Nederlandse Onregelmatige Werkwoorden

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/127

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Een uitgebreide lijst van onregelmatige Nederlandse werkwoorden met hun hulpwerkwoord (hebben/zijn), voltooid deelwoord en onvoltooid verleden tijd (OVT).

Last updated 11:15 PM on 5/20/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

128 Terms

1
New cards

bakken

VTT: hebben gebakken | OVT: bakte - bakten

2
New cards

bederven

VTT: hebben - zijn bedorven | OVT: bedierf - bedierven

3
New cards

bedriegen

VTT: hebben bedrogen | OVT: bedroog - bedrogen

4
New cards

beginnen

VTT: zijn begonnen | OVT: begon - begonnen

5
New cards

begrijpen

VTT: hebben begrepen | OVT: begreep - begrepen

6
New cards

bevelen

VTT: hebben bevolen | OVT: beval - bevalen

7
New cards

bewegen

VTT: hebben bewogen | OVT: bewoog - bewogen

8
New cards

bezoeken

VTT: hebben bezocht | OVT: bezocht - bezochten

9
New cards

bidden

VTT: hebben gebeden | OVT: bad - baden

10
New cards

bieden

VTT: hebben geboden | OVT: bood - boden

11
New cards

bijten

VTT: hebben gebeten | OVT: beet - beten

12
New cards

binden

VTT: hebben gebonden | OVT: bond - bonden

13
New cards

blazen

VTT: hebben geblazen | OVT: blies - bliezen

14
New cards

blijken

VTT: zijn gebleken | OVT: bleek - bleken

15
New cards

blijven

VTT: zijn gebleven | OVT: bleef - bleven

16
New cards

blinken

VTT: hebben geblonken | OVT: blonk - blonken

17
New cards

braden

VTT: hebben gebraden | OVT: braadde - braadden

18
New cards

breken

VTT: hebben gebroken | OVT: brak - braken

19
New cards

brengen

VTT: hebben gebracht | OVT: bracht - brachten

20
New cards

buigen

VTT: hebben gebogen | OVT: boog - bogen

21
New cards

denken

VTT: hebben gedachte | OVT: dacht - dachten

22
New cards

doen

VTT: hebben gedaan | OVT: deed - deden

23
New cards

dragen

VTT: hebben gedragen | OVT: droeg - droegen

24
New cards

drijven

VTT: hebben gedreven | OVT: dreef - dreven

25
New cards

drinken

VTT: hebben gedronken | OVT: dronk - dronken

26
New cards

duiken

VTT: hebben gedoken | OVT: dook - doken

27
New cards

dwingen

VTT: hebben gedwongen | OVT: dwong - dwongen

28
New cards

eten

VTT: hebben gegeten | OVT: at - aten

29
New cards

fluiten

VTT: hebben gefloten | OVT: floot - floten

30
New cards

gaan

VTT: zijn gegaan | OVT: ging - gingen

31
New cards

genezen

VTT: hebben - zijn genezen | OVT: genas - genazen

32
New cards

genieten

VTT: hebben genoten | OVT: genoot - genoten

33
New cards

geven

VTT: hebben gegeven | OVT: gaf - gaven

34
New cards

gieten

VTT: hebben gegoten | OVT: goot - goten

35
New cards

glijden

VTT: hebben - zijn gegleden | OVT: gleed - gleden

36
New cards

graven

VTT: hebben gegraven | OVT: groef - groeven

37
New cards

grijpen

VTT: hebben gegrepen | OVT: greep - grepen

38
New cards

hangen

VTT: hebben gehangen | OVT: hing - hingen

39
New cards

hebben

VTT: hebben gehad | OVT: had - hadden

40
New cards

helpen

VTT: hebben geholpen | OVT: hielp - hielpen

41
New cards

houden

VTT: hebben gehouden | OVT: hield - hielden

42
New cards

jagen

VTT: hebben gejaagd | OVT: joeg - joegen

43
New cards

kiezen

VTT: hebben gekozen | OVT: koos - kozen

44
New cards

kijken

VTT: hebben gekeken | OVT: keek - keken

45
New cards

klimmen

VTT: hebben - zijn geklommen | OVT: klom - klommen

46
New cards

klinken

VTT: hebben geklonken | OVT: klonk - klonken

47
New cards

knijpen

VTT: hebben geknepen | OVT: kneep - knepen

48
New cards

kopen

