1/37
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Sociale perceptie
Processen die bepalen hoe we oordelen over anderen.
Drie belangrijke informatiebronnen voor elementen van sociale preceptie
uiterlijk
situaties
gedrag
3 verklaringen voor de band tss baby-face uiterlijk en persoonlijkheid
Genetisch geprogrammeerd om zachtje ste reageren op kinderlijke kenmerken
aangeleerd: kind- hulpeloos
Reëel verband
Scripts van het leven
Vooraf bepaalde opvattingen over hoe een reeks gebeurtenissen verlopen in bepaalde situaties
scripts beïnvloeden de persoonsperceptie op twee manieren:
We zien wat we verwachten te zien
kennis van de situatie (het script) stuurt persoonsbeoordeling
Gedrag NIET conform met script (= diagnostische waarde)
6 “basis” emoties
woede/boos
angst
walging/afkeer
blijheid
verassing
verdriet
3 non verbale communicatie kanalen (voor leugens te onderscheiden)
stem: hoger & aarzelend spreken
lichaam : zenuwachtige voet-en hand beweging
gelaatsuitdrukking = minst diagnostisch want kan gemanipuleerd worden
Facial acting coding system
Door Ekman. Gedachten & emoties bestuderen via gezichtsanalyse. Elke micro-expressie krijgt een code en die codes samen vormen expressies
Persoonlijke attributies
Gedrag verklaren door interne eigenschappen. = intern
Situationele attributies
Gedrag verklaren door externe factoren. = extern
Jones’ corresponderende inferentietheorie
De neiging gedrag te koppelen aan persoonlijkheid. De neiging tot gevolgtrekking dat iemand zijn gedrag overeenstemt met zijn disposities
Mesen trekken conclusies obv:
gedrag is vrij gekozen
gedrag is onverwacht in gegeven situatie
gedrag resulteert in beperkt aantal gunstige effecten
Kelley’s covariatiemodel
Gedrag toeschrijven aan factoren die samen voorkomen met het gedrag, niet alleen persoonlijke factoren maar ook situationele factoren
Consensusinformatie
Covariatie tussen effect & personen. Info over de mate waarin anderen zich op dezelfde manier gedragen ten opzichte van dezelfde stimulus als dat de actor doet
Distinctiviteitsinformatie
Covariatie tussen effect & stimuli. Info over de mate waarin een bepaalde actor zich op dezelfde manier gedraagt bij een verschillend stimuli
Consistentie-informatie
Covariatie tussen effect & tijdstippen. De frequentie waarmee het gedrag van de betrokkenen en een bepaalde stimulus in ruimte en tijd voorkomen
3 soorten attributies : Kelley
1: persoonlijk → consensus & distincitiviteit = laag ; consistentie = hoog
2: Stimulus → consensus, distincitviteit & consistentie = hoog
3: omstandigheid → consensus & distinctiviteit = hoog of laag ; consistentie = laag
Fundamentele attributiefout
Impact van situaties onderschatten & persoonsfactoren overschatten. → vooral aandacht voor persoonsgebonden oorzaken
Correspondence bias
Jones & Harris
Gedrag van anderen verklaren door disposities en het onderschatten van externe factoren
twee stappenmodel van attributie
persoonlijke attributie maken (automatisch)
situationele factoren toevoegen & initele attributie aanpassen
= Dispositionele inferentie
Actor-observator effect
Eigen gedrag verklaren door situatie, dat van anderen door persoonlijkheid.
Cognitieve heuristieken
Vuistregels voor snelle informatieverwerking, die maken het ons mogelijk om snel & gemakkelijk (maar soms ook foutief) te oordelen
Beschikbaarheidsheuristiek
Waarschijnlijkheid afleiden uit hoe makkelijk voorbeelden opkomen.
Representativiteitsheuristiek
Iets classificeren op basis van gelijkenis met een typisch geval.
Valse consensuseffect
Overschatting van consensus voor eigen opinies, kenmerken en gedragingen
Basisfrequentie valstrik
Ongevoeligheid voor numerieke basisfrequenties. => negeren van de werkelijke kansberekening/statistieken
Tegenfeitelijk denken
Alternatieve gebeurtenissen voorstellen die niet gebeurden.
1: een beter alternatief → teleurstelling
2: slechter alternatief → tevredenheid
motivationele vertekeningen
= zelfbescherming en zelfverheerlijking dragen bij tot het vertekenen van attributies
→ succes schrijven we toe aan onzelf & mislukkingen aan externe omstandigheden
→ bij anderen: succes extern en mislukking intern
gewogen gemiddelde model
van Anderson
impressies zijn gebaseerd op: disposities van de waarnemer en een gewogen gemiddelde va, de kenmerken van de doelpersoon
Primauteitseffect
Eerste informatie heeft meer impact op indrukken.
Impliciete persoonlijkheidstheorie
Netwerk van aannames over relaties tussen eigenschappen & gedrag.
Perseveratie-effect
Opvattingen over zichzelf of de sociale wereld behouden ondanks tegenbewijs.
Priming
Recent gebruikte woorden beïnvloeden interpretatie van nieuwe info.
The big five
extraversie
altruisme
openheid/intellect
neurotiscisme
conscientieusheid
Negativiteitsvertekening
Negatieve informatie weegt zwaarder door dan positieve.
Persistentie van opvattingen
Neiging om informatie zoeken & interpreteren volgens bestaande opvattingen.
Confirmatorische hypothesetoetsing
Selectieve manier van vragen stellen.
Self-fulfilling prophecy
Verwachtingen zorgen ervoor dat iemand zich ernaar gaat gedragen.
factoren die de nauwkeurigheid van waarnemingen beïnvloeden (4)
ervaring met de persoon
gedrag in typische omgeving
kennis van waarschijnlijkheidstheorie, heurestieken en vertekeningen
behoefte aan nauwkeurigheid en een open geest