1/19
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Voorkant: Actor-observatorfenomeen
De neiging om je eigen gedrag te verklaren door de situatie, maar het gedrag van anderen door hun persoonlijkheid.
Voorkant: Leniency-effect
De neiging om anderen systematisch te mild of te positief te beoordelen.
Voorkant: Halo-effect
Eén positieve eigenschap beïnvloedt je totale beoordeling van iemand (bv. knap = automatisch ook vriendelijk en slim).
Flashcard 4
Voorkant: Sociale druk (groeps- of gezagsdruk)
Je past je oordeel of gedrag aan onder invloed van een groep of autoriteit.
Flashcard 5
Voorkant: Toegankelijkheids- of availability-effect
Je baseert je oordeel op informatie die het makkelijkst in je geheugen opkomt, niet per se op wat het meest correct is.
Flashcard 6
Voorkant: Contrastfout
Iemand beoordelen in vergelijking met de vorige persoon in plaats van objectief.
Flashcard 7
Voorkant: Stereotypen
Veralgemeningen over een groep mensen die je oordeel over een individu beïnvloeden.
Flashcard 8
Voorkant: Primacy-effect
De eerste indruk weegt zwaarder door in je uiteindelijke oordeel.
Flashcard 9
Voorkant: Recency-effect
De meest recente informatie beïnvloedt je oordeel het sterkst.
Flashcard 10
Voorkant: Logicafout
Onjuiste redenering waarbij men verbanden ziet die er eigenlijk niet zijn.
Flashcard 11
Voorkant: Horn-effect
Eén negatieve eigenschap zorgt ervoor dat je iemand in het algemeen negatief beoordeelt.
Flashcard 12
Voorkant: Tunnelvisie
Je focust enkel op informatie die je eerste indruk bevestigt en negeert andere signalen.
Flashcard 13
Voorkant: Gevoelsintensiteit van vroegere ervaringen
Sterke emoties uit het verleden beïnvloeden hoe je huidige situaties beoordeelt.
Flashcard 14
Voorkant: Consistentiefout t.o.v. de eerste indruk
Je blijft vasthouden aan je eerste indruk, ook al wijst nieuwe informatie op het tegendeel.
Flashcard 15
Voorkant: Psychologiseren
Gedrag verklaren vanuit vermeende innerlijke motieven of persoonlijkheid zonder voldoende bewijs.
Flashcard 16
Voorkant: Emotionele instelling van de observator
Je stemming of emoties beïnvloeden hoe je anderen waarneemt en beoordeelt.
Flashcard 17
Voorkant: Projectie
Je schrijft je eigen gevoelens, gedachten of eigenschappen toe aan iemand anders.
Flashcard 18
Voorkant: Zelfgevoel van de observator
Je zelfbeeld beïnvloedt hoe je anderen beoordeelt (bv. onzekerheid kan leiden tot strengere beoordeling).
Flashcard 19
Voorkant: Angst voor zijn positie
De vrees om status of positie te verliezen beïnvloedt je oordeel over anderen.
Als je wil, kan ik ze ook: