1/73
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Arbeidsverdeling
Het verdelen van taken binnen een productieproces, zodat werknemers zich kunnen specialiseren in specifieke taken.
Bedrijfskolom
De keten van bedrijven die betrokken zijn bij de productie en distributie van een product, van grondstof tot eindproduct.
Behoefte
De wens van mensen om goederen en diensten te consumeren om in hun levensonderhoud te voorzien.
Budgetlijn
Een grafische weergave van alle mogelijke combinaties van twee goederen die een consument kan kopen met een gegeven budget.
Chartaal geld
Fysiek geld zoals munten en bankbiljetten.
Differentiatie in de bedrijfskolom
Het proces waarbij bedrijven in de bedrijfskolom zich specialiseren in verschillende fasen van het productieproces.
Directe ruil
Het ruilen van goederen en diensten zonder gebruik te maken van geld.
Economie
De wetenschap die zich bezighoudt met de productie, distributie en consumptie van goederen en diensten.
Functies van geld
De rollen die geld speelt in de economie, zoals ruilmiddel, rekeneenheid en oppotmiddel.
Giraal geld
Geld dat op bankrekeningen staat en via overschrijvingen kan worden gebruikt.
Indirecte ruil
Het ruilen van goederen en diensten met behulp van geld als tussenmiddel.
Integratie in de bedrijfskolom
Het proces waarbij bedrijven in de bedrijfskolom verschillende fasen van het productieproces onder ƩƩn dak brengen.
Middelen
De bronnen die beschikbaar zijn om in behoeften te voorzien, zoals arbeid, kapitaal en grondstoffen.
Opofferingskosten
De waarde van het beste alternatief dat wordt opgegeven bij het maken van een keuze.
Parallellisatie in de bedrijfskolom
Het proces waarbij bedrijven in de bedrijfskolom zich uitbreiden naar andere fasen van het productieproces.
Schaarste
De situatie waarin de beschikbare middelen beperkt zijn in verhouding tot de behoeften.
Specialisatie
Het proces waarbij individuen of bedrijven zich concentreren op een beperkt aantal taken of producten.
Toegevoegde waarde
De waarde die wordt toegevoegd aan een product tijdens het productieproces.
Zelfvoorziening
Het zelf produceren van goederen en diensten om in eigen behoeften te voorzien.
Basisjaar
Het jaar dat als referentiepunt wordt gebruikt bij het berekenen van indexcijfers.
Indexcijfer
Een getal dat de verhouding aangeeft tussen een bepaalde grootheid in een bepaalde periode en dezelfde grootheid in het basisjaar.
Procent
Een honderdste deel van een geheel.
Procentpunt
Het absolute verschil tussen twee percentages.
Promille
Een duizendste deel van een geheel.
Consumentenprijsindex (CPI)
Een maatstaf voor de gemiddelde prijsverandering van een pakket goederen en diensten dat door huishoudens wordt gekocht.
Deflatie
Een daling van het algemene prijsniveau van goederen en diensten.
Hyperinflatie
Een extreem hoge en meestal versnellende inflatie.
Inflatie
Een stijging van het algemene prijsniveau van goederen en diensten.
Loonheffing
Belasting die wordt ingehouden op het loon van werknemers.
Overdrachtsinkomen (inkomensoverdrachten)
Inkomen dat wordt verkregen zonder directe tegenprestatie, zoals uitkeringen en subsidies.
Prijsindexcijfer
Een indexcijfer dat de prijsverandering van een bepaald goed of dienst aangeeft.
Primair inkomen
Inkomen verkregen uit arbeid en vermogen.
Secundair inkomen
Inkomen na herverdeling door de overheid, zoals uitkeringen en subsidies.
Toeslag van de belastingdienst
Financiƫle ondersteuning van de overheid, zoals huurtoeslag of zorgtoeslag.
Volksverzekeringen
Verzekeringen die voor alle inwoners gelden, zoals AOW en ANW.
