1/63
Periode 4
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Ecologie
Wetenschap die de wisselwerking tussen organismen en hun omgeving bestudeert.
Levensgemeenschap
Alle organismen die in een bepaald gebied voorkomen.
Biotische factoren
Invloeden afkomstig van de levende natuur.
Abiotische factoren
Invloeden vanuit de levenloze omgeving.
Soortensamenstelling
De verschillende soorten die in een gebied voorkomen.
Ecosysteem
Een begrensd gebied waarin een wisselwerking plaatsvindt tussen biotische en abiotische factoren.
Habitat
Het leefgebied van een organisme.
Microklimaat
Klimaat op specifieke plaatsen binnen een ecosysteem.
pH
Zuurgraad.
Tolerantie
Vermogen van organismen om schommelingen in een abiotische factor te verdragen.
Tolerantiegrens
Uiterste waarde waarbij organismen van een soort kunnen overleven.
Beperkende factor
Factor die bepaalt hoeveel organismen in een gebied kunnen overleven.
Optimum
Waarde van een abiotische factor die het gunstigst is voor het organisme.
Concurrentie
Competitie, strijd tussen organismen om de beschikbare bronnen.
Niche
De rol die een bepaalde populatie speelt in het geheel van relaties in een ecosysteem.
Coöperatie
Samenwerking tussen organismen van dezelfde populatie.
Symbiose
Langdurig samenleven van organismen van verschillende soorten.
Mutualisme
Vorm van symbiose waarbij beide soorten voordeel hebben.
Commensalisme
Vorm van symbiose waarbij slechts een van beide soorten voordeel heeft en de andere soort geen voordeel en geen nadeel heeft.
Parasitisme
Vorm van symbiose waarbij één soort voordeel heeft en de andere soort nadeel.
Negatieve terugkoppeling
Toename van het resultaat remt het proces (als de populatiedichtheid groter wordt, krijgen de factoren die een afname van de populatiedichtheid veroorzaken meer invloed).
Dynamiek
Het schommelen van biotische factoren.
Dynamisch evenwicht
De populatiedichtheid schommelt om een evenwichtswaarde.
Geboorte
Het ontstaan van organismen door voortplanting.
Sterfte
Het overlijden van organismen.
Migratie
Verplaatsing van organismen naar een ander gebied.
Exoten
Organismen die als gevolg van menselijk handelen terechtkomen in een leefgebied waarin ze van oorsprong niet thuishoren.
Groeicurve
Lijn in een diagram die de groei van een populatie weergeeft.
Draagkracht
Maximale populatiegrootte van de verschillende populaties die over langere tijd in een ecosysteem kunnen worden gehandhaafd.
Vraat
Eten van planten door dieren.
Signaalstoffen
Chemische verbindingen die informatie overdragen tussen en binnen organismen.
Voedselketen
Weergave van de voedselreIaties in een ecosysteem.
Energiestroom
Het overdragen van chemische energie in voedingsstoffen.
Voedselweb
Weergave van het geheel van voedselrelaties in een levensgemeenschap.
Predatie
Eten van dieren.
Trofisch niveau
Schakel in een voedselketen.
Producenten
Autotrofe organismen; kunnen organische stoffen produceren uit anorganische stoffen.
Assimilatie
Opbouw van organische moleculen uit kleinere (anorganische) moleculen.
Fotosynthese
Het vormen van glucose uit koolstofdioxide en water met behulp van zonlicht.
Koolstofassimilatie
Vorming van glucose uit koolstofdioxide en water(stof).
Foto-autotroof
Organismen die fotosynthese gebruiken als energiebron voor de koolstofassimilatie.
Chemosynthese
Oxidatie van anorganische stoffen.
Chemo-autotroof
Organismen die chemosynthese gebruiken als energiebron voor de koolstofassimilatie.
Voortgezette assimilatie
Vorming van koolhydraten, eiwitten, vetten en DNA uit glucose.
Consumenten
Heterotrofe organismen; nemen organische stoffen op als voedsel.
Dissimilatie
Afbraak van organische moleculen.
Reducenten
Organismen die dode resten afbreken tot anorganische stoffen.
Piramide van aantallen
Grafische weergave van de aantallen organismen per trofisch niveau.
Biomassa
Totale gewicht van alle organische stoffen.
Piramide van biomassa
Grafische weergave van de biomassa van elk trofisch niveau.
Bruto primaire productie (BPP)
Alle biomassa die in een ecosysteem door producenten wordt gevormd.
Netto primaire productie (NPP)
De biomassa die producenten gebruiken voor het vormen van nieuwe weefsels.
Productiviteit
De hoeveelheid energie die door een trofisch niveau wordt vastgelegd in organische stoffen.
Successie
Proces waarbij de soortensamenstelling in een gebied verandert en het ecosysteem geleidelijk overgaat in een ander ecosysteem.
Pioniersoorten
De eerste soorten die zich vestigen binnen een ecosysteem.
Pionierecosysteem
Eerste stadium van successie; ecosysteem dat als eerste ontstaat in een onbegroeid gebied.
Gelaagdheid
Situatie waarbij de vegetatie van een ecosysteem bestaat uit verschillende lagen.
Climaxecosysteem
Laatste stadium van successie.
Primaire successie
Successiereeks die begint op een kale ondergrond.
Secundaire successie
Successiereeks die begint op een ondergrond die humus bevat.
Gradiëntecosysteem
Ecosysteem met geleidelijke overgangen.
Indicatorsoorten
Soorten die een aanwijzing geven over een kenmerk van het milieu waarin ze voorkomen.
Modelleren
Vereenvoudigde voorstellingen van de werkelijkheid maken en uitproberen (op de computer).
Omslagpunt
Overgang tussen twee evenwichtssituaties.