DNA-project blok 5

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/108

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 10:24 AM on 6/4/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

109 Terms

1
New cards

Waaruit is desoxyribonucleïnezuur opgebouwd?

- Fosfaatgroep

- Suikergroep (deoxyribose)

- Stikstofbase (adenine, cytosine, guanine en thymine)

--> polymeer van nucleotiden

2
New cards

Welke basenparen komen voor (complementaire basenparen)? Hoe zijn de basenparen aan elkaar gebonden?

- A-T --> twee waterstofbruggen

- C-G --> drie waterstofbruggen

3
New cards

Humane genoom

Het volledige DNA in de celkern van menselijke cellen.

4
New cards

Is een menselijke cel eukaryoot of prokaryoot?

Eukaryoot --> heeft een celkern

5
New cards

Histonen

Eiwitten waar DNA omheen is gewikkeld

6
New cards

Nucleosoom

Een groep van 8 histonen met daaromheen een DNA-streng

7
New cards

Supercoiling

De streng DNA gaat zich steeds strakker om zich heen wikkelen.

8
New cards

Uiteinden DNA

Bindingen tussen de nucleotiden van de DNA-streng:

- Vrije OH-groep aan het derde koolstofatoom

- Vrije PO4-groep aan het vijfde koolstofatoom

--> binden met elkaar

- 3' einde verwijst naar derde koolstofatoom van laatste deoxyribose (vanaf zuurstofgroep)

- 5' einde verwijst naar vijfde koolstofatoom van eerste deoxyribose

--> Twee strengen antiparallel

9
New cards

Wat is de functie van de uiteinden?

- 3' einde --> dient als groeipunt

- 5' einde --> helpt bij initiëren replicatie (fosfaatgroep --> energie)

10
New cards

Wat is transcriptie?

Het vertalen van de genetische code op het DNA naar streng mRNA.

11
New cards

mRNA

Boodschappermolecuul dat informatie uit het DNA overbrengt naar het ribosoom --> kopie van coderende streng

12
New cards

Waar vindt eiwitsynthese plaats?

In de ribosomen in het cytoplasma en aan het ER.

13
New cards

Transcriptie

Het proces waarbij DNA wordt afgelezen om eiwitten te maken.

14
New cards

Wat is het verschil tussen DNA en RNA?

DNA:

- Dubbelstrengs

- Suikergroep deoxyribose

- Stikstofbase thymine

RNA:

- Enkelstrengs

- Suikergroep ribose

- Stikstofbase uracil (A)

15
New cards

Endonucleasen

Een enzym dat DNA kan knippen door op plaatsen met een specifieke herkenningssequentie een dubbelstrengsbreuk aan te brengen.

16
New cards

Waarom wordt SDS gebruikt in DNA-isolatie?

Kan eiwitten oplossen --> denatureren

17
New cards

Waarom wordt proteïnase K gebruikt in DNA-isolatie?

- Proteïnase K splist peptidebinding onder opname van water.

- Proteïnase K werkt beter in combinatie met SDS.

18
New cards

Waarom wordt alchol gebruikt bij DNA-isolatie?

Door ethanol toe te voegen slaat DNA uit de oplossing neer (minder goed oplosbaar in alcohol dan in water) --> twee lagen --> DNA verwijderen.

19
New cards

Promotor

De plek waaraan RNA-polymerase bindt --> begin transcriptie.

20
New cards

Waaraan kun je bij eukaryoten meestal een promotor herkennen?

TATA-box: een korte sequentie die begint met TATA.

21
New cards

mRNA modificatie

- Initiatie --> transcriptiefactoren, regulerende eiwitten, binden aan DNA, bij de TATA-box --> RNA-polymerase kan aan DNA binden --> begin transcriptie

- Elongatie --> RNA-polymerase haalt strengen uit elkaar --> maakt nieuwe mRNA streng vast aan de template DNA-streng (met Uracil) --> altijd van 3' van template naar 5'

- Terminatie --> RNA-polymerase stopt en valt van template --> pre-mRNA komt vrij te ligen

22
New cards

Wat is de functie van RNA-polymerase?

Het kopiëren van DNA naar RNA tijdens het proces van transcriptie.

