1/127
Een uitgebreide lijst van onregelmatige Nederlandse werkwoorden met hun hulpwerkwoord (hebben/zijn), voltooid deelwoord en onvoltooid verleden tijd (OVT).
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
bakken
VTT: hebben gebakken | OVT: bakte - bakten
bederven
VTT: hebben - zijn bedorven | OVT: bedierf - bedierven
bedriegen
VTT: hebben bedrogen | OVT: bedroog - bedrogen
beginnen
VTT: zijn begonnen | OVT: begon - begonnen
begrijpen
VTT: hebben begrepen | OVT: begreep - begrepen
bevelen
VTT: hebben bevolen | OVT: beval - bevalen
bewegen
VTT: hebben bewogen | OVT: bewoog - bewogen
bezoeken
VTT: hebben bezocht | OVT: bezocht - bezochten
bidden
VTT: hebben gebeden | OVT: bad - baden
bieden
VTT: hebben geboden | OVT: bood - boden
bijten
VTT: hebben gebeten | OVT: beet - beten
binden
VTT: hebben gebonden | OVT: bond - bonden
blazen
VTT: hebben geblazen | OVT: blies - bliezen
blijken
VTT: zijn gebleken | OVT: bleek - bleken
blijven
VTT: zijn gebleven | OVT: bleef - bleven
blinken
VTT: hebben geblonken | OVT: blonk - blonken
braden
VTT: hebben gebraden | OVT: braadde - braadden
breken
VTT: hebben gebroken | OVT: brak - braken
brengen
VTT: hebben gebracht | OVT: bracht - brachten
buigen
VTT: hebben gebogen | OVT: boog - bogen
denken
VTT: hebben gedachte | OVT: dacht - dachten
doen
VTT: hebben gedaan | OVT: deed - deden
dragen
VTT: hebben gedragen | OVT: droeg - droegen
drijven
VTT: hebben gedreven | OVT: dreef - dreven
drinken
VTT: hebben gedronken | OVT: dronk - dronken
duiken
VTT: hebben gedoken | OVT: dook - doken
dwingen
VTT: hebben gedwongen | OVT: dwong - dwongen
eten
VTT: hebben gegeten | OVT: at - aten
fluiten
VTT: hebben gefloten | OVT: floot - floten
gaan
VTT: zijn gegaan | OVT: ging - gingen
genezen
VTT: hebben - zijn genezen | OVT: genas - genazen
genieten
VTT: hebben genoten | OVT: genoot - genoten
geven
VTT: hebben gegeven | OVT: gaf - gaven
gieten
VTT: hebben gegoten | OVT: goot - goten
glijden
VTT: hebben - zijn gegleden | OVT: gleed - gleden
graven
VTT: hebben gegraven | OVT: groef - groeven
grijpen
VTT: hebben gegrepen | OVT: greep - grepen
hangen
VTT: hebben gehangen | OVT: hing - hingen
hebben
VTT: hebben gehad | OVT: had - hadden
helpen
VTT: hebben geholpen | OVT: hielp - hielpen
houden
VTT: hebben gehouden | OVT: hield - hielden
jagen
VTT: hebben gejaagd | OVT: joeg - joegen
kiezen
VTT: hebben gekozen | OVT: koos - kozen
kijken
VTT: hebben gekeken | OVT: keek - keken
klimmen
VTT: hebben - zijn geklommen | OVT: klom - klommen
klinken
VTT: hebben geklonken | OVT: klonk - klonken
knijpen
VTT: hebben geknepen | OVT: kneep - knepen
kopen
VTT: hebben gekocht | OVT: kocht - kochten
krijgen
VTT: hebben gekregen | OVT: kreeg - kregen
krimpen
VTT: zijn gekrompen | OVT: kromp - krompen
kruipen
VTT: hebben gekropen | OVT: kroop - kropen
komen
VTT: zijn gekomen | OVT: kwam - kwamen
kunnen
VTT: hebben gekund | OVT: kon - konden
lachen
VTT: hebben gelachen | OVT: lachte - lachten
laten
VTT: hebben gelaten | OVT: liet - lieten
lezen
VTT: hebben gelezen | OVT: las - lazen
liegen
VTT: hebben gelogen | OVT: loog - logen
liggen
VTT: hebben gelegen | OVT: lag - lagen
lijden
VTT: hebben geleden | OVT: leed - leden
lijken
VTT: hebben geleken | OVT: leek - leken
lopen
VTT: hebben gelopen | OVT: liep - liepen
meten
VTT: hebben gemeten | OVT: mat - maten
moeten
VTT: hebben gemoeten | OVT: moest - moesten
mogen
VTT: hebben gemogen | OVT: mocht - mochten
nemen
VTT: hebben genomen | OVT: nam - namen
overlijden
VTT: zijn overleden | OVT: overleed - overleden
raden
VTT: hebben geraden | OVT: raadde - raadden
rijden
VTT: hebben gereden | OVT: reed - reden
roepen
VTT: hebben geroepen | OVT: riep - riepen
ruiken
VTT: hebben geroken | OVT: rook - roken
scheiden
VTT: hebben - zijn gescheiden | OVT: scheidde - scheidden
schelden
VTT: hebben gescholden | OVT: schold - scholden
schieten
VTT: hebben geschoten | OVT: schoot - schoten
schijnen
VTT: hebben geschenen | OVT: scheen - schenen
schrijven
VTT: hebben geschreven | OVT: schreef - schreven
schrikken
VTT: zijn geschrokken | OVT: schrok - schrokken
schuiven
VTT: hebben geschoven | OVT: schoof - schuiven
slaan
VTT: hebben geslagen | OVT: sloeg - sloegen
sluipen
VTT: hebben - zijn geslopen | OVT: sloop - slopen
slapen
VTT: hebben geslapen | OVT: sliep - sliepen
sluiten
VTT: hebben gesloten | OVT: sloot - sloten
smelten
VTT: hebben - zijn gesmolten | OVT: smolt - smolten
snijden
VTT: hebben gesneden | OVT: sneed - sneden
snuiten
VTT: hebben gesnoten | OVT: snoot - snoten
spreken
VTT: hebben gesproken | OVT: sprak - spraken
springen
VTT: hebben - zijn gesprongen | OVT: sprong - sprongen
spuiten
VTT: hebben gespoten | OVT: spoot - spoten
staan
VTT: hebben gestaan | OVT: stond - stonden
steken
VTT: hebben gestoken | OVT: stak - staken
stelen
VTT: hebben gestolen | OVT: stal - stalen
sterven
VTT: zijn gestorven | OVT: stierf - stierven
stijgen
VTT: zijn gestegen | OVT: steeg - stegen
stinken
VTT: hebben gestonken | OVT: stonk - stonken
strijken
VTT: hebben - zijn gestreken | OVT: streek - streken
trekken
VTT: hebben getrokken | OVT: trok - trokken
vallen
VTT: zijn gevallen | OVT: viel - vielen
vangen
VTT: hebben gevangen | OVT: ving - vingen
varen
VTT: hebben gevaren | OVT: voer - voeren
vechten
VTT: hebben gevochten | OVT: vocht - vochten
verdwijnen
VTT: zijn verdwenen | OVT: verdween - verdwenen