1/16
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Amerikaanse burgerrechtenbeweging: Reactie op structurele gewelddadigheid Amerikaanse samenleving en institutionalisering van de ongelijkheid
(ongeacht feit d slavernij officieel afgeschaft)
Z: Jim Crow Laws
= deel Am folklore, informele term vr =/= wetten die segregatie/Apartheid doen continuëren
Gelegitimeerd: 'separate but equal’ e.g. scholen, MAAR subsidiëring x ‘equal’ (arme wijken → - taxen → - geld te investeren in e.g. scholen)
⇒ Achterstand
N: Redlining
= aanduiden ijken op kaarten die ‘minder goed’ zijn, door officiële organisaties
Vanaf ‘30: kaarten maken (e.g. banken vrezen d X terugbetaald → X leningen vr mensen in die wijken)
= Legaal, X via wetten
⇒ Afro-Amerikanen k X lenen om huis te hebben, moeten huren ⇒ X erfenis
⇒ + witte mensen in die wijken vertrekken nr ‘betere’ wijken
⇒ Ghetto-vorming (binnenstad, + armoede)
Amerikaanse burgerrechtenbeweging: Pruitt-Igoe, St. Louis
= groot complex gebouwd m appartementen; 1 deel ‘wit’ + ander vr Afro-Amerikanen
→ Mid ‘50: te gesegregeerd ⇒ witte mensen vertrekken
⇒ Opnieuw ghetto-vorming, + armoede; X genoeg geld te onderhouden, k X huur betalen
→ ‘70: systeem onder vraag, uiteindelijk vernield
= Symbolische einde modernistische oplossingen (e.g. geloof d 1 gebouw een heel sociale probleem gaat oplossen) + vooruitgangsgeloof
Amerikaanse burgerrechtenbeweging: Civil Rights
1964: Civil Rights Act
= federaal verbod op segregatie, discriminatie
E.g. X rassenscheiding in publieke scholen, arbeidssector, kiesrecht,...
March on Washington
Zeer groot protest, uitzondering
VS eerde scattered, gewelddadige protesten
E.g. Long Hot Summer of ‘67
→ ++ protesten over Amerika, =/= doden, wanhoopsprotest van Afro-Amerikanen teg ongelijkheid
→ Commissie: wit racisme blijft probleem in de praktijk
→ Lyndon B. Johnson X akkoord, doet weinig
Vrouwenrechten: Tweede feministische golf
Vrouwenbeweging jaren 60: “Tweede feministische golf” (Fr. Rev.: proto-feminisme, 1e golf: rond 1900)
Onderdeel van de “nieuwe sociale bewegingen” als “tweede naoorlogse verdieping” van de democratie (1e: 1945)
Nieuwe, “onzichtbare” thema’s d.m.v. grassrootsbewegingen
Milieu, derde wereld, vrede, holebi, burgerrechten VS)
Intellectuele ontwikkeling
Vrouwenrechten: Simone de Beauvoir
(1908-1986)
Le deuxième sexe (1949):
“On ne naît pas femme, on le devient”:
vrouwelijkheid (= vrouwelijke identiteit) is een culturele constructie
→ Basis van genderconcept
Asymmetrische dichotomie:
“immanente” vrouwelijkheid als tegenbeeld van de norm die
“transcendente” mannelijkheid is
Vrouwen = zwak, emotioneel, volgzaam, zorgend, intellectueel inferieur, seksueel passief, banaal + alledaags
Mannen = dominant, sterk, overstijgen hier + nu, v alle tijden
Kritiek op marxistische interpretatie dat alle onderdrukking gevolg is van klassenmaatschappij
Gender = extra laag bovenop, vrouwen nog meer ondergeschikt aan mannen
Vrouwenrechten: Historiografie
Toenemende aandacht voor de rol van vrouwen in de geschiedschrijving vanaf de jaren 1950
Initieel een focus op “grote vrouwen”: koninginnen, heiligen, heroïsche vrouwen, heksen,... (traditioneel bronnencorpus)
‘60-70: + aandacht vr soc aspect
Vrouwenrechten: Betty Friedan
(1921-2006)
The feminine mystique (1963):
= Kritiek op cultureel verwachtingspatroon dat vrouwen geen professionele
