1/55
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
hebben
avoir
zijn
être
spreken
parler
vergeten
oublier
eten
manger
vooruitgaan
avancer
poetsen
nettoyer
liften
lever
heten
appeler
gooien
jeter
kopen
acheter
herhalen
répéter
eindigen
finir
vertrekken
partir
openen
ouvrir
horen
entendre
gaan
aller
gaan zitten
s’asseoir
slaan
battre
drinken
boire
koken
bouillir
besluiten
conclure
besturen/rijden
conduire
kennen
connaître
naaien
coudre
lopen
courir
vrezen
craindre
geloven
croire
plukken
cueillir
moeten
devoir
zeggen
dire
schrijven
écrire
sturen/verzenden
envoyer
doven
éteindre
doen
faire
moeten
falloir
lezen
lire
zetten/plaatsen
mettre
sterven
mourir
beklagen
plaindre
aanstaan/bevallen
plaire
regenen
pleuvoir
mogen/kunnen
pouvoir
nemen
prendre
ontvangen
recevoir
oplossen
résoudre
lachen
rire
weten
savoir
volgen
suivre
volstaan
suffire
zwijgen
se taire
waard zijn/gelden
valoir
komen
venir
leven
vivre
zien
voir
willen
vouloir