VTT: hebben gekocht | OVT: kocht - kochten

49
New cards

krijgen

VTT: hebben gekregen | OVT: kreeg - kregen

50
New cards

krimpen

VTT: zijn gekrompen | OVT: kromp - krompen

51
New cards

kruipen

VTT: hebben gekropen | OVT: kroop - kropen

52
New cards

komen

VTT: zijn gekomen | OVT: kwam - kwamen

53
New cards

kunnen

VTT: hebben gekund | OVT: kon - konden

54
New cards

lachen

VTT: hebben gelachen | OVT: lachte - lachten

55
New cards

laten

VTT: hebben gelaten | OVT: liet - lieten

56
New cards

lezen

VTT: hebben gelezen | OVT: las - lazen

57
New cards

liegen

VTT: hebben gelogen | OVT: loog - logen

58
New cards

liggen

VTT: hebben gelegen | OVT: lag - lagen

59
New cards

lijden

VTT: hebben geleden | OVT: leed - leden

60
New cards

lijken

VTT: hebben geleken | OVT: leek - leken

61
New cards

lopen

VTT: hebben gelopen | OVT: liep - liepen

62
New cards

meten

VTT: hebben gemeten | OVT: mat - maten

63
New cards

moeten

VTT: hebben gemoeten | OVT: moest - moesten

64
New cards

mogen

VTT: hebben gemogen | OVT: mocht - mochten

65
New cards

nemen

VTT: hebben genomen | OVT: nam - namen

66
New cards

overlijden

VTT: zijn overleden | OVT: overleed - overleden

67
New cards

raden

VTT: hebben geraden | OVT: raadde - raadden

68
New cards

rijden

VTT: hebben gereden | OVT: reed - reden

69
New cards

roepen

VTT: hebben geroepen | OVT: riep - riepen

70
New cards

ruiken

VTT: hebben geroken | OVT: rook - roken

71
New cards

scheiden

VTT: hebben - zijn gescheiden | OVT: scheidde - scheidden

72
New cards

schelden

VTT: hebben gescholden | OVT: schold - scholden

73
New cards

schieten

VTT: hebben geschoten | OVT: schoot - schoten

74
New cards

schijnen

VTT: hebben geschenen | OVT: scheen - schenen

75
New cards

schrijven

VTT: hebben geschreven | OVT: schreef - schreven

76
New cards

schrikken

VTT: zijn geschrokken | OVT: schrok - schrokken

77
New cards

schuiven

VTT: hebben geschoven | OVT: schoof - schuiven

78
New cards

slaan

VTT: hebben geslagen | OVT: sloeg - sloegen

79
New cards

sluipen

VTT: hebben - zijn geslopen | OVT: sloop - slopen

80
New cards

slapen

VTT: hebben geslapen | OVT: sliep - sliepen

81
New cards

sluiten

VTT: hebben gesloten | OVT: sloot - sloten

82
New cards

smelten

VTT: hebben - zijn gesmolten | OVT: smolt - smolten

83
New cards

snijden

VTT: hebben gesneden | OVT: sneed - sneden

84
New cards

snuiten

VTT: hebben gesnoten | OVT: snoot - snoten

85
New cards

spreken

VTT: hebben gesproken | OVT: sprak - spraken

86
New cards

springen

VTT: hebben - zijn gesprongen | OVT: sprong - sprongen

87
New cards

spuiten

VTT: hebben gespoten | OVT: spoot - spoten

88
New cards

staan

VTT: hebben gestaan | OVT: stond - stonden

89
New cards

steken

VTT: hebben gestoken | OVT: stak - staken

90
New cards

stelen

VTT: hebben gestolen | OVT: stal - stalen

91
New cards

sterven

VTT: zijn gestorven | OVT: stierf - stierven

92
New cards

stijgen

VTT: zijn gestegen | OVT: steeg - stegen

93
New cards

stinken

VTT: hebben gestonken | OVT: stonk - stonken

94
New cards

strijken

VTT: hebben - zijn gestreken | OVT: streek - streken

95
New cards

trekken

VTT: hebben getrokken | OVT: trok - trokken

96
New cards

vallen

VTT: zijn gevallen | OVT: viel - vielen

97
New cards

vangen

VTT: hebben gevangen | OVT: ving - vingen

98
New cards

varen

VTT: hebben gevaren | OVT: voer - voeren

99
New cards

vechten

VTT: hebben gevochten | OVT: vocht - vochten

100
New cards

verdwijnen

VTT: zijn verdwenen | OVT: verdween - verdwenen