ambities moeten hebben en zich tevreden moeten stellen met zorgtaken
→ Pleidooi voor emancipatie (onderwijs, arbeidsmarkt)
“The problem that has no name”:
Ennui ondanks materieel comfort en gezinsgeluk
→ Housewife syndrome
Link met Suburbanisatie: welvaartsstijging jaren 50 maakt realisatie 19e-eeuws genderideaal mogelijk (man in publieke sfeer, bv. leger, zaken, politiek; vrouw in huiselijke sfeer)
Suburbanisatie ⇒ Auto nodig om nr public spaces te kunnen (ook supermarkt/school/…); vrouwen mogen geen auto rijden
E.g. Levitt-town
= gebouwd dr broers Levitt, suburbs in VS (vaak goedkope materialen, gebouwd in slechte plaatsen)
Vrouwenrechten: Anticonceptie
Einde 20e E m AIDS crisis: condoom ‘mainstream’
‘30: Periodieke onthouding wetenschappelijk verklaard
Want vrouwelijke cyclus pas onderzocht
Abortus
“abortusrevolutie” van jaren 1880 tot WOII: 15% van alle zwangerschappen in W-Eur; 1/5 in stedelijke gebieden
Graduele legalisering vanaf jaren 60 (VK); BEL: 1990
Steeds regels over termijn
Anticonceptiepil (spacing) vanaf 1961
Eerst illegaal, dan ‘voor menstruatiepijn’
Blijvende discussies over body politics
Milieubeweging
Precedenten
Romantische verheerlijking van de natuur (19e eeuw)
Klassieke natuurbeschermingsbeweging (°rond 1900,
focus op soortenbescherming, creatie reservaten
Great Smog of London, 1952
= aantal weken waar windstilte + mist ⇒ rook v kachels X weg ⇒ ziektes
⇒ e.g. wetten over luchtvervuiling in VK, filters vr bedrijven,...
Silent Spring, Rachel Carson, 1962
Zag d aantal vogels -; door pesticiden
⇒ ecologisch perspectief: milieu (ecosystemen, wisselwerking), X enkel natuur
° Milieubeweging vanaf eind 60s (Greenpeace, 1971)
Organisaties + ministeries: consensuele aanpak over ++ landen, iets doen over milieuproblemen
Limits to Growth, 1972
Analyse milieuproblemen: hoe stijgend grondstofgebruik ⇒ problemen
→ kritiek op idee v oneindelijke groei
⇒ Afbraak vooruitgangsgeloof (technologie k ook voor problemen zorgen!, e.g. pesticiden)
Economische transformaties: Trente glorieuses
/ Wirtschaftswunder: Welvaartsstaat gefinancierd door economische groei
Economisch model:
Gemengde economie, Overheidsinterventie in prive-economie, “sociaal kapitalisme”, Keynesianisme (investeringen in OW en sociale zekerheid)
veel overheidsbedrijven in VK, Fr, It
Indicatoren van groei:
continue loonstijgingen, zeer lage staatsschuld, zeer lage werkloosheid, volledige benutting productiecapaciteit, zeer lichte inflatie
Oorzaken:
Pol stabiliteit, Europese integratie, consumentisme (ook lager klassen, ⇒ depreciatie klassegrenzen), goedkope grondstoffen
Verwachting:
Groei = welvaart;
Notie van onbegrensde groei
Economische transformaties: Evolutie tot economische crisis
Toename inflatie a.g.v. loonsverhogingen eind jaren 60 (vraag stijgt, aanbod blijft stabiel)
E.g. Mei ‘68
VS:
inflatie door uitgaven Vietnam;
Bretton-Woods (1944) wordt opgezegd in 1971
→ Europese munten en dollar gaan schommelen; import uit VS wordt duurder
Schokeffect van oliecrisis 1973-74:
OPEC vermindert productie als reactie op Jom Kippoeroorlog (VS steun Israël ⇒ OPEC >:( )
(2e oliecrisis volgt in 1979 a.g.v. Iraanse Revolutie)
→ Olieprijs x4
⇒ Economische crisis vanaf begin jaren 70
Economische transformaties: Structurele gevolgen
Einde van goedkope olie
Einde van econ. groei: stagflatie tot begin jaren 80
Hoge loonkosten W.-Eur.
