Week 1 Algemene Principes van de Microbiologie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/75

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 12:19 PM on 4/18/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

76 Terms

1
New cards

Waarom zijn micro-organismen overal aanwezig?

Ze kunnen worden gedetecteerd met samplers, zoals agarplaten die in de lucht worden geënt.

2
New cards

Wat is het resultaat van agarplaten die een uur in een ruimte staan?

Deze vormen duidelijke afspiegelingen van bacteriën en schimmels in de lucht.

3
New cards

Hoe verschilt het microbioom tussen een volle en een lege practicumzaal?

Het microbioom verschilt sterk afhankelijk van de bezetting van de ruimte.

4
New cards

Welk percentage micro-organismen is doorgaans niet pathogeen?

Het merendeel, ongeveer 99%, is niet pathogeen.

5
New cards

Zijn er meer schadelijke of nuttige micro-organismen?

Er zijn waarschijnlijk meer nuttige dan schadelijke organismen.

6
New cards

Waarop richt de medische microbiologie zich?

Op micro-organismen met klinisch belang die ziektes bij mensen veroorzaken en relevant zijn voor de gezondheidszorg.

7
New cards

Welke vier groepen organismen vallen onder het klinisch belang van de medische microbiologie?

Bacteriën, virussen, schimmels en parasieten.

8
New cards

Wat is de taak van een klinisch microbioloog bij het analyseren van patiëntuitslagen?

Het organisme identificeren en de juiste behandeling bepalen.

9
New cards

Met welke patiëntfactoren houdt de microbioloog rekening bij de behandeling?

Factoren zoals leeftijd, conditie en risicogroep.

10
New cards

Met welke specialist werkt de klinisch microbioloog vaak samen?

Met een internist.

11
New cards

Wat is een empirische behandeling bij een infectie?

Een startbehandeling op basis van epidemiologie met een breed spectrum tegen de meest voorkomende verwekkers.

12
New cards

Hoe preciseert de microbioloog later de verwekker?

Via onderzoek van bloed, urine of andere lichaamsvloeistoffen.

13
New cards

Wat bepaalt de microbioloog naast de identiteit van de verwekker?

De gevoeligheid van de verwekker voor antibiotica voor een gerichtere therapie.

14
New cards

Hoelang duurt het meestal voordat uitslagen van microbiologisch onderzoek bekend zijn?

Vaak enkele dagen.

15
New cards

Zijn medisch microbiologen meestal direct betrokken bij de patiëntenzorg?

Nee, meestal zijn zij niet direct betrokken.

16
New cards

Hoe ontstaat een infectie?

Door interactie tussen een micro-organismen en een gastheer.

17
New cards

Van welke factoren hangt de ernst van een infectie af?

Van de infectieuze dosis, virulentie, transmissie en de immuunstatus van de gastheer.

18
New cards

Wat is de definitie van transmissie?

Het mechanisme waarmee een pathogeen de gastheer bereikt.

19
New cards

Wat is het verschil tussen directe en indirecte transmissie?

Direct is mens-op-mens (bv. hoesten), indirect is via een oppervlak (bv. een tafel aanraken).

20
New cards

Welke transmissieroutes worden er onderscheiden?

Feco-oraal, bloed-bloed, aerogeen en vector-gebaseerd.

21
New cards

Op welke vier kernpunten richt de klinisch microbioloog zich?

Identificatie, pathogenese, behandeling en preventie.

22
New cards

Waar bevinden zich de meeste niet-humane cellen op het menselijk lichaam?

Voornamelijk op de huid, in de neus, mond en het maag-darmkanaal.

23
New cards

Waarom veroorzaken bacteriën van de normale flora zelden problemen op hun natuurlijke plek?

Omdat ze niet-invasief zijn en in 'buitenwereld'-delen blijven.

24
New cards

Wanneer kan normale flora wel ziektes veroorzaken?

Wanneer ze op de verkeerde locaties in het lichaam terechtkomen.

25
New cards

Hoe voorkomt de normale flora kolonisatie door pathogenen?

