1/109
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
context
Omgeving, kader, milieu. Alles wat een fenomeen omgeeft en bepaalt, het maakt tot wat het is. Om een gebeurtenis, handeling, ervaring, emotie, idee of woord te interpreteren, hoor je eerst te kijken hoe het tot stand is gekomen: waar en wanneer en door wie, hoe en met welke bedoeling.
modern
Staat tegenover 'traditioneel'. Is een relatief en relationeel begrip: het hangt er maar net van af vanuit welk standpunt je iets beoordeelt als 'van deze tijd'.
religieus
Wordt van praktijken (en bijhorende fysieke 'vormen') gezegd als ze de verbinding maken met een transcendente realiteit, zoals een godheid, het sacrale, of onzichtbare wereld.
veldwerk
Synoniem voor etnografie. Participerende observatie is er de belangrijkste methode van. Om je etnografische beschrijvingen inzichtelijk maken, dan moet je 'het persoonlijke' als antropoloog op een 'gedeelde' of 'intersubjectieve' manier begrijpen.
hyperrealiteit
Volgens Baudrillard zijn we meer belang gaan hechten aan de beelden die we maken van het leven, dan aan het leven zelf. Die representaties, zoals foto's, vinden we 'echter' dan wat we direct waarnemen. Pas wanneer we van onze pasta een afbeelding maken en hem op Instagram tonen, bestaat die pasta echt
vanzelfsprekendheden
Common senses of gedeelde betekenissen: culturele assumpties of vooronderstellingen. Zitten zowel in ons denken als lichamelijk handelen. Ze variëren naargelang de context: in andere contexten vinden we ze vreemd en niet vertrouwd. In eigen contexten zijn we er blind voor. Antropologen onthullen ze met hun comparatieve blik.
holistisch
Belangrijk onderdeel van de antropologische blik waarbij je de samenhang of verstrengeling ziet tussen de verschillende (politieke, economische, religieuze, sociale...) domeinen van een samenleving.
kennis
De leer hiervan noemen we 'epistemologie'. Wie duiden we in een bepaalde culturele context aan als de makers ervan, en noemen we daarom deskundigen? En waaruit bestaat hun expertise dan juist
authentiek
Dit label (uit een romantisch denkkader) krijgen dingen die mensen doen, zeggen of maken wanneer we ze echt, oprecht of natuurlijk vinden. Bestaat niet vanzelf maar wordt 'gemaakt' en komt altijd tot stand vanuit een bepaald perspectief.
stijl
Of vorm. Moet je op letten om de inhoud van culturele uitingen te begrijpen. Om te weten van welke betekenissen een architecturale vorm of taal (bv modernisme) vergezeld gaat moet je eerst naar de sociale context (bv Zuid-Afrika tijdens de apartheid) kijken.
structuren
Kunnen politiek, economisch, religieus, sociaal... zijn. Hebben de huidige context gevormd, en zijn dus historisch gegroeid. Bepalen de bewegingsvrijheid van individuen. Toch is er altijd nog een zekere agency of ruimte voor improvisatie - niet het minst tijdens overgangsrituelen (zoals Victor Turner die onderzocht).
onzichtbare versus zichtbare wereld
Ervaringen, verhalen en betekenissen die je niet zomaar kunt waarnemen met het blote oog, maar die er evengoed 'zijn' versus observeerbare realiteiten (hoe mensen zich kleden, de huizen waarin ze wonen, de handelingen die ze verrichten).
zelfpresentatie
Hoe we als acteurs op het podium (van het sociale leven) verschillende rollen opvoeren - identiteiten performen - door ons zelf voortdurend aan elkaar te tonen - ook via materiële cultuur. Beschreven door socioloog Erving Goffman.
emoties
Het is de gedeelde dimensie van gevoelens die sociale wetenschappers onder de loep leggen. Hun blik is gericht op de dynamische wijze waarop de omringende cultuur emoties tot stand doet komen, uiten en beleven. Gevoelens (en hun betekenis) worden gevormd door de taal, de praktijken en de verwachtingen die ze omgeven.
globalisering en glokalisering
Economische en tegelijk culturele uitwisselingen die grenzen overschrijden en hoe in elke plaatselijke context een bepaalde combinatie van het plaatselijke én invloeden van buitenaf verschijnt.