23
New cards

rRNA (ribosomaal RNA)

Zorgt tijdens translatie voor de vorming van peptidebindingen tussen aminozuren (meest voorkomend 80% van RNA)

24
New cards

tRNA (transfer RNA)

- Translatie vindt plaats door tRNA in cytoplasma.

- Vervoert aminozuren naar de ribosomen --> eiwitsynthese

- Heeft zowel een aminozuur als een anticodon aan zich gebonden (CUG in mRNA koppelt aan GAC op tRNA)

25
New cards

miRNA

Binden aan mRNA en verhinderen hierdoor translatie (eiwitsynthese) + snelle afbraak mRNA

26
New cards

snRNA (small nucleair RNA)

Reguleren splicing van pre-mRNA naar mRNA

27
New cards

RNA-processing

Het bewerken van pre-mRNA tot mRNA.

28
New cards

Splicing

- Intronen en exonen worden van elkaar gescheiden.

- Exonen (coderend DNA, klein) worden aan elkaar geplakt --> mRNA.

29
New cards

Doel splicing

Door splicing kan een groter aantal exonen tot uiting komen in het fenotype, wat kan leiden tot een snellere evolutie.

30
New cards

Capping

Guanine kop aan de voorkant van de streng, en een poly-A-staart komt eraan. Dan is het officieel mRNA. De cap en staart is om te beschermen.

31
New cards

Startcodon begin translatie

AUG (methionine) op het mRNA, wordt herkend door ribosomen

32
New cards

Wat vindt plaats in het ER en Golgi-apparaat tijdens translatie?

Het afmaken van het (functionerend) eiwit --> suikergroep en andere groep toevoegen.

33
New cards

Codon

Bestaat uit drie stikstofbasen --> triplet

34
New cards

Hoeveel aminozuren zijn er?

- 20 --> 4x4x4 = 64 verschillende codons

- Meerdere codons coderen voor hetzelfde aminozuur

35
New cards

Wanneer wordt de translatie beëindigd?

Stopcodon --> releasing factor bindt, waardoor de streng aminozuren (eiwit) los wordt gekoppeld. Het complex van ribosomen valt uit elkaar.

36
New cards

Wat is een eiwit?

- Aminozuren (NH2-groep, carboxylgroep en onderscheidende restgroep) door een peptidebinding gekoppeld

- Functies: opbouw weefsel en spieren, transport, enzymen, hormonen, immuunsysteem)

37
New cards

Niveaus structuur eiwit

- Primair: aminozuursequentie

- Secundair: alfa-helix (spoel), bètasheet (plaat)

- Tertiair: opvouwen secundaire structuur tot driedimensionale structuur

- Quarternaire structuur: samenvouwen van twee of meerdere polypeptiden tot eiwit

38
New cards

Post-translationele modificatie

- Chemische veranderingen die eiwitten ondergaan na translatie.

- Pre-eiwit wordt normaal eiwit bijv. door toevoegen functionele groepen of stukken weghalen. De structuur bepaalt de vouwing, wat de functie bepaalt.

39
New cards

Hoe wordt een eiwit afgebroken?

Proteolyse --> ubiquitine (klein eiwit) bindt aan een eiwit dat moet worden afgebroken --> markering (ubiquitinatie) --> proteasomen breken het eiwit af met behulp van enzymen door peptidebindingen te verbreken door hydrolyse.

40
New cards

Wat is epigenetica?

- Vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van omkeerbare erfelijke veranderingen in de genexpressie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie van het DNA in de celkern.

- Methode om een cel te definiëren.

41
New cards

Twee epigenetische veranderingen

- Aanpassingen in het DNA zelf

- Aanpassingen aan de histoneiwitten

--> Beïnvloeden mate van genexpressie, doordat het DNA meer of minder toegankelijk wordt voor transcriptiefactoren.

42
New cards

Welke groepen zorgen ervoor dat histonen minder strak zijn opgerold, waardoor het DNA beter kan worden afgelezen?

Acetylgroepen

43
New cards

Wat is DNA-methylering?

- Het toevoegen van een methylgroep (CH3) aan de nucleotide cytosine.

- Cytosine moet altijd naast guanine staan voor methylering

- Jong --> meer methylering

- Oud --> genexpressie --> meer ziekten tot uiting

44
New cards

Wat gebeurt er als de promotor gemethyleerd is?

