1/76
Een uitgebreide set flashcards over semantische relaties, vocabulaire begrippen en Grieks-Latijnse woordstammen gebaseerd op de lesnotities.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Semantiek
De studie die de betekenissen van taalkundige constructies zoals woorden en zinnen onderzoekt.
Denotatie
De neutrale betekenis van een woord.
Connotatie
De gevoelswaarde die gepaard gaat met een neutrale betekenis, bepaald door de maatschappij.
Pejoratief
Een woord met een negatieve connotatie, zoals 'wijf'.
Melioratief
Een woord met een positieve connotatie.
Eufemisme
Iets op een zachtere of vriendelijkere manier zeggen dat hard, pijnlijk, gênant of grof kan klinken.
Dysfemisme
Het gebruik van een hardere, grovere of negatievere uitdrukking in plaats van een neutrale.
Betekenisverruiming
Het proces waarbij een woord een ruimere betekenis krijgt.
Betekenisverenging
Het proces waarbij een woord een engere betekenis krijgt.
Synoniemen
Woorden die ongeveer dezelfde betekenis hebben, zoals 'lopen' en 'rennen'.
Antoniemen
Woorden met een tegengestelde betekenis, zoals 'hard' en 'zacht'.
Homoniemen
Woorden die er hetzelfde uitzien en hetzelfde klinken, maar een andere betekenis hebben (bv. bal als voorwerp of feest).
Homografen
Woorden die hetzelfde worden geschreven, maar anders worden uitgesproken en een andere betekenis hebben (bv. bédelen en bedélen).
Homofonen
Woorden die hetzelfde klinken, maar anders worden geschreven en een andere betekenis hebben (bv. hard en hart).
Superieur
Hoger, beter, edeler.
Neokoloniaal
Zich schuldig makend aan uitbuiting van voormalige kolonies.
Normaliseren
Standaardiseren, normaal worden.
Dubieus
Twijfelachtig.
De etniciteit
De culturele identiteit van een persoon.
Legitimeren
Rechtvaardigen.
Institutionaliseren
Formeel regelen.
Minimaliseren
Iets als onbeduidend voorstellen.
Idealiter
In het ideale geval.
Überhaupt
Eigenlijk, alles samen.
De solidariteit
De samenhorigheid.
De etymologie
De afkomst van woorden.
De consensus
De eensgezindheid.
Dehumaniseren
Ontmenselijken.
Assimileren
Opnemen, gelijkstellen.
De genocide
Volkerenmoord.
Genocidaal
Volkerenmoord bevattend.
Elementair
Basis, fundamenteel, essentieel.
De resolutie
Besluit van een vergadering.
De deportatie
Het gedwongen wegvoeren van mensen.
Fluïde
Vloeibaar, niet scherp begrensd.
De frivoliteiten
De lichtzinnigheden.
Tendentieus
Misleidend, vertekenend.
Dominant
Overheersend.
Efficiënt
Doeltreffend, effectief.
Primeren
Belangrijker zijn.
De kwalificatie
De geschiktheid.
Dynamisch
Beweeglijk, veranderlijk, energiek.
Subjectief
Bevooroordeeld, partijdig (tegenovergestelde van objectief).
Proclameren
Aan- of afkondigen.
a- (on-, niet)
Griekse woordstam die ontkenning aangeeft, zoals in apathisch (ongevoelig voor emoties).
auto- (zelf)
Griekse woordstam die naar zichzelf verwijst, zoals in autobiografie.
biblio- (boek)
Griekse woordstam die naar boeken verwijst, zoals in bibliografie of bibliofiel (boekenvriend).
bio- (leven)
Griekse woordstam die naar leven verwijst, zoals in biografie.
poly- (veel)
Woordstam die 'veel' betekent, zoals in polyvalent (gebruik voor verschillende doelen).
Post- (na)
Woordstam die 'na' betekent, zoals in postnataal (volgend op de geboorte).
Pseudo- (schijn, misleidend, vals)
Woordstam die schijn aangeeft, zoals in pseudoniem (schuilnaam).
Pyro- (vuur)
Woordstam die naar vuur verwijst, zoals in pyromaan.
-foob/-fobie
Woorddeel dat angst betekent, zoals in claustrofobie (vrees voor afgesloten ruimtes).
-maan/-manie
Woorddeel dat razernij of waanzin betekent.
Chronometer
Uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen (stam: chrono = tijd).
Chronologisch
Opeenvolging van tijdsmomenten, verloop van gebeurtenissen in de tijd.
Chronisch
Gebruikt bij ziekten met een langzaam verloop; langdurig of slepend.
Synchroon
Gelijktijdig of in de tijd samenvallend.
Synthese
Samenvatting van een artikel (stam: syn/sym = samen).
Synopsis
Korte inhoud van een boek, film of toneelstuk.
Symmetrisch
Zodanig verdeeld dat linker- en rechterzijde elkaars spiegelbeeld zijn.
Biografie
Levensbeschrijving (stam: graf/graaf/gram = schrijven).
Telegraaf
Toestel om met tekens berichten over afstanden over te brengen.
Cardiogram
Grafische voorstelling van de bewegingen van het hart.
Cineast
Regisseur van een film of filmer (stam: kine = bewegen).
Homogeen
Van dezelfde aard of samenstelling; gelijkslachtig (stam: homo = gelijk).
Homologeren
Goedkeuring of een gerechtelijke bekrachtiging, zoals het gelijkmaken van diploma's.
Metropool
Zeer grote stad of wereldstad (stam: polis/pool = stad).
Kosmopoliet
Iemand die de gehele wereld als zijn vaderland beschouwt; een wereldburger.
Monochroom
Eenkleurig (stam: mono = alleen, een).
Monogamie
Huwelijk van één man met één vrouw.
Monoliet
Monument of bouwdeel dat uit één stuk steen gehouwen is.
Monoloog
Deel van een toneelstuk gereciteerd door één acteur (alleenspraak).
Monopolie
Alleenrecht.
Theologie
Wetenschap over God, het goddelijke en godsdienst steunend op openbaring; godsgeleerdheid (stam: theo = god).
Monotheïsme
Geloof aan of verering van één God.
Atheïst
Iemand die het bestaan van een god ontkent.