publieke ruimte
Waar je de ander kan ontmoeten; waar het (politieke, economische, sociale en culturele) samenleven vorm krijgt. Plek die toegankelijk is voor iedereen.
het sociale
Hoe mensen zich verhouden tot elkaar. Een samenleving is dan een groep of netwerk van mensen die met elkaar in nabijheid leven. Typische kwesties over relaties tussen mensen of groepen zijn: cohesie (samenhang), ongelijkheid (van macht of middelen), en identiteit (het beeld van jezelf of de ander).
ideologie
Levensbeschouwing: een geheel (een systeem) van opvattingen over de ideale samenleving. Verwijst doorgaans naar een politieke denkstroming, zoals het liberalisme of het socialisme. Kan ook minder bewust aanwezig zijn in onze blik of handelingen.
economie
Heeft grofweg drie fasen: productie (zoals landbouw), distributie (zoals ruilhandel), en consumptie. Betreft het omzetten van de omgeving in bruikbare producten voor mensen. Heeft invloed op politiek, samenleving en cultuur - en dus ook het beroep van (interieur)architect of stedenbouwkundige.
taal
Geeft ons de categorieën (de begrippen) en het kader waarmee we naar de wereld kijken en waarmee wie de wereld proberen te begrijpen. In die zin zou je cultuur als een gesprek kunnen beschouwen. Toch communiceren en vertellen we ook veel zonder te spreken.
tactiek vs strategie
Slaat - volgens Michel de Certeau - op het bedoelde plan van een overheid of machtsinstantie: de blik van bovenaf of - als analogie - het aangelegde paadje in een park. Versus de daadwerkelijke creativiteit van mensen en groepen om die plannen naar hun hand te zetten, hun agency om van de harde wandelpaadjes af te stappen en zelf aan de slag te gaan in dat park door er bijvoorbeeld onverharde shortcuts te maken.
nomadisch
Staat tegenover sedentair. Wordt van mensen en groepen gezegd voor wie mobiliteit de kern van hun bestaan is. Met bewegingen (in tijd en ruimte) die evengoed vergezeld gaat van thuiservaringen
microperspectief versus macroperspectief
Vanaf de schouder van mensen (inzoomend, 'vanop de grond') meekijken om hun belichaamde handelingen te snappen versus vanuit vogelperspectief aandacht hebben voor instituties en zo algemene uitspraken doen over groepen en sociale normen.
fenomenologisch
De studie van de leefwereld zoals we die direct (in het onmiddellijke 'nu') ervaren met ons lichaam en onze zintuigen, nog voor we erover nadenken of er taal aan geven.
diversiteit
Verscheidenheid; variatie; andersheid. Wat antropologen zo fascineert en interesseert. En wat ze ook willen begrijpen. In de ene context doen, denken, voelen mensen niet hetzelfde als in de andere. Die verschillen herinneren ons eraan dat ook je eigen vanzelfsprekendheden 'vreemd' zijn en er evengoed anders hadden kunnen uitzien.
backstage en frontstage
Het (door de theaterwereld geïnspireerde) onderscheid van Erving Goffman, een bekende socioloog van face-to-face-interacties, tussen twee regio's. Achter de schermen handelen mensen zonder de aanwezigheid van een publiek waarvan ze zich moeten bewust zijn. Maar klopt het wel dat je enkel 'voor de schermen' sociale rollen speelt?
functionalisme
De idee dat elke gewoonte in een samenleving een functie heeft in het geheel. Zo zijn er volgens Malinowski basisfuncties (bv van onderdak en voeding), integrerende functies (gewoonten die de samenleving samenhouden, zoals het onderwijs) en psychologische functies (rituelen om angst weg te nemen)
heterotopie en utopie
Enerzijds term van Foucault: een sociale ruimte die je kunt betreden in de zijlijn van het dagelijks leven. Bestaande plaatsen, zoals een sauna of museum, die we als anders ervaren en waar andere codes gelden. Anderzijds een perfecte maar ook fictieve ruimte die slechts bestaat in onze verbeelding.
