Economie

H1 – Inkomen en welvaart

Begrip

Betekenis

Nationaal inkomen

Alle inkomens van een land bij elkaar.

Welvaart

De mate waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien.

Koopkracht

Hoeveel je met je inkomen kunt kopen.

Bruto inkomen

Inkomen vóór belasting.

Netto inkomen

Inkomen na belasting.

Beschikbaar inkomen

Geld dat je kunt uitgeven.

Overdrachtsinkomen

Inkomen zonder ervoor te werken, zoals een uitkering.

Inkomen in natura

Inkomen in de vorm van producten of diensten.

Primaire behoeften

Dingen die je nodig hebt om te leven.

Secundaire behoeften

Extra's en luxeproducten.

Inflatie

Gemiddelde prijzen stijgen.

Deflatie

Gemiddelde prijzen dalen.

CPI

Cijfer dat laat zien hoe prijzen veranderen.

Wegingsfactor

Hoe zwaar een productgroep meetelt bij de CPI.

Lorenzcurve

Laat zien hoe het inkomen verdeeld is.

Nominaal inkomen

Het bedrag dat je verdient.

Reëel inkomen

Je inkomen aangepast aan prijsveranderingen.

Marketing

Alles wat een bedrijf doet om producten te verkopen.

De 6 P's

Product, prijs, plaats, promotie, personeel en presentatie.

H2 – Geld en lenen

Begrip

Betekenis

Chartaal geld

Contant geld: munten en biljetten.

Giraal geld

Geld op je bankrekening.

Ruilmiddel

Geld waarmee je kunt betalen.

Spaarmiddel

Geld waarmee je kunt sparen.

Rekenmiddel

Geld waarmee je prijzen vergelijkt.

Spaarmotief

Reden waarom je spaart.

Spaardeposito

Spaargeld dat voor een afgesproken tijd vaststaat.

Enkelvoudige rente

Rente over alleen het oorspronkelijke bedrag.

Samengestelde rente

Rente over je bedrag én eerdere rente.

Doorlopend krediet

Je kunt afgeloste bedragen opnieuw lenen.

Salariskrediet

Je staat rood op je betaalrekening.

Leverancierskrediet

Je mag later betalen aan een leverancier.

Persoonlijke lening

Je leent een vast bedrag en betaalt dit terug.

Koop op afbetaling

Je betaalt een product in termijnen.

Private lease

Je betaalt om iets te gebruiken, maar wordt geen eigenaar.

Budgetplan

Overzicht van inkomsten en uitgaven.

Kredietkosten

Het extra bedrag dat je betaalt voor een lening.

Reële rente

Nominale rente min inflatie.

H3 – Bedrijven, kosten en markten

Begrip

Betekenis

Bedrijfskolom

Alle bedrijven die meewerken aan een product.

Productiefactoren

Arbeid, natuur, kapitaal en ondernemerschap.

Toegevoegde waarde

Verkoopwaarde min inkoopwaarde.

Afzet

Het aantal verkochte producten.

Omzet

Afzet × verkoopprijs.

Winstopslag

Bedrag dat boven op de kostprijs komt.

Brutowinstmarge

Omzet min inkoopwaarde van de omzet.

Consumentenprijs

Prijs die de klant betaalt, inclusief btw.

Vaste kosten

Kosten die niet veranderen bij meer of minder productie.

Variabele kosten

Kosten die veranderen door de productie.

Kostprijs

Kosten om één product te maken.

Afschrijving

Waardevermindering van een product of machine.

Transparante markt

Een markt waar je prijzen goed kunt vergelijken.

Vraaglijn

Laat zien hoeveel mensen willen kopen bij verschillende prijzen.

Aanbodlijn

Laat zien hoeveel bedrijven willen verkopen bij verschillende prijzen.

Evenwichtsprijs

Prijs waarbij vraag en aanbod gelijk zijn.

Evenwichtshoeveelheid

Hoeveelheid die bij de evenwichtsprijs wordt verkocht.

Monopolie

Eén aanbieder op de markt.

Oligopolie

Een klein aantal aanbieders.

Perfecte concurrentie

Veel aanbieders met hetzelfde product.

Monopolistische concurrentie

Veel aanbieders met verschillende producten.

Maatschappelijke kosten

Kosten voor de samenleving.

Maatschappelijke baten

Voordelen voor de samenleving.

Belangrijke formules

Formule

Berekening

Omzet

Afzet × verkoopprijs

Toegevoegde waarde

Verkoopwaarde − inkoopwaarde

Brutowinstmarge

Omzet − inkoopwaarde omzet

Winst

Brutowinstmarge − bedrijfskosten

Reële rente

Nominale rente − inflatie

Btw 21% erbij

Bedrag × 1,21

Btw 9% erbij

Bedrag × 1,09

Percentage

Deel ÷ geheel × 100

Enkelvoudige rente

Spaarbedrag × rentepercentage

Tip: Leer vooral het verschil tussen deze begrippen:

  • Afzet = aantal verkochte producten.

  • Omzet = geld dat je verdient met verkopen.

  • Bruto = vóór belasting, netto = na belasting.

  • Enkelvoudige rente = rente over het beginbedrag.

  • Samengestelde rente = rente op rente.

  • Monopolie = één aanbieder, oligopolie = een paar aanbieders.