als case bestudeerbaar is
5. Onderzoeksvraag is geformuleerd zodat case-study adhv PO mogelijk is
6. Ond.probleem kan worden beantwoord met de kwalitatieve data die door de PO verzameld worden
Voordelen van PO?
1. Methode is zeer flexibel en situeert zich op verschillende vlakken (focus, tijdstip, moment van uittreden, ...)
2. Langdurig contact = nauwkeurige data over setting en context
3. Kwaliteit en objectieve waarde zijn hoog (interne validiteit)
4. PO soms enige manier om gegevens te verzamelen
(Vb: Covert studies = ond kan dit alleen doen omdat hij niet als dusdanig erkent wordt)
Nadelen van PO?
1. PO levert GEEN statistisch materiaal op
2. De aanwezigheid van de onderzoeker vertekent de resultaten (onderzoeksbias: lage betrouwbaarheid)
3. De resultaten zijn niet veralgemeenbaar en representatief (externe validiteit)
4. Er zijn veel storende factoren bij gegevensverzameling
5. PO kost veel tijd en niet goedkoop
6. PO vraagt erg veel van onderzoeker (vb: gevaren)
theoretische steekproeftrekking
= de setting wordt op inhoudelijke kenmerken en theoretische overwegingen uitgekozen en niet op statistische gronden.
Open of gesloten settings?
= Een setting is meer of minder open naargelang de onderhandelingen die gevoerd moeten worden om tot de setting toe te treden.
De 'periferische' participerende observatie
= waar de onderzoeker wel in de betrokken groepen aanwezig is, maar niet in momenten, situaties en settings waar de centrale gestudeerde praktijken zich afspelen.
3 dimensies die de dynamische positie van de onderzoeker bepalen bij PO:
1. Identiteit van de onderzoeker
2. Informatie waar onderzoeker naar zoekt
3. De setting
= aard, soort sociale groep, gedragspatronen
Er zijn vier types participerende rollen in het veld:
= gebaseerd op de mate waarin de onderzoeker participeert en observeert:
1. Volledige participant
2. Participatie als observator
3. Observator als participant
4. Volledig observator
1. Volledige participant
= onderzoeker duikt volledig onder in de setting
= neemt deel maar niemand weet dat hij onderzoeker is
Voordeel? = geheime info over de setting
Nadeel? rol moeilijk volhouden, gewetensproblemen
2. Participatie als observator
= Nadruk op participeren, maar de onderzoeker probeert zijn observatieactiviteiten wel zo goed mogelijk te integreren.
Voordeel = onderzoeker kan bij gewetensdelicten uit setting terugtrekken
Nadeel = zoeken nr evenwicht tussen observeren en participeren!
3. Observator als participant
= Klemtoon op observeren (zgn. one-visit observations).
Voordeel = gemakkelijk setting verlaten
Nadeel = oppervlakkigheid van contacten waardoor sneller misverstanden opdruiken
4. Volledig observator
= Participatie onbestaande, onderzoeker als vreemdeling of zelfs onbekend!
Nadeel = onderzoeker weet nauwelijks wat er in de setting aan de hand is, staat te ver
Voordeel = nadeel: geen enkele vorm van manipulatie vanuit de setting mogelijk
De aanvangspositie van de onderzoeker:
De onderzoeker die contact zoekt met een setting wordt als buitenstaander of outsider aanzien: hij behoort niet tot de setting en kan de gang van zaken komen verstoren.
1. Een defensieve opstelling en wantrouwen vanuit de setting.
2. De participanten in de setting gaan zelfs de onderzoeker als studieobject nemen.
Strategieën om vertrouwen op te bouwen (4)
1. Manier van introductie
--> tijd geven om te wennen
--> Gatekeepers = bevordering van aanvaarding!
--> Vragen van toestemming = positieve houden
2. Manier waarop onderzoeksactiviteiten geïntroduceerd worden
--> leg doel en nut van onderzoekdaden uit
--> Overt = belangrijk dat onderzoeker NIET acteert
3. Maken van afspraken
--> kan helpen bij leden die achterdochtig blijven
4. Aanpassing van de veldrol
= Afhankelijk van de manier van ontvangst, kan de onderzoeker meer afstand nemen van de setting of juist sterker participeren.
Gatekeepers
= Deze persoon heeft invloed en kan onderzoekers helpen om het vertrouwen van de groep te winnen en hen toegang te geven tot informatie en sociale netwerken die anders moeilijk bereikbaar zouden zijn.