participerende observatie
Een manier om gegevens te verzamelen waarbij je als onderzoeker de dagelijkse activiteiten van de mensen in het veld op een betrokken wijze bijwoont en vastlegt. Het gaat dus om een methode waarbij je in een context meedoet (participeert) en tegelijk waarneemt (observeert)
gender
De culturele invulling van man-zijn of vrouw-zijn, of ruimer van mannelijkheid of vrouwelijkheid.
postkoloniaal
Benadering waarbij je de effecten van/antwoorden op overheersing onderzoekt van een dominante centrum, zoals Europese landen. Waarbij je ook een stem geeft aan de (eerder) gedomineerde mensen/groepen. En let op vermenging van culturen.
niet-plaatsen
Begrip van Marc Augé. Verwijst naar ruimten (vooral transitruimtes, zoals de hal in een luchthaven) die van niemand lijken te zijn, en die op het eerste gezicht geen ervaring, toe-eigening of sociaal leven toelaten.
gebouwde omgeving
De ruimte die mensen en groepen gemaakt hebben en ervaren. Het kan gaan om (onderdelen van) woningen, maar evengoed om ontworpen ruimtes zoals pleinen of straten, een site of markering, een graf of een monument.
gated community
Ommuurde (en door een beveiligde poort afgesloten) gemeenschap waarbinnen mensen tegen betaling een eigen samenleving hebben, georganiseerd door een private instantie. Uit én vergroot sociale segregatie.
erfgoed
Wat we waard vinden om te bewaren, en zodoende te beschermen tegen de tand des tijds. Kan materieel zijn (gebouwen) of immaterieel (tradities, verhalen, rituelen). Elk object of praktijk kan in principe dit label krijgen. Vraag is: Wie waren de betrokken partijen in dit selectieproces? En waarom kreeg de ene praktijk of het ene object wél dit label en andere niet?
musealisering
Gebeurt met een realiteit (zoals een gebouw of traditie) wanneer die in een expositieruimte belandt. Of ruimer, wanneer men ermee omgaat als iets dat je bezoekt als een 'sacrale' bezienswaardigheid.
stedelijkheid
In plaats van de fysieke omgeving van 'de stad' (als een objectieve werkelijkheid) gaat het om het handelen van mensen: hun ervaringen en hun sociale netwerken, hoe ze de stedelijke ruimte gebruiken en zich toe-eigenen. Het gaat om het sociale en onzichtbare landschap - een immateriële wereld van het leven in de stad.
postmodern
Zo kijk je naar de wereld als je niet langer gelooft in dé waarheid, authenticiteit, originaliteit of vastliggende grenzen. Daarom vertel je niet langer het ene (juist) verhaal, maar meerdere verhalen. En sta je ironisch in het leven.
traditioneel
Label dat praktijken, ideeën of objecten krijgen wanneer men ze associeert met het verleden, alsof ze er rechtstreeks uit voortkomen. Staat tegenover een ander label, namelijk 'modern'. Is een label dat bepaalde actoren in bepaalde contexten met bepaalde (ideologische) bedoelingen geven aan bepaalde realiteiten.
essentialistisch versus sociaalconstructivistisch
Wordt gezegd van de uitspraak "Antwerpenaars zijn dikkenekken" (die vastliggende kenmerken of clichés veronderstelt) versus de (antropologische) uitspraak "Volgens deze Limburgse burgemeester zijn Antwerpenaars dikkenekken" (waarin je toont hoe opvattingen 'maaksels' zijn van bepaalde actoren in een bepaalde context
politiek
Politiek is de uitoefening van macht, niet het minst om te bepalen hoe mensen hun leven vormgeven. Gaat vergezeld van formele instellingen, zoals wetten, om het sociale leven te ordenen en te controleren. Krijgt ook architecturale uitingen.
etnografie
Methode waarin je een beroep doet op veldwerk. Het komt erop neer dat je een bepaalde cultuur of ervaring leert kennen door er in mee te leven: door te participeren en te observeren en zo uit eerste hand kennis te vergaren.
thuis
Terwijl het begrip huis (house) op een gebouw slaat, een zichtbare constructie, slaat deze term (home) op een sfeer of gevoeligheid - een plaats of symbolisch beladen ruimte, waarmee je je verbonden voelt - die we niet kunnen vastgrijpen of aanwijzen. Is relatief, en cultureel bepaald.
