1/81
SSL
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
celmembraan
selectief transport
celkern
bevat DNA
stuurt de cel aan
mRNA synthese
ER (Endoplasmatisch Reticulum)
transport stoffen binnen de cel
glad: zonder ribosomen (GER)
ruw: met ribosomen (RER)
ribosomen
eiwitsynthese / translatie
eiwitsynthese
maken van eiwitten
richting:
celkern→ER→ribosomen→golgi systeem→mitochondrien→cytoplasma→celmembraan
Golgi systeem
opslag stoffen
afwerken van eiwitten
mitochondrien
verbranding / dissimilatie
ENERGIE ATP (verbranden glucose waardoor ATP ontstaat)
cytoplasma
celvloeistof
lysosoom
met enzymen breken ze afvalstoffen af dan; hergebruiken of veilig uitscheiden
vacuolemembraan
in plantaardige cel
zitten ionen in
water reguleren
producenten
autotrofe organismen: kunnen zelf anorganische stoffen omzetten in organische stoffen voor eigen energie en groei
vb. planten, algen, sommige bacterien
consumenten
heterotrofe organismen: zijn afhankelijk van andere organismen voor organische stoffen voor eigen energie en groei vb. dieren
reducenten
heterotrofe organismen: breken organische stoffen af tot anorganische stoffen
vb. sommige bacterien, schimmels
uitspoeling
voedingsstoffen uit de bodem spoelen met regen mee naar grond- en oppervlaktewater
eutrofiering
het voedingsrijker worden (stikstof en mineralen) van oppervlaktewater
vb. uitspoeling na stikstofbemesting, ammoniak uit intensieve veehouderij
Bruto Primaire Productie (BPP)
brutto totaal inkomst
altijd groter dan NPP →zolang die leeft
de aanmaak van organische stoffen door producenten, totaal aangemaakte organische stoffen
vb. fotosynthese
Netto Primaire Productie (NPP)
netto-totaal inkomst
altijd kleiner dan NPP
bruto primaire productie - dissimilatie van producenten
gemaakt-gebruikt!
net als: dissimilatie (energiete krijgen) = BTW kosten(belasting dienst)
biomassa
hoeveelheid massa levende organismen
kan gemeten in: versgewicht of drooggewicht
biomassa versgewicht
verse massa inclusief water
biomassa drooggewicht
droge massa na onttrekking van water
autotrofe organismen
kunnen zelf anorganische stoffen omzetten in organische stoffen voor eigen energie en groei
vb. plant
heterotrofe organismen
zijn afhankelijk van organische stoffen van andere organismen voor eigen energie en groei
vb. mens of dier
abiotische factoren
uit de levenloze natuur
vb. temperatuur, steen
biotische factoren
uit de levende natuur
vb. ziekteverwekkers, concurrerende planten, reducenten
niche/nis
specifieke functie van een soort binnen een ecosysteem
trofische niveaus
schakels in de voedselketen
accumulatie
ophoping van schadelijke stoffen in de voedselketen
gif: concentratie neemt toe
[E] een organisme is meer dan zijn lichaamsgewicht, dus hoe verder in de voedselketen, hoe groter het effect van ~.