1. Toegang verstrekken
2. Vertrouwen bevorderen
3. Bemiddelen
4 activiteiten tijdens het veldwerk (I - I - P - C)
1. Informatie inwinnen
2. Informatie registreren
3. Participatie garanderen
= blijven participeren, min. aantal uren aanwezig zijn
4. Coördineren van activiteiten
= altijd bezig blijven met onderzoek
5 activiteiten buiten de setting (R-O-A-E-C)
1. Registratie voltooien (zsm na verlaten!)
2. Ordenen van nota's
3. Analyseren van informatie
4. Raadplegen van externe bronnen
= bijkomende informatie verzamelen ter controle
5. Coördineren van deze activiteiten
= chronologisch te werk gaan
Problemen tijdens het verblijf
= meestal te maken met de moeilijke balans tussen insider worden en outsider blijven
Inwendig perspectief
= Onderzoeker participeert aan de setting en leidt tot een visie op deze setting.
Uitwendig perspectief
= onderzoeker verlaat de setting en ziet gebeurtenissen op afstandelijke manier.
Problemen tijdens het verblijf (6)
1. Overlapping inwendig en uitwendig perspectief
2. Missen van informatie
3. Over-rapport = Bestaan van te nauwe banden tussen onderzoeker en setting
4. Emotionele betrokkenheid
5. Going native = assimilatie van de setting , volledig deel van uitmaken
6. Vermoeidheid en saturatie
--> Opl = tijd stil leggen en gedachten verzetten
--> Nadeel = lange afwezigheid kan relaties schaden
Het verlaten van het veld?
= Langzaam uittreden (easing out) want uittrede mag niet te abrupt gebeuren
Niet - participerende observatie
= Onderzoekers kunnen ook observeren zonder een actieve rol te nemen als participanten in de setting.
4 dimensies die het soort uitgevoerde observatie bepalen:
1. Covert vs. Overt
= heeft geobserveerde weet van de observatie
2. Systematisch vs. Onsystematisch
= instrument of flecibel en zelfs reactief in setting?
3. Natuurlijke vs. artificiële situatie
= natuurlijke setting geobserveerd of in labo?
4. Zelfobservaties vs. anderen observeren
Wat zijn observaties in kwalitatief onderzoek?
- onsystematisch
- in natuurlijke settings
- laten veel ruimte voor zelfobservatie
- betrekken alle zintuigen (zien, horen, ruiken en voelen).
3 fasen te onderscheiden in het observeren van de omgeving
1. beschrijvende observatie
= onderzoeker beschrijft wat hij ziet → deze fase duurt het hele onderzoek door
2. gefocuste observatie
= onderzoeker gaat aandacht richten op specifieke elementen in setting waarvan hij aanneemt dat die best antwoord zullen vormen op onderzoeksvragen
3. selectieve observatie
= uiteindelijk vernauwt observeren zich nog meer tot de onderzoeker specifiek weet wat hij wil observeren en ook enkel nog daarnaar op zoek gaat
Beschrijvend observeren (belangrijke componenten)
Plaats, actor, activiteit, object, actie, gebeurtenis, tijd, doel en gevoel = die dimensies zijn een leidraad voor de onderzoeker die observeert
Gefocust observeren
= Focus op culturele domeinen.
Cultureel domein = betekenis categorie, alle unieke elementen uit een sociale setting die eenzelfde betekenis krijgen en die door een cultuur als een geheel worden gezien.
Alle domeinen bestaan uit omvattende termen (vriend), ingesloten termen (makker), semantische relaties die de twee soorten termen verbinden (makker = vriend)
Deze observatie gebeurt aan de hand van een structurele vraag die de onderzoeker de gehele observatie blijft herhalen.
Cultureel domein
= 'betekenis categorie', alle unieke elementen uit een sociale setting die eenzelfde betekenis krijgen en die door een cultuur als een geheel worden gezien.
Structurele vraag
= Dat is een vraag die de onderzoeker zich stelt over een bepaald cultureel domein en die hij gedurende de hele observatieperiode blijft herhalen.
Vb: Welke rollen komen voor in het onderhandelingsproces?
Contrast vraag
= Dit is een vraag gebaseerd op de verschillen tussen de ingesloten termen van een bepaald cultureel domein.
Sociale betekenissen vloeien niet alleen voort uit gelijkenissen maar ook uit verschillen
Selectief observeren
Gebruik maken van een contrastvraag. Dit is een vraag gebaseerd op de verschillen tussen de ingesloten termen van een bepaald cultureel domein.