contingentie
Het toevallige, het onvoorspelbare, het bijzondere, soms ook het afwijkende, het 'gebeurlijke': datgene wat voorvalt. Veel van wat er in architectuur gebeurt, valt niet te voorspellen: de manier waarop een ontwerp tot stand komt, maar ook het gebruik van het gebouw kan heel verrassend zijn, volgt geen wetmatigheid.
romantiek
Cultuurstroming uit begin 19de eeuw (als antwoord op de te 'rationele' verlichting). Als je deze blik volgt verlang je naar authenticiteit - die je hoopt te vinden in de natuur, verre oorden, en het verleden
performatief
Benadering waarin je aandacht hebt voor lichamelijke handelingen en wat die handelingen teweegbrengen. Wat hun effecten zijn. Hoe ze realiteiten (bv identiteiten of betekenissen) veranderen.
cultuurrelativistisch
De houding waarbij je niet oordeelt over een andere cultuur en haar eigenheid maar die vanuit haar eigen logica probeert te begrijpen.
architectuur
Hebben antropologen achtereenvolgens onderzocht met interesse voor vorm (hoe zien gebouwen eruit?), inhoud (hun symboliek of betekenis), sociale interacties (hoe ze de samenleving weerspiegelen), agency (van space en place, inclusief landschappen), en processen (geheel van praktijken voor, tijdens en na een bouwproject).
macht
Het vermogen van een persoon, groep of instelling om invloed te hebben op het verloop en de uitkomst van sociale interacties, en om toegang te hebben tot materiële of symbolische middelen.
metaforen
Zijn de kern van betekenisgeving. Doen de ene werkelijkheid begrijpen door een andere: x = y (bv: time = money) Het is de tastbare wereld (zoals geld, dat je kunt bekijken, vastpakken en doorgeven) die helpt om wat abstract is (zoals de tijd, die je niet direct kunt waarnemen) te vatten.
gentrificatie
Proces van transformatie in de fysieke en sociaaleconomische structuur van een wijk waarbij een lagere klasse deels vervangen of verdrongen wordt door een (hogere) middenklasse. Heeft ook een culturele variant: wanneer niet de mensen zelf worden vervangen, maar hun betekenissen, ervaringen en verhalen van de gebouwde omgeving.
intuïtief
Wordt gezegd van kennis als je die veeleer gevoelsmatig opdoet: op basis van (onuitgesproken) tradities, ervaringen, en belichaamde praktijken - zonder doelbewust of rationeel een systematiek of wetmatige methode te volgen.
kwalitatief versus kwantitatief
Twee methoden binnen humane wetenschappen: terwijl de eerste als doel heeft ervaringen te begrijpen (adhv casestudy's en analyse van taal en betekenisgeving) wil de tweede fenomenen meten en in kaart brengen (adhv cijfers op basis van véél data).
representatie
Voorstelling; verbeelding; hoe iets uit de realiteit 'aanwezig' wordt gemaakt - vooral via media. Volgens postmoderne onderzoekers krijgen we slechts toegang tot de werkelijkheid via de beelden die wij ervan maken.
narratieve analyse
Passen sociale wetenschappers toe die ervan overtuigd zijn dat verhalen belangrijke vormen van weten zijn. Daarbij probeer je zowel de inhoud als de vorm van het vertellen te begrijpen.
materiële cultuur
Onze relatie met de fysieke omgeving. Hoe we omgaan met de dingen en ruimten die ons omgeven. De studie ervan laat ook toe om inzicht te krijgen in onze omgang met minder zichtbare en tastbare realiteiten.
discours
Vertoog. Een gedeelde manier van spreken en denken. Bv economen hebben hun gedeelde 'taal' die breder ingang kan vinden in de samenleving. Zo spreken schooldirecteuren over 'leerwinst' of 'ondernemend' leren; ze gaan (grotendeels onbewust) leven in en met die economische taal. Een vertoog bepaalt je blik op de wereld; hoe je denkt én hoe je handelt.
habitus
Belichaamde context: hoe de sociale en culturele leefwereld waarin je bent grootgebracht als het ware in je lijf is gekropen, in je houding, smaak en voorkeuren. Concept van socioloog Pierre Bourdieu.
