1/164
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Adaptieve radiatie
De diversificatie van een voorouderlijke groep organismen in nieuwe vormen die zijn aangepast aan specifieke omgevingsniches.
adaptieve zone
levenswijze, karakteristieke respons op de omgeving, waarin organismen kunnen leven (ecologische niche)
Allopatrische speciatie
soortvorming door geografische isolatie of migratie van de voorouder
allopolyploïden
Organisme met meerdere sets chromosomen afkomstig van twee of meer soorten, gevolg van hybridisatie
allozygoot
Heterozygoten en homozygoten die hun allelen niet van een gemeenschappelijke voorouder kregen.
altruïsme
vertonen van gedrag dat erop gericht is de fitness van andere individuen te verhogen ten koste van de eigen overleving en reproductief succes
Anagenetische speciatie
De accumulatie van relatief kleine, progressieve, evolutionaire veranderingen gedurende lange tijdsreeksen in één enkele evolutionaire lijn
anisogamie
Gameten met verschillende proporties
assortatief paren
natuurlijke selectie met een voorkeur voor bepaalde partners op basis van fenotypische kenmerken
Autopolyploïden
Organismen die meer dan twee chromosomensets hebben afkomstig van één enkele soort.
autozygoot
Wanneer een gen homozygoot is omdat het de allelen voor dat locus van een gemeenschappelijke voorouder kreeg.
biologisch soortconcept
Definieert soorten als kruisende populaties die reproductief geïsoleerd zijn van andere dergelijke populaties.
catastrofeleer
Elke nieuwe samenstelling van fossielen weerspiegelt een lokale catastrofe, die gevolgd wordt door kolonisatie van immigranten vanuit andere niet getroffen regio's.
Cladogenetische speciatie
Patroon waarbij twee of meer populaties van een ancestrale soort via splitsing en divergentie elk evolueren tot twee of meerdere nieuwe soorten.
Common-garden experimenten
Experimenten waarin individuen onder identieke omstandigheden opgekweekt worden.
Continentendrift
Het heel traag verschuiven van de continenten doorheen de tijd.
directe fitness
genen die een individu in zijn/haar nakomelingen overdraagt
Directionele selectie
Selectie voor één allel over andere allelen, waardoor de allelfrequenties in één richting verschuiven.
Disruptieve selectie
Evolutionair proces waarbij fenotypes met extreme waarden (hoog en laag) tegelijkertijd een voordeel hebben
Exaptaties
Evolutionaire nieuwigheid ontstaan via de graduele verfijning van bestaande structuren voor nieuwe functies.
Extra-paar copulaties
In monogame soorten partners van beide geslachten toch deelnemen aan heimelijke paringen met andere partners
Fylogenetisch soortconcept
Een soort wordt gedefinieerd als 'de kleinst diagnoseerbare, monofyletische cluster van individuen'.
fysiologie
wetenschap die processen in mensen, dieren en planten bestudeert
Gametische isolatie
Pre-zygotische barrière. Indien copulatie 'wel' plaats kan vinden, kunnen moleculaire en/of chemische verschillen tussen de soorten effectieve bevruchting verhinderen.
Gedrags- of seksuele isolatie
Pre-zygotische barrière. Verhindering van copulatie omdat de 'soort specifieke' gedragingen verschillen.
Gene flow
Genetische uitwisseling
Genetisch reservoir
Een 'reservoir' dat alle allelen omvat van alle verschillende genen die in een welbepaalde populatie aanwezig zijn.
Gradualisme
Grote geologische veranderingen vormen het cumulatieve product van trage maar continue geologische processen.
Gradueel evolutiemodel (Gradualism model)
Paleontologisch evolutiemodel. Verondersteld het optreden van graduele evolutie van adaptieve kenmerken binnen populaties over lange tijdsperioden. Overgangsvormen zouden schaars zijn ten gevolge van de onvolledigheid van fossiele gegevens en dat enkel skeletale veranderingen weerspiegeld worden.
Habitat isolatie
Pre-zygotische barrière. Verhindering van copulatie omdat de twee soorten in gescheiden biotopen voorkomen.
Habituatie
Graduele afname in de sterkte van een respons ten gevolge van repetitieve blootstelling aan irrelevante stimuli
Hardy-Weinberg theorema
Nulmodel, model dat voorspelt wat zal gebeuren als er géén selectie optreedt. Theorema stelt dat de frequentie van allelen en genotypes in het genetisch reservoir van een populatie niet wijzigt tussen generaties in afwezigheid van andere krachten dan Mendeliaanse segregatie en recombinatie van allelen.
Homologe kenmerken
afgeleid van eenzelfde structuur in een gemeenschappelijke voorouder
homoplastische kenmerken
Kenmerken die er gelijkaardig uitzien ten gevolge van gelijkaardige functies, maar niet verwijzen naar een gemeenschappelijke voorgeschiedenis.