Dus de andere observaties gaan over gelijkenissen, deze over verschillen.
Veldnota's
= De resultaten van observaties en participaties worden neergeschreven
= Alles wat de onderzoeker ziet en opmerkt, wordt in de vorm van tekst uitgeschreven.
= onderzoeker moet dit na observaties doen en is aangewezen op zijn geheugen --> verbatim-principe
Verbatim-principe
= dat de onderzoeker probeert om woordelijk neer te schrijven wat de participanten vertelden en omvat dus alle versprekingen en
dialectwoorden.
= Belangrijk om de sociale situatie correct te kunnen interpreteren.
4 aanbevelingen om met uitgestelde registratie kans op fouten te beperken
1. Aandacht aan sleutelwoorden, trefwoorden die kern van gesprek samenvatten
2. Concentreer je op de 1e en laatste opmerking in het gesprek
3. Tijd tussen vaststelling en registratie zo kort mogelijk houden
4. Niet met anderen personen praten over de vaststellingen (kan dit beïnvloeden)
Checklist van elementen die de onderzoeker in de veldnota's moet noteren:
1. Globale informatie mbt het onderzoeksobject
--> globaal gedrag in ruimte
--> uitingsvormen
2. Specifieke informatie mbt het onderzoeksobject
--> specificiteit van de setting
3. Specifieke informatie mbt de zelfkritische houding van onderzoeker
--> vermelden wat niet begrepen werd
--> vermelden eigen verklaringen en acties
Participerende observatie
De onderzoeker neemt aan het dagelijkse leven van (groepen) personen deel en verzamelt tegelijkertijd gegevens.
Veldwerk
Observeren, participeren, alle soorten gesprekken houden en het verzamelen van teksten, beelden, geluiden en andere culturele artefacten.
Etnografie
= betekent: het in kaart brengen of beschrijven van volkeren.
= is geen techniek van dataverzameling maar een methodologische benadering
Algemene kenmerken van etnografisch onderzoek:
1. het bestuderen van mensen in hun natuurlijke settings
2. Flexibel + gebruik van verschillende dataverzamelingsmethoden
3. Exploratief (niet toetsend)
4. holistisch (accent op alle intergerelateerde aspecten van een sociaal fenomeen)
5.contextueel (in context gemeten) en meestal 1 case
Natuurlijke setting (2)
1. Thick description
= De complexiteit van hun sociale wereld en hun (sub)cultuur beschrijven op een gedetailleerde manier
2. Verstehen = Hun subjectieve ervaringen, gezichtspunten en betekenissen begrijpen
Soorten etnografieën
1. Klassieke etnografie
2. Reflexieve etnografie
3. Native etnografie
4. Narratieve etnografie
5. Straat etnografie
6. Institutionele etnografie
7. Multi-sited etnografie
8. Virtuele etnografie
9. Visuele etnografie
1. Klassieke etnografie
1. Langdurige participerende observatie meestal in één locatie of setting.
2. Doel = 'ontdekken' en 'representeren' van de ware 'natuur' van sociale en culturele verschijnselen.
3. Door participerende observatie en het verstehen van 'hun' verhaal (emic perspectief) komt de
etnograaf met heel 'valide' data.
2. Reflexieve etnografie
1. Het 'veld' wordt door de etnograaf geconstrueerd: zijn cultuur, zijn machtspositie, ...
2. Sterk interpretatief en reflexief karakter
--> veel aandacht aan zijn eigen rol, problematisering van zijn 'etnografische autoriteit'.
3. Persoonlijke ervaring van de onderzoeker is belangrijk in hoe hij de bestudeerde cultuur
illustreert.
3. Native etnografie
1. Onderzoekers schrijven over culturen of groepen die door anderen werden gemarginaliseerd, of over hun eigen cultuur
2. Interpreteren hun cultuur voor anderen
3. Gebruiken positie om onderscheid tussen insider en outsider te problematiseren
4. Narratieve etnografie
= een genre van storytelling waar een auteur 'zijn' verhaal produceert met literaire regels en hulmiddelen, is narratieve etnografie een vorm van 'fictie'.
Zichtbare of onzichtbare setting?
zichtbare setting = algemeen beschikbare informatie te vinden (je kan het adres opzoeken).
Onzichtbare settings = volledig van de buitenwereld afgesloten en worden soms zelf door de insiders van de buitenwereld afgeschermd (terroristische organisaties).