inductief versus deductief
Wanneer je als onderzoeker vertrekt van concrete ervaringen en verkenningen (als een onwetende) om tot algemene uitspraken te komen versus wanneer je vertrekt van een algemene theorie en hypotheses die je vervolgens test.
klasse
Iemands sociaal-economische positie. Verwijst naar je plek op de sociale ladder. Erf je grotendeels bij geboorte. Bepaalt mee je identiteit. Heeft Karl Marx als belangrijk theoreticus.
proces
Een geheel van met elkaar verbonden handelingen die samen betekenis geven.
materialistisch versus idealistisch
Uitgangspunt dat de fysieke, praktische en economische 'onderbouw' de cultuur of symbolische wereld bepaalt versus het uitgangspunt dat de (onzichtbare) ideeën de (zichtbare) vormen - waaronder architectuur - bepalen.
plaats en ruimte
Een 'place' is een 'space' met een geschiedenis; opgeladen met betekenis. Wanneer je een studentenkamer intrekt eigen je je een kot toe dat eerder van iemand anders was. Je laadt de 'space' symbolisch op en maakt er een 'place' van.
vernaculair
Begrip uit de taalkunde voor dialect of streektaal, om gebouwen te benoemen als ze (1) lokaal of landelijk zijn; (2) volks of niet-elitair zijn; (3) zonder architect ontstonden. Het begrip staat ter discussie om meerdere redenen, maar heeft ook zijn verdienste gehad
ecologisch
Als je zo ontwerpt doe je dat met zorg voor de lokale leefwereld van mensen én niet-mensen - ook die in de toekomst. Je doet geen topdown hightech interventies maar bouwt voort op wat er al is. Je ontwerpt geen objecten maar processen: je activeert en structureert duurzame relaties tussen materiële ruimtes en hun bewoning.
etniciteit
Vorm van identiteit op basis van een veronderstelde gedeelde taal, traditie en geschiedenis, die je van andere groepen ('volkeren') zou doen verschillen. Bv Wij, West-Vlamingen versus zij, Oost-Vlamingen. Wordt sociaal geconstrueerd.
going native
Doe je wanneer je in de loop van je veldwerk 'een van hen' bent geworden maar ook daarna (wanneer je al je bevindingen interpreteert en die inzichten communiceert) niet langer de rol opneemt van een antropoloog.
ANT
Actor-Netwerk Theorie. Onderzoeksmethode van Bruno Latour die stelt dat kennis (en waarheid) ontstaat in een netwerk tussen mensen en niet-mensen: dingen (zoals computers) en plaatsen (zoals een atelier).
toe-eigening
Wanneer je een werkelijkheid - zoals een plein, woning of klaslokaal - 'van jou' maakt; er bewust jouw betekenis aan geeft, meestal door er ook iets aan te veranderen; dat je er inhoud aan geeft met je eigen persoonlijke en sociale achtergrond.
grens
Maakt onderscheid tussen twee werelden, maar is evenzeer het raakvlak dat overschreden kan worden. Zo kan een voordeur scheiding én contact zijn tussen publiek en privaat leven. Heeft meestal zowel een symbolische als een sociale dimensie.
objectief
Volgens het positivisme horen we 'objectief' naar de wereld te kijken, als een wetenschapper. Die probeert feiten te ontdekken, en liefst ook wetten, door alleen geloof te hechten aan wat je empirisch kunt waarnemen. Dokters zeggen bijvoorbeeld op basis van proeven of onderzoek: 'je lichaam is dood, want de hersenen functioneren niet meer'. Ze stellen dat als een absolute waarheid.
casestudy
Gevalsstudie. In kwalitatief onderzoek kiezen humane wetenschappers een 'geval' uit (een welbepaalde wijk, groep, ervaring, praktijk of concept) als ingang om een groter fenomeen of proces te onderzoeken. Less is more. Hoe meer afgebakend je studieobject, hoe meer diepgang. Wél moet je in het unieke het gedeelde vinden.
structuralisme en poststructuralisme
Volgens de ene theoretische benadering reflecteert de gebouwde omgeving een wereldbeeld (van talig denken dat min of meer vastligt). Volgens de andere is cultuur geen allesbepalende tekst die vastligt, maar een vloeibaar en beweeglijk geheel van lichamelijk praktijken.