genetische modificatie
het inbrengen en tot expressie laten komen van vreemd genetisch materiaal
→ inbrengen genconstruct met vreemd gen gaat via plasmide bacterie of virus
→ cisgeen of transgeen
cisgeen
ingebracht gen van zelfde soort
transgeen
ingebracht gen van andere soort
RNA-interferentie (RNAi)
remmen van genexpressie door kapot maken specifiek mRNA
PCR
BiNaS:71M2
vermenigvuldigen van DNA om voldoende hoeveelheid te krijgen voor onderzoek
gelelectroforese
stukken DNA, RNA of eiwit op grootte scheiden
hoe: transport door een gel, hoe groter hoe trager (blijft hoger in de gel)
gen
stukje DNA dat codeert voor een eigenschap
vb. voor oogkleur
locus
plaats van gen op het chromosoom
mindenkinek ugyanott van az eigenschap
allel
variant van een gen (egy szelet a ket virslibol)
vb. bruin (A), blauw (a)
homozygoot
twee dezelfde allelen
vb. AA, aa
heterozygoot
twee verschillende allelen
vb. Aa
dominant
het allel dat tot uiting komt in een heterozygoot individu
vb. Aa → bruine ogen
recessief
het allel dat niet tot uiting komt in een heterozygoot individu
vb. Aa → blauwe ogen
genotype
alle genetische informatie van een individu (az egesz ket virsli)
fenotype
waarneembare eigenschappen van een individu wordt bepaald door mate waarin een gen tot uiting komt en door de omgevingsfactoren/milieu
vb.huidskleur, lengte
geslachtschromosomen
X- en Y-chromosoom, bepalen het geslacht van een individu
vb. mens 1 paar; XX=vrouw, XY=man
autosomaal
alle chromosomen behalve de geslachtschromosomen
vb. mens 22 paar
diploid
chromosomen in tweevoud aanwezig
vb. mens 2n=46 (in paren)
haploid
chromosomen in enkelvoud aanwezig
vb. mens n=23
alleen: geslachtscellen
veredelen
gericht kruisen met ouders die gewenste eigenschappen bezitten
vb. extra sappige tomaten
→ gunstige eigenschappen met elkaar kruisen om die gunstiger hebben
evolutie
geleidelijke verandering van eigenschappen en het onstaan van nieuwe soorten
soort
groep organismen die onderling vruchtbare nakomelingen kunnen krijen
vb. merel, bonte kraai, homo sapiens
populatie
alle individuen van een soort in een bepaald gebied die zich onderling voortplanten
vb. alle merels die in een bos leven
fitness
kans op het doorleven van eigen allelen/genen aan de volgende generaties
(niet per se sterkst maar meest gewenst)
neemt toe bij grotere overlevingskans of grotere vruchtbaarheid
genetische variatie
aantal verschillende sets van allelen in een populatie
ookwel: verscheidenheid
grote hersenen
functie: bewuste processen
voorbeeldsymptomen: geheugenverlies, gedragstoornis, halfzijdige verlamming
aansturing: gekruist
kleine hersenen
functie: coordinatie
voorbeeldsymptomen: coordinatiestoornis
aansturing: ongekruist
hersenstam
functie: onbewuste processen; vitale functies
voorbeeldsymptomen: ademstop, bewustzijnverlies
aansturing: ongekruist
ruggenmerg
functie: impulsgeleiding en reflexen
voorbeeldsymptomen: gevoelverlies
aansturing: ongekruist
animaal
bewuste processen
autonoom
onbewuste processen
orthosympathisch
parasympathisch
orthosympathisch
onbewuste processen in actie
parasympathisch
onbewuste processen in rust
dendriet
1.
naar cellichaam toe
afferent = aanvoerend
afferent
aanvoerend
axon
2.
van cellichaam af
efferent = effect/exit
myelineschede
zorgt voor snelle impulsgeleiding
sensorische neuron
1.
begint: zintuig
eindt: centrale zenuwstelsel (CZS)
schakel neuron
2.
begint: centrale zenuwstelsel (CZS)
eindt: centrale zenuwstelsel (CZS)
motorische neuron
3.
begint: centrale zenuwstelsel (CZS)
eindt: spier/klier
centrale zenuwstelsel (CZS)
hersenen en ruggenmerg
hierin zitten schakelneuronen, die zorgen voor signaalverwerking kan stimulerend of remmend zijn
hormonen
functie: constant houden intern milieu (homeostase)
hypothalamus
aanmaak regulerende hormonen
vb. TRH
hypofyse
aanmaak regulerende hormonen
vb. TSH
hormoonklier vb. schildklier
aanmaak hormoon
vb. thyroxine
doelorgaan
waar de hormoon de effect uit moet oefenen
vb. aanzetten stofwisseling
regelkring
bloed (transport) → werking langzaam en langdurig
concentratie hormoon in bloed neemt toe + reactie in doelorgaan neemt toe
negatieve terugkoppeling
hormoon remt eigen aanmaak
signaalverwerking
kan via second messengers: signaalstoffen die bepaalde signalen doorgeven aan de celkern
vb. insuline:peptide hormoon, dus second messenger
hart
slagader
plaats: hart → orgaan
zuurstof: O2-rijk (uitzondering: longen, navelstreng daar O2-arm)
bouw: elastisch + dik + gespierd
bloeddruk (BD): hoog
haarvat
plaats: in weefsel
zuurstof: O2-uitwisseling
bouw: 1 cellaag dun
bloeddruk (BD): gemiddeld
ader
plaats: orgaan→hart (uitzondering poortader)
zuurstof: O2-arm (uitzondering: longen, navelstreng daar O2-rijk)
bouw: kleppen + dun
bloeddruk (BD): laag
vatenstelsel