Hybrid breakdown
Wanneer een paring tussen twee F1 individuen toch leidt tot een F2 hybride, maar deze nakomelingen echter niet kunnen reproduceren. (vb: muilezel, lijger)
Hybridisatiezones
Gebieden waar divergerende soorten met elkaar in contact komen en met elkaar hybridiseren. Meestal kleiner dan parentale populaties.
Inclusieve selectie
De som van directe fitness en indirecte fitness.
Indirecte fitness
Genen die een individu 'helpt' over te dragen in de nakomelingen van zijn/haar verwanten.
Indirecte selectie
Type natuurlijke selectie dat inclusieve fitness verhoogt via het reproductief succes van naaste verwanten.
Infanticide
Doden van de aanwezige jongen in een groep wanneer deze overgenomen wordt door een nieuw mannetje of mannetjes.
Instinct
Aangeboren gedrag
Inteelt depressie
Een verlaging in fitness wegens inteelt
Inteeltcoëfficiënt = F
Geeft de kans weer dat een willekeurig individu uit een populatie autozygoot is. (0 < F < 1)
Lekgedrag
Mannetjes die op traditionele plaatsen in groepen baltsgedrag vertonen en daarbij zeer kleine territoria verdedigen tegen seksgenoten
Mechanische isolatie
Pre-zygotische barrière. Verhindering van copulatie omdat de respectievelijke morfologische structuren niet aan elkaar aangepast zijn.
Micro-evolutie
Verandering van allelfrequenties in een populatie
Monofyletisch
afkomstig van een gemeenschappelijke voorouder
Monogame soorten
Soorten waarbij elk mannetje maar met één vrouwtje paart per voortplantingsseizoen.
Morfologie
Tak in de biologie die de vorm en bouw van organismen bestudeert.
Morfologisch soortconcept
Volgens dit soortconcept worden soorten afgebakend aan de hand van structurele kenmerken.
Mutaties
Veranderingen in de genen van een organisme
Onderbroken evenwichtsmodel (Punctuated equilibrium model)
Paleontologisch evolutiemodel. Veronderstelt dat fossiele gegevens niet onvolledig zijn, maar dat ze de evolutiepatronen wel degelijk accuraat weergeven. Volgens dit model worden lange perioden van stasis onderbroken door 'korte' perioden van snelle speciatie.
Operationele seks ratio
De ratio van mannetjes ten opzichte van vrouwtjes die beschikbaar zijn voor paring.
Parental effort
De sommatie van alle parentale investeringen in alle nakomelingen die tijdens de levensloop van een individu worden gereproduceerd.
Polygamie
Het bevruchten van eicellen van meerdere vrouwtjes tijdens hetzelfde voorplantingsseizoen
Polygenisch
Kenmerk waarbij verschillende genen betrokken zijn bij de expressie.
Polygynandrie
Paarsysteem waar verschillende mannetjes met verschillende vrouwtjes paren.
Polygynie
Wanneer één vrouwtje met verschillende mannetjes paart.
Post-zygotische barrières
Reproductief isolerend mechanisme ná de bevruchting
Pre-zygotische barrières
Reproductief isolerend mechanisme vóór de bevruchting.
Proximate factoren
Onderliggende genetische en fysiologische processen die een bepaald gedrag veroorzaken. Hoe een bepaald gedrag tot stand komt.
Reactienorm (van een genotype)
De set aan fenotypen die een genotype onder verschillende omgevingscondities kan produceren
Rudimentaire structuren
Kenmerken uit een vroeger stadium die door evolutie overbodig zijn geworden maar nog wel zichtbaar zijn
Seksuele selectie
Type natuurlijke selectie, treedt in werking wanneer individuen variatie vertonen in hun vermogen om competitie te voeren voor partners.
Stabiliserende selectie
Intermediaire fenotypische vorm doet het beter dan de twee extremen.
Sympatrische speciatie
Ontstaan van een nieuwe soort binnen dezelfde geografische regio van de parentale soort.
Temporele isolatie
Pre-zygotische barrière. Verhindering van copulatie omdat de twee soorten op verschillende momenten reproduceren.
The inheritance of acquired characteristics
Principe waarmee Lamarck stelde dat veranderingen die organismen verwezenlijken tijdens hun leven kunnen doorgegeven worden aan nakomelingen in volgende generaties.
Ultimate factoren
Waarom een bepaald gedrag tot stand komt
Use and disuse
Principe waarmee Lamarck stelde dat intensief gebruikte lichaamsdelen groter en sterker worden, terwijl niet gebruikte delen een tegenovergestelde tendens vertonen.