Geldillusie
Het verschijnsel waarbij mensen denken in nominale termen in plaats van reƫle termen.
Geldontwaarding
De afname van de koopkracht van geld door inflatie.
Koopkracht
De hoeveelheid goederen en diensten die met een bepaald inkomen gekocht kunnen worden.
Nominaal inkomen
Het inkomen uitgedrukt in geld zonder rekening te houden met inflatie.
Prijscompensatie
Loonaanpassing om de stijging van het prijsniveau te compenseren.
Reƫel inkomen (koopkracht)
Het inkomen gecorrigeerd voor inflatie, wat de werkelijke koopkracht weergeeft.
Beleggen
Het investeren van geld in de verwachting dat het in waarde zal toenemen.
Consumptief krediet
Een lening voor de aanschaf van consumptiegoederen.
Contante waarde van een bedrag
De huidige waarde van een bedrag dat in de toekomst wordt ontvangen.
Eindwaarde van een bedrag
De toekomstige waarde van een bedrag dat nu wordt geĆÆnvesteerd.
Enkelvoudige interest
Rente die alleen wordt berekend over het oorspronkelijke kapitaal.
Financiƫle levensloop
De verschillende fasen in het leven van een persoon waarin financiƫle beslissingen worden genomen.
Hypotheeklening
Een lening met onroerend goed als onderpand.
Interest (rente)
De vergoeding voor het uitlenen of sparen van geld.
Intertemporele budgetlijn
Een budgetlijn die de keuzes tussen consumptie nu en in de toekomst weergeeft.
Nominale rente
De rente zonder correctie voor inflatie.
Reƫle rente
De nominale rente gecorrigeerd voor inflatie.
Risico-aversiteit
De neiging om risicoās te vermijden.
Ruilen over de tijd
Het uitstellen van consumptie naar de toekomst door te sparen of te lenen.
Samengestelde interest
Rente die wordt berekend over het oorspronkelijke kapitaal plus de eerder verdiende rente.
Spaardeposito
Een spaarrekening met een vaste looptijd en rente.
Sparen
Het niet uitgeven van een deel van het inkomen.
Stroomgrootheid
Een grootheid die over een bepaalde periode wordt gemeten, zoals inkomen.
Tijdsvoorkeur
De voorkeur voor consumptie nu in plaats van in de toekomst.
Verdiencapaciteit
Het vermogen om inkomen te genereren.
Vermogen
De totale waarde van bezittingen minus schulden.
Voorraadgrootheid
Een grootheid die op een bepaald moment wordt gemeten, zoals vermogen.
Aanvullende verzekering
Een verzekering die extra dekking biedt bovenop de basisverzekering.
Acceptatieplicht
De verplichting voor verzekeraars om iedereen te accepteren voor de basisverzekering.
Asymmetrische informatie
Situatie waarin de ene partij meer informatie heeft dan de andere partij.
Averechtse selectie
Het verschijnsel dat vooral mensen met een hoog risico zich verzekeren, wat de premie verhoogt.
Basisverzekering ziektekosten
De verplichte zorgverzekering die basiszorg dekt.
Bonus-malussysteem
Een systeem waarbij de premie afhankelijk is van het aantal schadevrije jaren.
Eigen risico
Het bedrag dat de verzekerde zelf moet betalen bij schade voordat de verzekering uitkeert.
Levensverzekering
Een verzekering die uitkeert bij overlijden of op een bepaalde leeftijd.
Moral hazard (moreel wangedrag)
Het risico dat mensen zich roekelozer gaan gedragen omdat ze verzekerd zijn.
Premiedifferentiatie
Het aanpassen van de premie aan het risico van de verzekerde.
Schadeverzekering
Een verzekering die de financiƫle gevolgen van schade dekt.
Solidariteit
Het principe dat de sterke schouders de zwakkere schouders ondersteunen.