bio CE

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/81

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

SSL

Last updated 10:32 AM on 6/22/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

82 Terms

1
New cards

celmembraan

selectief transport

2
New cards

celkern

  • bevat DNA

  • stuurt de cel aan

  • mRNA synthese

3
New cards

ER (Endoplasmatisch Reticulum)

transport stoffen binnen de cel

  • glad: zonder ribosomen (GER)

  • ruw: met ribosomen (RER)

4
New cards

ribosomen

eiwitsynthese / translatie

5
New cards

eiwitsynthese

maken van eiwitten

richting:

celkern→ER→ribosomen→golgi systeem→mitochondrien→cytoplasma→celmembraan

6
New cards

Golgi systeem

  • opslag stoffen

  • afwerken van eiwitten

7
New cards

mitochondrien

verbranding / dissimilatie

ENERGIE ATP (verbranden glucose waardoor ATP ontstaat)

8
New cards

cytoplasma

celvloeistof

9
New cards

lysosoom

met enzymen breken ze afvalstoffen af dan; hergebruiken of veilig uitscheiden

10
New cards

vacuolemembraan

  • in plantaardige cel

  • zitten ionen in

  • water reguleren

11
New cards

producenten

autotrofe organismen: kunnen zelf anorganische stoffen omzetten in organische stoffen voor eigen energie en groei

vb. planten, algen, sommige bacterien

12
New cards

consumenten

heterotrofe organismen: zijn afhankelijk van andere organismen voor organische stoffen voor eigen energie en groei vb. dieren

13
New cards

reducenten

heterotrofe organismen: breken organische stoffen af tot anorganische stoffen

vb. sommige bacterien, schimmels

14
New cards

uitspoeling

voedingsstoffen uit de bodem spoelen met regen mee naar grond- en oppervlaktewater

15
New cards

eutrofiering

het voedingsrijker worden (stikstof en mineralen) van oppervlaktewater

vb. uitspoeling na stikstofbemesting, ammoniak uit intensieve veehouderij

16
New cards

Bruto Primaire Productie (BPP)

brutto totaal inkomst

altijd groter dan NPP →zolang die leeft

de aanmaak van organische stoffen door producenten, totaal aangemaakte organische stoffen

vb. fotosynthese

17
New cards

Netto Primaire Productie (NPP)

netto-totaal inkomst

altijd kleiner dan NPP

bruto primaire productie - dissimilatie van producenten

gemaakt-gebruikt!

net als: dissimilatie (energiete krijgen) = BTW kosten(belasting dienst)

18
New cards

biomassa

hoeveelheid massa levende organismen

kan gemeten in: versgewicht of drooggewicht

19
New cards

biomassa versgewicht

verse massa inclusief water

20
New cards

biomassa drooggewicht

droge massa na onttrekking van water

21
New cards

autotrofe organismen

kunnen zelf anorganische stoffen omzetten in organische stoffen voor eigen energie en groei

vb. plant

22
New cards

heterotrofe organismen

zijn afhankelijk van organische stoffen van andere organismen voor eigen energie en groei

vb. mens of dier

23
New cards

abiotische factoren

uit de levenloze natuur

vb. temperatuur, steen

24
New cards

biotische factoren

uit de levende natuur

vb. ziekteverwekkers, concurrerende planten, reducenten

25
New cards

niche/nis

specifieke functie van een soort binnen een ecosysteem

26
New cards

trofische niveaus

schakels in de voedselketen

27
New cards

accumulatie

ophoping van schadelijke stoffen in de voedselketen

gif: concentratie neemt toe

[E] een organisme is meer dan zijn lichaamsgewicht, dus hoe verder in de voedselketen, hoe groter het effect van ~.

28
New cards

genetische modificatie

het inbrengen en tot expressie laten komen van vreemd genetisch materiaal

→ inbrengen genconstruct met vreemd gen gaat via plasmide bacterie of virus

→ cisgeen of transgeen

29
New cards

cisgeen

ingebracht gen van zelfde soort

30
New cards

transgeen

ingebracht gen van andere soort

31
New cards

RNA-interferentie (RNAi)

remmen van genexpressie door kapot maken specifiek mRNA

32
New cards

PCR

BiNaS:71M2

vermenigvuldigen van DNA om voldoende hoeveelheid te krijgen voor onderzoek

33
New cards

gelelectroforese

stukken DNA, RNA of eiwit op grootte scheiden

hoe: transport door een gel, hoe groter hoe trager (blijft hoger in de gel)

34
New cards

gen

stukje DNA dat codeert voor een eigenschap

vb. voor oogkleur

35
New cards

locus

plaats van gen op het chromosoom

mindenkinek ugyanott van az eigenschap

36
New cards

allel

variant van een gen (egy szelet a ket virslibol)

vb. bruin (A), blauw (a)

37
New cards

homozygoot

twee dezelfde allelen

vb. AA, aa

38
New cards

heterozygoot

twee verschillende allelen

vb. Aa

39
New cards

dominant

het allel dat tot uiting komt in een heterozygoot individu

vb. Aa → bruine ogen

40
New cards

recessief

het allel dat niet tot uiting komt in een heterozygoot individu

vb. Aa → blauwe ogen

41
New cards

genotype

alle genetische informatie van een individu (az egesz ket virsli)