Verwantschapscoëfficiënt = r
De kans dat twee individuen hetzelfde allel van een gemeenschappelijke voorouder overerven. (r = 0,5 tussen een ouder en een nakomeling)
(Populatie)densiteit
Het aantal individuen per oppervlakte- of volume-eenheid
Cascade-effecten
'Secundaire' extincties als gevolg van 'primaire' extincties. (vb: carnivoren die uitsterven omdat hun prooi uitgestorven is)
Declining population paradigma
Denkrichting die aandacht besteed aan manieren om patronen van populatie-afnames te detecteren, diagnoseren en remediëren.
Demografische stochasticiteit
Groot onderliggend mechanisme van populatie-afname. Weerspiegelt random variatie in geboorte- en sterfteratio's die door kanseffecten tot extinctie kan leiden.
Densiteitsafhankelijke populatieregulatie
Regulatie die optreedt wanneer de sterkte van het regulerende effect van een omgevingsparameter afhangt van de densiteit van de populatie.
Densiteitsonafhankelijke populatieregulatie
Regulatie die optreedt wanneer de sterkte van het regulerende effect van een omgevingsparameter niet afhangt van de densiteit van de populatie
Deterministisch
Geen toeval, de gevolgen kunnen afgeleid worden uit de oorzaken.
Dispersie
Beweging van individuen tussen verschillende populaties.
Draagkracht = K
Theoretische maximale populatiewaarde.
Ecologisch specialisatiemodel
Hypothese die stelt dat generalisten meer algemeen en wijdverbreid zullen zijn.
Exponentiële populatiegroei
Populatiegroei die wordt uitgezet in een typische J-vormige curve.
Fecunditeit
Potentiële capaciteit om nakomelingen te produceren
Geaggregeerde distributie
Het meest algemeen ruimtelijk distributiepatroon die ontstaat wanneer individuen geconcentreerd zijn in welbepaalde delen van de habitat.
Generalisten
Soorten die een brede waaier aan hulpbronnen kunnen exploiteren.
Genetische stochasticiteit
Groot onderliggend mechanisme van populatie-afname. Aangezien evolutie niet kan optreden in afwezigheid van genetische variatie, kan het verlies aan genetische variabiliteit aanleiding geven tot extinctie.
Groeiratio = r
Ratio van verandering in aantal individuen van een populatie.
Ideal free distribution
Wanneer individuen zich volledig vrij kunnen bewegen tussen verschillende habitats
Intrinsieke groeiratio = r max
Maximum ratio waarmee een populatie kan toenemen onder ideale omstandigheden (d.w.z. wanneer hulpbronnen niet limiterend zijn en de initiële densiteit laag is).
Iteropaar
Soorten die zich herhaaldelijk voortplanten tijdens hun levenscyclus
Key-factor analyse
Een benadering om de dynamiek van natuurlijke populaties te bestuderen. Onderliggende oorzaken van veranderingen in populatiegrootte worden geanalyseerd via het opstellen van levenstabellen en een retrospectieve analyse van jaarlijkse veranderingen in mortaliteit en reproductie.
K-geselecteerde soorten
Soorten waarbij vooral levenskenmerken worden aangetroffen die de kans op overleving maximaliseren in een omgeving waarbij het aantal individuen van een populatie zich dicht bij de draagkracht (=K) bevindt.
Levins' metapopulatie model
Model van metapopulatiedynamiek dat toelaat welke proportie van alle habitatvlekken bezet is op een welbepaald tijdstip als vergelijking van de kansen op extinctie en kolonisatie.
Limiterende factor
Een factor die een verandering in gemiddelde of evenwichtsdensiteit veroorzaakt.
Logistische populatiegroei
Populatiegroei die wordt uitgezet met een curve waarbij r evolueert naar 0, weergegeven door een S-vorm.
Lokaal Populatiemodel
Model waarin populaties ruimtelijk opgedeeld zijn in kleine, discrete deelpopulaties die onderling met elkaar verbonden zijn via uitwisseling van individuen.
Mainland-island model
Complexer metapopulatiemodel waarin de kans op uitsterven van de populatie in het vasteland (mainland) vrijwel wordt gereduceerd tot nul, en de kans op kolonisatie niet langer toeneemt met het aantal bezette habitatplekken, daar zo goed als alle immigranten afkomstig zijn van het vasteland.
Merk-hervangst
Methode om het aantal individuen in populatie te schatten
Metapopulatie
Een set van afzonderlijke, ruimtelijk gescheiden deelpopulaties die geschikte habitats zoals meren, woestijnoases of bosfragmenten bezetten. Elke deelpopulatie wordt hierbij gekenmerkt door specifieke demografische eigenschappen.
Minimum Leefbare Populatie (Minimum Viable Population (= MVP))
De populatiegrootte waarmee een populatie gedurende een welbepaalde periode met een welkbepaalde waarschijnlijkheid zal overleven.