Nederlands: Semantiek, Woordenschat en Grieks-Latijnse Bestanddelen

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/76

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Een uitgebreide set flashcards over semantische relaties, vocabulaire begrippen en Grieks-Latijnse woordstammen gebaseerd op de lesnotities.

Last updated 6:50 AM on 5/28/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

77 Terms

1
New cards

Semantiek

De studie die de betekenissen van taalkundige constructies zoals woorden en zinnen onderzoekt.

2
New cards

Denotatie

De neutrale betekenis van een woord.

3
New cards

Connotatie

De gevoelswaarde die gepaard gaat met een neutrale betekenis, bepaald door de maatschappij.

4
New cards

Pejoratief

Een woord met een negatieve connotatie, zoals 'wijf'.

5
New cards

Melioratief

Een woord met een positieve connotatie.

6
New cards

Eufemisme

Iets op een zachtere of vriendelijkere manier zeggen dat hard, pijnlijk, gênant of grof kan klinken.

7
New cards

Dysfemisme

Het gebruik van een hardere, grovere of negatievere uitdrukking in plaats van een neutrale.

8
New cards

Betekenisverruiming

Het proces waarbij een woord een ruimere betekenis krijgt.

9
New cards

Betekenisverenging

Het proces waarbij een woord een engere betekenis krijgt.

10
New cards

Synoniemen

Woorden die ongeveer dezelfde betekenis hebben, zoals 'lopen' en 'rennen'.

11
New cards

Antoniemen

Woorden met een tegengestelde betekenis, zoals 'hard' en 'zacht'.

12
New cards

Homoniemen

Woorden die er hetzelfde uitzien en hetzelfde klinken, maar een andere betekenis hebben (bv. bal als voorwerp of feest).

13
New cards

Homografen

Woorden die hetzelfde worden geschreven, maar anders worden uitgesproken en een andere betekenis hebben (bv. bédelen en bedélen).

14
New cards

Homofonen

Woorden die hetzelfde klinken, maar anders worden geschreven en een andere betekenis hebben (bv. hard en hart).

15
New cards

Superieur

Hoger, beter, edeler.

16
New cards

Neokoloniaal

Zich schuldig makend aan uitbuiting van voormalige kolonies.

17
New cards

Normaliseren

Standaardiseren, normaal worden.

18
New cards

Dubieus

Twijfelachtig.

19
New cards

De etniciteit

De culturele identiteit van een persoon.

20
New cards

Legitimeren

Rechtvaardigen.

21
New cards

Institutionaliseren

Formeel regelen.

22
New cards

Minimaliseren

Iets als onbeduidend voorstellen.

23
New cards

Idealiter

In het ideale geval.

24
New cards

Überhaupt

Eigenlijk, alles samen.

25
New cards

De solidariteit

De samenhorigheid.

26
New cards

De etymologie

De afkomst van woorden.

27
New cards

De consensus

De eensgezindheid.

28
New cards

Dehumaniseren

Ontmenselijken.

29
New cards

Assimileren

Opnemen, gelijkstellen.

30
New cards

De genocide

Volkerenmoord.

31
New cards

Genocidaal

Volkerenmoord bevattend.

32
New cards

Elementair

Basis, fundamenteel, essentieel.

33
New cards

De resolutie

Besluit van een vergadering.

34
New cards

De deportatie

Het gedwongen wegvoeren van mensen.

35
New cards

Fluïde

Vloeibaar, niet scherp begrensd.

36
New cards

De frivoliteiten

De lichtzinnigheden.

37
New cards

Tendentieus

Misleidend, vertekenend.

38
New cards

Dominant

Overheersend.

39
New cards

Efficiënt

Doeltreffend, effectief.

40
New cards

Primeren

Belangrijker zijn.

41
New cards

De kwalificatie

De geschiktheid.

42
New cards

Dynamisch

Beweeglijk, veranderlijk, energiek.

43
New cards

Subjectief

Bevooroordeeld, partijdig (tegenovergestelde van objectief).

44
New cards

Proclameren

Aan- of afkondigen.

45
New cards

a- (on-, niet)

Griekse woordstam die ontkenning aangeeft, zoals in apathisch (ongevoelig voor emoties).

46
New cards

auto- (zelf)

Griekse woordstam die naar zichzelf verwijst, zoals in autobiografie.

47
New cards

biblio- (boek)

Griekse woordstam die naar boeken verwijst, zoals in bibliografie of bibliofiel (boekenvriend).

48
New cards

bio- (leven)

Griekse woordstam die naar leven verwijst, zoals in biografie.

49
New cards

poly- (veel)

Woordstam die 'veel' betekent, zoals in polyvalent (gebruik voor verschillende doelen).

50
New cards

Post- (na)

Woordstam die 'na' betekent, zoals in postnataal (volgend op de geboorte).

51
New cards

Pseudo- (schijn, misleidend, vals)

Woordstam die schijn aangeeft, zoals in pseudoniem (schuilnaam).

52
New cards

Pyro- (vuur)

Woordstam die naar vuur verwijst, zoals in pyromaan.

53
New cards

-foob/-fobie

Woorddeel dat angst betekent, zoals in claustrofobie (vrees voor afgesloten ruimtes).

54
New cards

-maan/-manie

Woorddeel dat razernij of waanzin betekent.

55
New cards

Chronometer

Uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen (stam: chrono = tijd).

56
New cards

Chronologisch

Opeenvolging van tijdsmomenten, verloop van gebeurtenissen in de tijd.

57
New cards

Chronisch

Gebruikt bij ziekten met een langzaam verloop; langdurig of slepend.

58
New cards

Synchroon

Gelijktijdig of in de tijd samenvallend.

59
New cards

Synthese

Samenvatting van een artikel (stam: syn/sym = samen).

60
New cards

Synopsis

Korte inhoud van een boek, film of toneelstuk.

61
New cards

Symmetrisch

Zodanig verdeeld dat linker- en rechterzijde elkaars spiegelbeeld zijn.

62
New cards

Biografie

Levensbeschrijving (stam: graf/graaf/gram = schrijven).

63
New cards

Telegraaf

Toestel om met tekens berichten over afstanden over te brengen.

64
New cards

Cardiogram

Grafische voorstelling van de bewegingen van het hart.

65
New cards

Cineast

Regisseur van een film of filmer (stam: kine = bewegen).

66
New cards

Homogeen

Van dezelfde aard of samenstelling; gelijkslachtig (stam: homo = gelijk).

67
New cards

Homologeren

Goedkeuring of een gerechtelijke bekrachtiging, zoals het gelijkmaken van diploma's.

68
New cards

Metropool

Zeer grote stad of wereldstad (stam: polis/pool = stad).

69
New cards

Kosmopoliet

Iemand die de gehele wereld als zijn vaderland beschouwt; een wereldburger.

70
New cards

Monochroom

Eenkleurig (stam: mono = alleen, een).

71
New cards

Monogamie

Huwelijk van één man met één vrouw.

72
New cards

Monoliet

Monument of bouwdeel dat uit één stuk steen gehouwen is.

73
New cards

Monoloog

Deel van een toneelstuk gereciteerd door één acteur (alleenspraak).

74
New cards

Monopolie

Alleenrecht.

75
New cards

Theologie

Wetenschap over God, het goddelijke en godsdienst steunend op openbaring; godsgeleerdheid (stam: theo = god).

76
New cards

Monotheïsme

Geloof aan of verering van één God.

77
New cards

Atheïst

Iemand die het bestaan van een god ontkent.