Via competitie om ruimte en voedingsstoffen.

26
New cards

Welke lichaamsprocessen ondersteunt de normale flora?

De spijsvertering en de productie van vitamines zoals foliumzuur en vitamine K.

27
New cards

Wat gebeurt er bij contaminatie tijdens monsterneming?

Een sample raakt besmet met micro-organismen van buiten de afnamelocatie.

28
New cards

Wat is het risico van contaminatie bij een diagnose?

Het kan leiden tot een verkeerde diagnose en onjuiste behandeling.

29
New cards

Wanneer wordt contaminatie in een laboratorium bewust toegepast?

Voor onderzoeksdoeleinden.

30
New cards

Wat wordt verstaan onder kolonisatie?

De aanwezigheid van een micro-organisme zonder weefselreactie of symptomen.

31
New cards

Hoe kan antibiotica leiden tot een verandering in kolonisatie?

Het is vaak niet-selectief, doodt meerdere soorten en creëert ruimte voor nieuwe kolonisatoren.

32
New cards

Wat is het kenmerk van een infectie ten opzichte van kolonisatie?

Micro-organismen dringen binnen en veroorzaken een weefselreactie met symptomen of ziekte.

33
New cards

Waarvan is de infectieuze dosis afhankelijk?

Van het organisme, de route en de gezondheid van de gastheer.

34
New cards

Wat is het verschil in risico tussen een hoge en een lage infectieuze dosis?

Bij een hoge dosis zijn veel pathogenen nodig, bij een lage dosis (vaak virussen) is het risico op ziekte groter.

35
New cards

Wat geeft de R-waarde aan?

Het gemiddeld aantal mensen dat door één besmette persoon wordt geïnfecteerd.

36
New cards

Wat meet de R0-waarde specifiek?

De basale besmettelijkheid in een immuun naïeve populatie.

37
New cards

Waarom sterven mensen in de Westerse wereld minder vaak aan infectieziekten?

Door betere behandeling, waardoor men vaker sterft aan ouderdomsziekten zoals kanker.

38
New cards

Welk percentage ziekenhuispatiënten krijgt antibiotica?

Ongeveer 30% van de patiënten.

39
New cards

Hoeveel patiënten krijgen gemiddeld een nosocomiale infectie in het ziekenhuis?

1 op de 10 patiënten.

40
New cards

Wat is de gemiddelde grootte van een bacterie?

500 tot 800 nm.

41
New cards

Waarin verschillen bacteriën van virussen wat betreft replicatie?

Bacteriën zijn zelfstandig repliceerbaar.

42
New cards

Wat is de standaardbehandeling voor bacteriële infecties?

Antibiotica.

43
New cards

Noem voorbeelden van bacteriële infecties?

Lyme, luchtweginfecties, meningitis, urineweginfecties en pneumonie.

44
New cards

Uit welke twee delen bestaat de wetenschappelijke naamgeving van een bacterie?

Genus (met hoofdletter) en soort.

45
New cards

Wat betekent de naam "Streptococcus pyogenes" etymologisch?

Keten van bolletjes die pus genereert.
Etymologie voorbeeld: "Streptococcus" (strepto=ketens, coccus=bolletjes); "pyogenes" (pyo=pus, genes=genereert).

46
New cards

Wat zijn de twee belangrijkste kernkenmerken voor de classificatie van bacteriën?

De Gramkleuring en de microscopische verschijning.

47
New cards

Welke kleur krijgen gramnegatieve bacteriën bij een Gramkleuring?

Rood of roze.

48
New cards

Welke kleur krijgen grampositieve bacteriën bij een Gramkleuring?

Blauwpaars.

49
New cards

Wat is het structurele verschil in de celwand tussen gramnegatieve en grampositieve bacteriën?

Gramnegatief heeft een dubbele membraan met dunne peptidoglycaanlaag, grampositief heeft een dikke peptidoglycaanlaag.

50
New cards

Waarom kleuren grampositieve bacteriën blauwpaars?