Transcriptie niet meer mogelijk --> DNA namelijk veranderd --> kan leiden tot ziekten

45
New cards

Welk enzym zorgt voor methylering van cytosine?

Methyltransferase

46
New cards

Wat is de rol van 'histon modificaties'?

- Histoneiwitten kunnen ook gemethyleerd worden

- Methylgroep bindt aan aminozuur lysine --> transcriptie onmogelijk

- Reguleren chromatinestructuur en genexpressie

47
New cards

Hoe beïnvloeden small RNA's genexpressie van eiwit-coderende genen?

- Invloed door complementaire binding aan messenger-RNA (mRNA) moleculen, wat leidt tot remming van eiwitsynthese of afbraak van het mRNA.

- Het reguleren van de genexpressie maakt het voor cellen mogelijk om verschillende eiwitten te produceren op het moment dat de cel ze nodig heeft.

48
New cards

Genexpressie

Het tot uiting komen van een gen --> geeft iedere cel zijn eigen gedifferentieerde karakter of functie

49
New cards

Wat zijn de Wetten van Mendel?

- Dominantie Wet

- Splitsingswet

- Onafhankelijkheidswet

50
New cards

Dominantiewet

- HH en hh (P-generatie) krijgen alleen maar Hh nakomelingen (F1-generatie)

- Fenotypisch allemaal dominante kenmerk

51
New cards

Splitsingswet

Hh x Hh geeft een verhouding geeft een verhouding van 3:1 (dominant:recessief) wat betreft fenotype en 1:2:1 wat betreft genotype --> nakomelingen verschillen van elkaar (F2-generatie)

52
New cards

Onafhankelijkheidswet

De verschillende kenmerken worden onafhankelijk van elkaar overgeërfd, indien ze op verschillende chromosomen liggen.

53
New cards

Wat is een gen?

- Een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor één erfelijke eigenschap

- De plaats van een gen in een chromosoom wordt de locus genoemd, het homologe chromosoom ligt op dezelfde locus.

54
New cards

Allel

- Een bepaalde variant van een gen.

- Een gen bestaat uit twee allelen.

55
New cards

Wat is een chromosoom?

- Een drager van een deel van het erfelijk materiaal van een organisme.

- Iedere lichaamscel heeft 23 chromosoomparen (46 chromosomen).

56
New cards

Autosomen

- Alle chromosomen behalve de geslachtschromosomen.

- Qua lengte en vorm twee aan twee gelijk aan elkaar.

57
New cards

Heterosomen

- Chromosomen die het geslacht bepalen

- X-chromosoom is stabieler en draagt veel meer genen dan het Y-chromosoom

58
New cards

Wat zijn de verschillende fases van de celcyclus?

- Interfase:

* G0-fase

* G1-fase

* S-fase

* G2-fae

- M-fase (mitose)

* Profase

* Metafase

* Anafase

* Telofase

59
New cards

Interfase

- Het stadium tussen twee op elkaar volgende mitosen

- Grootste gedeelte eukaryote celcyclus

- Chromosomen niet microscopisch waarneembaar

60
New cards

G0-fase

Rustfase waarin geen celdelingen plaatsvinden

61
New cards

G1-fase

- Voorbereiding op DNA-synthese OF differentiëren

- Cel wordt groter

- Checkpoint: klaar voor replicatie? --> cyclines

62
New cards

S-fase

- Cel groeit verder

- DNA-replicatie (chromosomen / DNA-streng verdubbeld)

63
New cards

G2-fase

- Voorbereiding op kerndeling

- Controle op kopieerfouten (checkpoint)

64
New cards

Mitose

Celdeling van een cel naar twee identieke cellen.

65
New cards

Profase

- 46 chromosomen (92 chromatiden) in de cel

- Chromatinedraden gespiraliseerd --> kort, dik, zichtbaar

- Kernmembraan en kernlichaampjes verdwijnen

- Spoellichamen / centrosomen worden zichtbaar uiteinde cel

- Late profase / prometafase: vanuit de spoellichamen ontstaan trekdraden

66
New cards

Metafase

- Chromosomen nog korter en dikker (verder oprollen --> prometafase)

- Chromatiden bewegen naar midden van de cel (equatorvlak), gaan op een rijtje liggen

- Trekdraden ontstaan en binden aan centromeer (plek waar twee zusterchromatide aan elkaar binden)

- Checkpoint: trekdraden goed aangehecht?

