1/68
Looks like no tags are added yet.
Nationaal inkomen
Alle inkomens van een land bij elkaar.
Welvaart
De mate waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien.
Koopkracht
Hoeveel je met je inkomen kunt kopen.
Bruto inkomen
Inkomen vóór belasting.
Netto inkomen
Inkomen na belasting.
Beschikbaar inkomen
Geld dat je kunt uitgeven.
Overdrachtsinkomen
Inkomen zonder ervoor te werken, zoals een uitkering.
Inkomen in natura
Inkomen in de vorm van producten of diensten.
Primaire behoeften
Dingen die je nodig hebt om te leven.
Secundaire behoeften
Extra's en luxeproducten.
Inflatie
Gemiddelde prijzen stijgen.
Deflatie
Gemiddelde prijzen dalen.
CPI
Cijfer dat laat zien hoe prijzen veranderen.
Wegingsfactor
Hoe zwaar een productgroep meetelt bij de CPI.
Lorenzcurve
Laat zien hoe het inkomen verdeeld is.
Nominaal inkomen
Het bedrag dat je verdient.
Reëel inkomen
Je inkomen aangepast aan prijsveranderingen.
Marketing
Alles wat een bedrijf doet om producten te verkopen.
De 6 P's
Product, prijs, plaats, promotie, personeel en presentatie.
Chartaal geld
Contant geld: munten en biljetten.
Giraal geld
Geld op je bankrekening.
Ruilmiddel
Geld waarmee je kunt betalen.
Spaarmiddel
Geld waarmee je kunt sparen.
Rekenmiddel
Geld waarmee je prijzen vergelijkt.
Spaarmotief
Reden waarom je spaart.
Spaardeposito
Spaargeld dat voor een afgesproken tijd vaststaat.
Enkelvoudige rente
Rente over alleen het oorspronkelijke bedrag.
Samengestelde rente
Rente over je bedrag én eerdere rente.
Doorlopend krediet
Je kunt afgeloste bedragen opnieuw lenen.
Salariskrediet
Je staat rood op je betaalrekening.
Leverancierskrediet
Je mag later betalen aan een leverancier.
Persoonlijke lening
Je leent een vast bedrag en betaalt dit terug.
Koop op afbetaling
Je betaalt een product in termijnen.
Private lease
Je betaalt om iets te gebruiken, maar wordt geen eigenaar.
Budgetplan
Overzicht van inkomsten en uitgaven.
Kredietkosten
Het extra bedrag dat je betaalt voor een lening.
Reële rente
Nominale rente min inflatie.
Bedrijfskolom
Alle bedrijven die meewerken aan een product.
Productiefactoren
Arbeid, natuur, kapitaal en ondernemerschap.
Toegevoegde waarde
Verkoopwaarde min inkoopwaarde.
Afzet
Het aantal verkochte producten.
Omzet
Afzet × verkoopprijs.
Winstopslag
Bedrag dat boven op de kostprijs komt.
Brutowinstmarge
Omzet min inkoopwaarde van de omzet.
Consumentenprijs
Prijs die de klant betaalt, inclusief btw.
Vaste kosten
Kosten die niet veranderen bij meer of minder productie.
Variabele kosten
Kosten die veranderen door de productie.
Kostprijs
Kosten om één product te maken.
Afschrijving
Waardevermindering van een product of machine.
Transparante markt
Een markt waar je prijzen goed kunt vergelijken.
Vraaglijn
Laat zien hoeveel mensen willen kopen bij verschillende prijzen.
Aanbodlijn
Laat zien hoeveel bedrijven willen verkopen bij verschillende prijzen.
Evenwichtsprijs
Prijs waarbij vraag en aanbod gelijk zijn.
Evenwichtshoeveelheid
Hoeveelheid die bij de evenwichtsprijs wordt verkocht.
Monopolie
Eén aanbieder op de markt.
Oligopolie
Een klein aantal aanbieders.
Perfecte concurrentie
Veel aanbieders met hetzelfde product.
Monopolistische concurrentie
Veel aanbieders met verschillende producten.
Maatschappelijke kosten
Kosten voor de samenleving.
Maatschappelijke baten
Voordelen voor de samenleving.
Omzet
Afzet × verkoopprijs.
Toegevoegde waarde
Verkoopwaarde − inkoopwaarde.
Brutowinstmarge
Omzet − inkoopwaarde omzet.
Winst
Brutowinstmarge − bedrijfskosten.
Reële rente
Nominale rente − inflatie.
Btw 21% erbij
Bedrag × 1,21.
Btw 9% erbij
Bedrag × 1,09.
Percentage
Deel ÷ geheel × 100.
Enkelvoudige rente
Spaarbedrag × rentepercentage.