42
New cards

fenotype

waarneembare eigenschappen van een individu wordt bepaald door mate waarin een gen tot uiting komt en door de omgevingsfactoren/milieu

vb.huidskleur, lengte

43
New cards

geslachtschromosomen

X- en Y-chromosoom, bepalen het geslacht van een individu

vb. mens 1 paar; XX=vrouw, XY=man

44
New cards

autosomaal

alle chromosomen behalve de geslachtschromosomen

vb. mens 22 paar

45
New cards

diploid

chromosomen in tweevoud aanwezig

vb. mens 2n=46 (in paren)

46
New cards

haploid

chromosomen in enkelvoud aanwezig

vb. mens n=23

alleen: geslachtscellen

47
New cards

veredelen

gericht kruisen met ouders die gewenste eigenschappen bezitten

vb. extra sappige tomaten

→ gunstige eigenschappen met elkaar kruisen om die gunstiger hebben

48
New cards

evolutie

geleidelijke verandering van eigenschappen en het onstaan van nieuwe soorten

49
New cards

soort

groep organismen die onderling vruchtbare nakomelingen kunnen krijen

vb. merel, bonte kraai, homo sapiens

50
New cards

populatie

alle individuen van een soort in een bepaald gebied die zich onderling voortplanten

vb. alle merels die in een bos leven

51
New cards

fitness

kans op het doorleven van eigen allelen/genen aan de volgende generaties

(niet per se sterkst maar meest gewenst)

neemt toe bij grotere overlevingskans of grotere vruchtbaarheid

52
New cards

genetische variatie

aantal verschillende sets van allelen in een populatie

ookwel: verscheidenheid

53
New cards

grote hersenen

functie: bewuste processen

voorbeeldsymptomen: geheugenverlies, gedragstoornis, halfzijdige verlamming

aansturing: gekruist

54
New cards

kleine hersenen

functie: coordinatie

voorbeeldsymptomen: coordinatiestoornis

aansturing: ongekruist

55
New cards

hersenstam

functie: onbewuste processen; vitale functies

voorbeeldsymptomen: ademstop, bewustzijnverlies

aansturing: ongekruist

56
New cards

ruggenmerg

functie: impulsgeleiding en reflexen

voorbeeldsymptomen: gevoelverlies

aansturing: ongekruist

57
New cards

animaal

bewuste processen

58
New cards

autonoom

onbewuste processen

  • orthosympathisch

  • parasympathisch

59
New cards

orthosympathisch

onbewuste processen in actie

60
New cards

parasympathisch

onbewuste processen in rust

61
New cards

dendriet

1.

naar cellichaam toe

afferent = aanvoerend

62
New cards

afferent

aanvoerend

63
New cards

axon

2.

van cellichaam af

efferent = effect/exit

64
New cards

myelineschede

zorgt voor snelle impulsgeleiding

65
New cards

sensorische neuron

1.

begint: zintuig

eindt: centrale zenuwstelsel (CZS)

66
New cards

schakel neuron

2.

begint: centrale zenuwstelsel (CZS)

eindt: centrale zenuwstelsel (CZS)

67
New cards

motorische neuron

3.

begint: centrale zenuwstelsel (CZS)

eindt: spier/klier

68
New cards

centrale zenuwstelsel (CZS)

hersenen en ruggenmerg

hierin zitten schakelneuronen, die zorgen voor signaalverwerking kan stimulerend of remmend zijn

69
New cards

hormonen

functie: constant houden intern milieu (homeostase)

70
New cards

hypothalamus

aanmaak regulerende hormonen

vb. TRH

71
New cards

hypofyse

aanmaak regulerende hormonen

vb. TSH

72
New cards

hormoonklier vb. schildklier

aanmaak hormoon

vb. thyroxine

73
New cards

doelorgaan

waar de hormoon de effect uit moet oefenen

vb. aanzetten stofwisseling

74
New cards

regelkring

bloed (transport) → werking langzaam en langdurig

concentratie hormoon in bloed neemt toe + reactie in doelorgaan neemt toe

75
New cards

negatieve terugkoppeling

hormoon remt eigen aanmaak

76
New cards

signaalverwerking

kan via second messengers: signaalstoffen die bepaalde signalen doorgeven aan de celkern

vb. insuline:peptide hormoon, dus second messenger

77
New cards

hart

78
New cards

slagader

plaats: hart → orgaan

zuurstof: O2-rijk (uitzondering: longen, navelstreng daar O2-arm)

bouw: elastisch + dik + gespierd

bloeddruk (BD): hoog

79
New cards

haarvat

plaats: in weefsel

zuurstof: O2-uitwisseling

bouw: 1 cellaag dun

bloeddruk (BD): gemiddeld

80
New cards

ader

plaats: orgaan→hart (uitzondering poortader)

zuurstof: O2-arm (uitzondering: longen, navelstreng daar O2-rijk)

bouw: kleppen + dun

bloeddruk (BD): laag

81
New cards

vatenstelsel

82
New cards