67
New cards

Anafase

- Twee chromatiden van ieder chromosoom worden door de trekdraden naar de polen getrokken

- Beide helften nu 46 chromosomen

68
New cards

Telofase

- Aangekomen bij de polen gaan ze despiraliseren (lang, dun, minder zichtbaar)

- Spoellichamen / centrosomen verdwijnen

- Kernlichaampjes weer zichtbaar

- Elke celkern bevat 46 chromosomen (23 paren) --> 1 cel, twee celkernen

69
New cards

Cytokinese

- Mitose klaar

- Ontstaan twee cellen

- Cytoplasma wordt verdeeld --> 23 paar chromosomen, diploïde cellen (2n)

70
New cards

Meiose

Meiose of reductiedeling is een combinatie van opeenvolgende kerndelingen, waardoor haploïde kernen ontstaan uit een diploïde kern. Meiose omvat meiose I en meiose II

71
New cards

Profase I

- Langer dan bij mitose

- 46 chromosomen, 92 chromatiden

- Homologe chromosomen naar elkaar toe (korter en dikker) --> uitwisseling van genen vindt plaats (crossing-over)

- Stoten elkaar af, op bepaalde plekken (chiasmata) nog bij elkaar

- Kernmembraan en kernlichaampjes verdwijen

- Homologe chromosomen naast elkaar

72
New cards

Metafase I

- Chromosomen bewegen naar equatorvlak

- Gaan op een rijtje liggen (homologe chromosoomparen onder elkaar)

- Vanuit centrosomen ontstaan trekdraden en binden aan centromeren

73
New cards

Anafase I

- Homologe chromosoomparen gaan uit elkaar (NIET uit elkaar getrokken)

- Van moeder en vader naar andere helft

- Trekdraden trekken zich terug naar uiteinde van de cel en nemen chromosoompaar mee

- Beide helften: 23 chromosoomparen, 46 chromatiden

74
New cards

Telofase I

- Spoellichamen verdwijnen

- Nieuwe kern om de chromosomen

- Chromosomen ontvouwen

- Beide 23 paar haploïde cel

- Eén cel, twee celkernen --> twee nieuwe cellen

75
New cards

Meiose I

Reductie van het aantal chromosomen. Er zijn nog wel 23 paar chromosomen, deze zijn echter niet identiek aan elkaar. Daarom wordt het alsnog een haploïde cel genoemd.

76
New cards

Meiose II

Celdeling waarin uit twee haploïde cellen vier dochtercellen ontstaan. Verder een gewone mitotische deling.

77
New cards

Profase II

- Beide cellen een extra pool

- Centrosomen naar uiteinde cel

- 23 chromosomen, 46 chromatiden

78
New cards

Metafase II

- Chromosomen naar equatorvlak

- Chromosomen naast elkaar

- Trekdraden binden aan centromeren

79
New cards

Anafase II

- Centromeren delen zich nu wel

- Chromosomen worden door de trekdraden naar de polen getrokken

- Losse DNA strengen

80
New cards

Telofase II

- Vier nieuwe cellen gevormd

- 23 chromosomen

81
New cards

Autosomale dominante overerving

- Patiënten bijna altijd heterozygoot (Aa)

- Afwijking slaat geen generatie over

- Aa x aa --> 50% gezond, 50% ziek

82
New cards

Autosomale recessieve overerving

- Symptomen alleen bij homozygoot (aa)

- Twee ouders heterozygoot: 25% kans kind

83
New cards

X-chromosomale dominante overerving

- Vaders geven alleen door aan dochters

- Vrouwen aan de helft van de dochters en de helft zonen

- Frequentie aandoening twee keer zo hoog bij vrouwen

- Bij heterozygote vrouwen symptomen minder erg dan bij mannen

84
New cards

X-chromosomale recessieve overerving

- Homozygote vrouwen meestal alleen ziektebeeld

- Vrijwel alleen mannen ziek

- Alle dochters van een aangedane zijn draagster

85
New cards

Single nucleotide polymorfismen (SNP's)

- Eenvoudigste verschillen in DNA-sequenties waarbij slechts 1 nucleotide verschilt tussen twee sequenties

- Common SNP --> minimaal 10% bevolking

- Meer dan 50% --> geen SNP meer, gewoon genotype

- Meestal C vervangen door T

86
New cards

Waardoor ontstaan SNP's?