De dikke peptidoglycaanlaag houdt de kristalviolet-lugol-kristallen vast.

51
New cards

Welke bacterie is een bekend voorbeeld van een verwekker die ongevoelig is voor Gramkleuring?

Mycobacterium tuberculosis.

52
New cards

Welke vier microscopische basiscombinaties zijn er bij bacteriën?

Grampositieve kokken, grampositieve staven, gramnegatieve kokken en gramnegatieve staven.

53
New cards

Waarom is een Gramkleuring klinisch relevant ondanks dat er aanvullende tests nodig zijn?

Het is een snelle methode (30 min) die helpt bij de antibioticakeuze voordat de kweek klaar is.

54
New cards

Op welke materialen kan een Gramkleuring direct worden toegepast?

Op pus, gewrichtsvloeistof en hersenvocht.

55
New cards

Noem drie verschillen tussen grampositieve en gramnegatieve bacteriën buiten de kleur?

Gevoeligheid voor antibiotica, veroorzaakte ziektebeelden en overlevingsvermogen.

56
New cards

Wat betekent de term 'obligaat intracellulair' voor virussen?

Ze kunnen alleen groeien in een gastheercel en niet zelfstandig.

57
New cards

Hoe groot is een virus gemiddeld?

50 tot 300 nm.

58
New cards

Welke mechanismen gebruikt een virus om zich te vermenigvuldigen?

De eukaryote replicatiemechanismen van de gastheer.

59
New cards

Noem voorbeelden van virale infecties?

Rhinovirus, herpes, influenza, hiv/aids en coronavirussen.

60
New cards

Waarom is de behandeling van virussen vaak moeilijk?

Er zijn weinig specifieke antivirale middelen.

61
New cards

Welke behandelingsopties zijn er voor virale infecties?

Replicatieremmers, symptoombestrijding en ondersteuning van vitale functies.

62
New cards

Op welke kenmerken kan de naamgeving van een virus gebaseerd zijn?

Isolatieplek, ontdekker, ziekte, microscopisch beeld, cytopathologie of biochemische kenmerken.

63
New cards

Welk onderscheid wordt er gemaakt op basis van het genetisch materiaal van virussen?

Of het DNA of RNA is, en of het enkel- of dubbelstrengs is.

64
New cards

Waarom kan een virus zelf geen eiwitten maken?

Omdat het afhankelijk is van de gastheer voor de synthese van macromoleculen.

65
New cards

Hoe verwerkt het hiv-virus zijn genetisch materiaal in de gastheer?

Via reverse-transcriptase wordt RNA omgezet in cDNA, wat integreert in het gastheer-DNA.

66
New cards

Hebben virussen een eigen energiemetabolisme?

Nee, ze produceren geen ATP en zijn volledig afhankelijk van de gastheer.

67
New cards

Wat is het belangrijkste gevolg van het gebrek aan eigen metabolisme bij virussen?

Ze kunnen niet overleven of vermenigvuldigen buiten een gastheercel.

68
New cards

Wat voor soort organismen zijn schimmels?

Complexe, grote eukaryote organismen.

69
New cards

Welke twee stadia kunnen schimmels hebben?

Een eencellige gistvorm en een meercellige schimmelvorm.

70
New cards

Wanneer zijn opportunistische schimmels vooral gevaarlijk?

Bij mensen met een verzwakt immuunsysteem.

71
New cards

Noem voorbeelden van infecties door schimmels?

Voetschimmel, huiduitslag, meningitis en aspergillose.

72
New cards

Bij welke groep patiënten verlopen schimmelinfecties vaak ernstig?

Bij immuungecompromitteerden.

73
New cards

Welke drie subgroepen parasieten worden onderscheiden?

Protozoa, helminthen (wormen) en ectoparasieten.

74
New cards

Welke parasiet veroorzaakt malaria?

Plasmodium (een protozoa).

75
New cards

Wat is een voorbeeld van een ectoparasiet?

De hoofdluis.

76
New cards