⇒ begin graduele deïndustrialisatie
⇒ werkloosheid (1% jaren 60, 5% jaren 70, 9% jaren 80) (vooral in industriesteden)
⇒ neveneffect: langere studieduur = POSITIEF
Daling grootte van sociale uitkeringen (want + vraag)
⇒ toename armoede en ongelijkheid (begin jaren 90: ca. 20% EU-bevolking onder armoededrempel)
Economische transformaties: Neoliberalisme
Friedman + Hayek (Nobelprijs Economie):
Depreciatie van Keynesianisme
Appreciatie voor klassiek econ. liberalisme
Antwoord:
Terugtrekking overheid, geloof in vrije marktwerking, streng monetair beleid (= beperking geldhoeveelheid)
⇒ Overheid moet overheidsbedrijven afstoten (= privatisering), belastingen verlagen en arbeidsoverleg afschaffen
Intentie: inflatie fnuiken door stimulering van concurrentie, loonmatiging, hogere rente
Grote invloed, o.a. VK en VS (Margaret Thatcher 1979-90, Ronald Reagan 1981-89)
Economische transformaties: Thatcherisme
(Margaret Thatcher, 1925-2013)
Einde consensus over staatsinterventionisme: “There is no such thing as society. There are individual men and women and there are families.”
Individuele agency (‘overheid k niet alles oplossen vr jullie’)
Confrontatiepolitiek: “Iron Lady” (mijnsluitingen, Noord-Ierland, Falklandoorlog)
Gevolgen
Inflatie daalt
+ 1 milj. werklozen (aandeel SZ in BNP blijft gelijk)
Deïndustrialisatie wordt gestimuleerd (maar: ongelijke lokalisatie van tertiaire sector; opkomst dienstensector, vral in Z)
Toename van ongelijkheid (e.g. geografisch; survival of the fittest)
Paradox: Primaat van de politiek
Economische transformaties: Beperktere invloed neoliberalisme in continentaal West-Europa (jaren 80-90)
Coalitieregeringen
“Verzuilde” overheidsadministraties
Traditie van subsidiariteit (+ soc kwesties in middenveld, dr organisaties geregeld ipv staat, staat subsidieert)
Minder scherpe klassentegenstellingen
Blijvende nadruk op sociaal overleg
Economische transformaties: Paradoc van de bureaucratisering
Neoliberalisme wil degrowth van overheid (winst X overheidsdoel)
→ Vacuüm opgevuld door privé-sector
Commerciële bedrijven groeien (deels met overheidssubsidies)
Groei van private bureaucratieën, managementposities (consultancy)
→ Doelen: kwantificeren bedrijfswerking, maximaliseren van efficiëntie
Begin 20e eeuw: ° Taylorisme, ° Fordisme
Managerial newspeak = ook taal beïnvloedt!
Economische transformaties: Oost-Europa
Stijging levensstandaard ca. 1955-1965
Geen “golden sixties”: geen investeringen in industriële vernieuwing of loonsverhogingen; valt stil
Economische crisis begint in jaren 80 (“verborgen inflatie”, economische krimp, groei schulden)
⇒ Kwaliteit economische productie daalt, ongelijkheid groeit (vriendjespolitiek voor nomenklatura), voedselrantsoenering (groei zwarte markt), toename milieuvervuiling, achterstand informatica
Na val Muur: Invoering neoliberalisme
⇒ Wegvallen sociale zekerheid; privatiseringen (oligarchie)