- Door kopieerfouten in de DNA-replicatie.

- Zijn verantwoordelijk voor een verhoogd/verlaagd risico op een bepaalde ziekte (meer onderzoek nodig)

87
New cards

Wat is een mutatie?

- Een verandering in het DNA, waarbij chromosomen met elkaar zijn uitgewisseld.

- Grotere kans op ziekte

- Kunnen positieve, negatieve of geen invloed hebben op een individu

88
New cards

Substitutie

Een base is vervangen door een andere base.

89
New cards

Insertie

Een extra base toegevoegd.

90
New cards

Deletie

Een base minder

91
New cards

Nonsense mutatie (allemaal puntmutaties)

Codon dat wordt gevormd, is een stopcodon, waardoor eiwitsynthese stopt

92
New cards

Translocatie

Een stukje van het ene chromosoom zit op een ander chromosoom

93
New cards

Inversie

Gedeelte van een chromosoom omgedraaid

94
New cards

Duplicatie

Een mutatie waarbij een deel van het chromosoom verdubbeld is.

95
New cards

Wat zijn chromosomale veranderingen?

- Chromosomale mutatie

- Impact groot --> chromosoom meerdere genen

- Iets misgegaan bij meiose/reductiedeling

96
New cards

DNA-profiling

- Techniek waarbij individuen via hun respectievelijke DNA-profielen kunnen worden geïdentificeerd en vergeleken kunnen worden.

- Niet-coderend DNA bestaan uit STR --> maken DNA-profiel uniek

- Ingezet bij forensisch onderzoek en vaderschapstest

97
New cards

Wat is een Short Tandem Repeat (STR)?

- Vaak 2, 3, 4 nucleotiden lang

- Vaak herhaald

- Intronen

- Te korte / lange STR --> mogelijk ziekte of aandoening tot gevolg --> genfunctie verstoord

- Ook bij transplantatie gekeken

- DNA-match maken maar op verschillende locaties (13) vergelijken

98
New cards

DNA-sequencing

Sequence-PCR:

- Basenvolgorde bepalen door aflezen welke basen tijdens een speciale PCR-reactie worden ingebouwd

- OOK DIdeoxynucleotiden toegevoegd aan de reactie

- Mist een OH-groep (plek hechten nieuwe nucleotiden) --> DNA-synthese stopt

- Replicatie blijven herhalen --> elke plek dideoxynucleotiden ingebouwd

- Veel DNA-fragmenten met slecht 1 nucleotide in lengte verschil

- Gelelektroforese --> fragmenten scheiden op lengte

- Aan dideoxynucleotiden fluorescerende stof --> elke stikstofbase eigen kleur (elk DNA-fragment kleur laatst ingebouwde nucleotide)

- Detector leest kleur af

99
New cards

Sanger sequencing

- Doel DNA meerdere keren gekopieerd, waarbij fragmenten verschillen van lengte

- DNA-sample gecombineerd in een buis met primer, DNA-polymerase en DNA-nucleotiden

- Mengsel opgewarmd --> twee strengen scheiden

- Afkoelen --> primer binden template streng

- Primer bindt --> temperatuur weer verhoogd --> DNA-polymerase nieuw DNA maken vanaf primer totdat dideoxynucleotide aan de streng wordt toegevoegd --> in cycli herhaal

- Gelelektroforese --> lange DNA-fragmenten van korte gescheiden (kortste fragment gel eerst bereiken)

- Gedetecteerd door laser (kleurstof) --> weet met welke stikstofbase dit fragment eindigt

- Verzamelde data in chromatogram

100
New cards

Wat is Genome-Wide-Association Study (GWAS)?

- Onderzoek naar de studie van het volledige genoom

- Observationeel onderzoek naar genetische varianten in verschillende individuen

- Doel: verband leggen tussen genoom en mogelijke ziekte, meestal gericht op SNP's