emic en etic
Twee antropologische benaderingen. Enerzijds: van binnenuit, met de blik en de taal van een insider: je probeert in zijn/haar schoenen te staan. Anderzijds: aan de hand van een universeel verklaringsmodel met theoretische taal, los van de specifieke context. Antropologen hebben beide benaderingen of 'talen' nodig. De ene om je observaties van het veld te beschrijven. De andere om ze te interpreteren in je onderzoekstekst.
identiteit
De invulling op de vraag Wie ben ik of Wie zijn we? Wat betekent het bv om man te zijn (gender), Belg (etniciteit) of hoogopgeleid (klasse)? Ligt niet vast en is relatief: de betekenis ontstaat uit een verondersteld onderscheid met de ander. Wordt 'gedaan' en is meervoudig: naargelang de situatie is de ene meer voelbaar dan de andere.
zintuigen
Waarmee we onze leefwereld waarnemen: niet alleen met de ogen, maar ook met de oren, neus, en tast. Zetten we anders in naargelang de sociale en culturele context, wat ook bepaalt hoe we de (architecturale) wereld begrijpen.
taboe
Dat wat niet classificeerbaar is: wat we noch als het ene, noch als het andere kunnen zien. (Een dood lichaam is bv noch object, noch subject). Een grenssituatie die moeilijk te vatten is en daarom als een symbolisch gevaar wordt ervaren, en (volgens Mary Douglas, in haar "Purity and danger") moet 'bezworen' worden.
cultuur
Hoe we vorm en inhoud (betekenis) geven aan onze leefwereld. Gebeurt al doende: in symbolische handelingen. Is verbonden met de sociale dimensie: hoe we ons tot elkaar verhouden. Is dynamisch. Kan zowel materieel (zichtbaar, tastbaar, vormelijk) als immaterieel zijn (ervaringen en tradities, opvattingen en praktijken).
antropologen
Bestuderen de mens in context: als een sociaal (samenlevend) en cultureel (betekenisgevend) wezen. Wat in de ene context vanzelfsprekend is, is dat niet in de andere. Doel is die diversiteit te verstaan: het vreemde vertrouwd maken en het vertrouwde vreemd. Ze doen aan veldwerk waarvan participerende observatie de belangrijkste methode is. Hun benadering is descriptief, comparatief, cultuurrelativistisch en holistisch.
handelingen, praktijken, rituelen
Begrippen die benadrukken hoe cultuur wordt 'gedaan'. Al doende, in de loop van bepaalde handelingen, geven mensen betekenis. Het woord handeling heeft de connotatie wat kleiner en minder herkenbaar te zijn dan een praktijk. Handelingen worden culturele praktijken wanneer ze symbolisch geladen of 'ritueel' zijn. ('Ritueel' is dus de symbolische of betekenisgevende dimensie van handelingen.)
agency
Handelsbekwaamheid. Bezit je wanneer je in staat bent een effect te hebben op andere realiteiten. Niet alleen van toepassing op mensen. Wat 'doet' bv. dit standbeeld of gebouw met ons?
intersubjectief
Tussenmenselijk of gedeeld. Dit begrip komt tegemoet aan het inzicht dat handelingen en ideeën zich altijd tussen mensen afspelen. Bij alles wat je ervaart (zelfs als je alleen op je kamer zit te ontwerpen) ben je 'gekneed' door je achtergrond (zoals opvoeding en onderwijs), je interesses, de culturele en sociale contexten die bepalen hoe je kijkt, wat je ziet, voelt en denkt.
descriptief versus normatief
Beschrijvend versus oordelend. Antropologen gaan beschrijvend te werk: in hun uitspraken pleiten ze niet zelf voor bepaalde normen of opvattingen. Liever beschrijven ze wat volgens bepaalde actoren in een zekere samenleving goed (of slecht) ontwerpen, bouwen of wonen is.
comparatief
Vergelijkend. Door een vergelijkende blik, bv in de ruimte (tussen culturen) of in de tijd (tussen generaties) kunnen we vanzelfsprekendheden waarvan we ons minder bewust zijn, inzichtelijk maken en blootleggen hoe we als mensen bepaald worden door de context waarbinnen ons leven zich afspeelt.
alledaags
Gewoon, banaal, routineus. Zijn vele handelingen in wooncultuur of het stedelijke leven. Maar daarom niet minder betekenisvol.
gezag
Autoriteit. Heeft een moeder, leerkracht, priester of politieagent wanneer hij/zij macht (of invloed) legitiem heeft gekregen en die ook rechtvaardig uitoefent; wanneer hij/zij het vermogen heeft om het gedrag van anderen te sturen en op volgzaamheid kan rekenen zonder daarvoor iedere keer met een sanctie hoeven te dreigen.
media
Kranten, tv, radio, film, YouTube, etc zijn hier voorbeelden van. Stellen realiteiten (zoals steden en gebouwen) voor in representaties. Framen onze ervaring van en kijk op de wereld door ons op een bepaalde manier te laten kijken en mee te nemen in een narratief.
histrorici
Onderzoeken het verleden en leggen vooral veranderingen bloot. Ze bestuderen de mens als een sociaal wezen in een dynamische context. 'Geschiedenis' is iets anders dan het 'verleden': het is een verhaal over het (afwezige) verleden. Anders dan antropologen kunnen ze het 'veld' dat ze onderzoeken niet zelf bijwonen.
etnocentrisch
Zo spreek of denk je wanneer je over mensen uit andere culturen oordeelt met de maatstaven van je eigen cultuur. Gaat (al dan niet bewust) vergezeld van een superioriteitsgevoel.
instituties
Instellingen. Voorbeelden zijn het onderwijs, de geneeskunde, de kerk, de familie, de buurt. Het gaat om formele instanties waarbinnen je als individu voortbeweegt en 'gesocialiseerd' wordt. In een instelling, zoals een school, hoor je regels te volgen die het samenleven organiseren.
herinnering
Onze (intersubjectieve) omgang met een persoonlijk verleden. Het gaat dus om de betekenisgeving aan dat verleden, wat gebeurt in sociale handelingen: samen naar tekeningen kijken die je als kind maakte of verhalen uitwisselen over het huis van oma.
consumptie
Gebruik. Staat tegenover de productie of het maken van iets. Het gaat om de kant van de gebruiker: hoe we inhoud geven aan objecten - zoals gebouwen - die ons omringen. Dat gebruik kan materieel zijn (het bezitten van een gebouwde omgeving) of mentaal (de beleving of perceptie van een gebouw)
lichaam
Belangrijke focus van antropologen omdat mensen vleselijke wezens zijn: we staan zintuiglijk in contact met onze leefwereld, ook de architecturale ruimte. En we begrijpen die leefwereld hoofdzakelijk al doende: geven er vooral in fysieke (en meestal niet zo bewuste) handelingen betekenis aan
commodificatie
Vermarkting. Ook cultuur (zoals erfgoed van gebouwen) kan deel worden van een markt, een koopwaar worden: iets dat gekocht en verkocht wordt. We zijn geneigd te denken aan kleren, voeding en objecten die met de hand zijn gemaakt. Maar ook tradities, praktijken én ruimten kunnen geconsumeerd worden in een cultuurindustrie.
betekenisgeving
Gebeurt wanneer we invulling geven aan bepaalde begrippen of realiteiten, zoals 'stad', 'thuis' of 'architect'. Hoe we fenomenen begrijpen of interpreteren is niet direct waarneembaar. Het gebeurt grotendeels onbewust en procesmatig (als uitkomst van een reeks handelingen) en is dan ook veranderlijk, dynamisch.
cultuurschok
De ervaring van verrassing, verwarring of soms ook pijn die je voelt door met het onvertrouwde en onverwachte van een andere cultuur in contact te komen.
zelfreflectief
Hoor je te zijn als je onderzoek doet (ook als ontwerper). Dat wil zeggen dat je moet nadenken over je eigen positie en rol: waarom maak ik deze en niet andere keuzes? Waarom stel ik juist deze vragen? Hoe ben ik zelf (en mijn socio-culturele achtergrond) aanwezig in mijn onderzoek en beïnvloed ik het? Wetenschappelijk ben je als je dus transparant bent over de totstandkoming van je verhaal/gebouw; over je methode en beslissingen
ANT
Latour
backstage & frontstage + zelfpresentatie
Goffman
habitus
Bourdieu