Werken - Student-Ondernemer

5.0(2)
Studied by 19 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/92

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 10:37 AM on 4/26/24
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

93 Terms

1
New cards
l'entreprise
de onderneming
2
New cards
le chef d'entreprise
bedrijfsleider, de
3
New cards
entreprendre
ondernemen
4
New cards
l'entrepreneur
ondernemer, de
5
New cards
fonder (une entreprise par ex.)
oprichten = stichten
6
New cards
lancer une entreprise
een bedrijf opstarten
7
New cards
être bien payé
goed verdienen
8
New cards
indépendant
zelfstandig
9
New cards
croître
groeien (groeide - is gegroeid)
10
New cards
le jeune
jongere, de
11
New cards
la connaissance élémentaire, de base
basiskennis, de
12
New cards
la gestion d'entreprise
bedrijfsbeheer, het
13
New cards
prouver
bewijzen (bewees - heeft bewezen)
14
New cards
les deux
beide
15
New cards
le baccalauréat
bachelor, de
16
New cards
le diplôme
diploma, het
17
New cards
le numéro d'entreprise
ondernemingsnummer, het
18
New cards
demander, solliciter
aanvragen (vroeg aan - heeft aangevraagd)
19
New cards
la possibilité
mogelijkheid, de
20
New cards
donner, offrir
bieden (bood - heeft geboden) = aanbieden
21
New cards
l'accès
toegang, de
22
New cards
au moins
minstens
23
New cards
l'étranger
buitenland, het
24
New cards
supposer
aannemen (nam aan - heeft aangenomen) = veronderstellen
25
New cards
la direction
richting, de
26
New cards
l'affaire, la firme
zaak, de
27
New cards
le statut
statuut, het
28
New cards
lancer
lanceren (lanceerde - heeft gelanceerd)
29
New cards
limiter
beperken (beperkte - heeft beperkt)
30
New cards
augmenter
stijgen (steeg - is gestegen) = toenemen
31
New cards
diminuer
verminderen
32
New cards
l'augmentation
stijging, de = toename, de
33
New cards
la diminution, la baisse
daling, de
34
New cards
en comparaison avec
in vergelijking met
35
New cards
branché, à la mode
hip
36
New cards
de plus
bovendien
37
New cards
frappant
opvallend
38
New cards
la partie
deel, het
39
New cards
masculin
mannelijk
40
New cards
féminin
vrouwelijk
41
New cards
alors que
terwijl + REJET
42
New cards
pratiquer
beoefenen (beoefende - heeft beoefend)
43
New cards
entre autres
onder andere
44
New cards
les technologies de l'information et de la communication
IT, de
45
New cards
le développement
ontwikkeling, de
46
New cards
développer
ontwikkelen
47
New cards
la boulangerie
bakkerij, de
48
New cards
la plupart des cas
de meeste gevallen
49
New cards
l'étude
studie, de
50
New cards
démontrer
aantonen (toonde aan - heeft aangetoond)
51
New cards
attirer
aantrekken (trok aan - heeft aangetrokken)= lokken
52
New cards
être à la recherche de
op zoek zijn naar
53
New cards
protéger
beschermen (beschermde - heeft beschermd)
54
New cards
profiter de
genieten van (genoot van - heeft genoten van)
55
New cards
avantageux
voordelig
56
New cards
le droit
recht, het
57
New cards
exercer
uitoefenen (oefende uit - heeft uitgeoefend)
58
New cards
être obligé de
hoeven (hoefde - heeft gehoeven) + TE
59
New cards
payer
betalen (betaalde - heeft betaald)
60
New cards
le chiffre d'affaires
omzet, de
61
New cards
limiter
beperken (beperkte - heeft beperkt)
62
New cards
avoir l'accès à
toegang krijgen tot
63
New cards
être inscrit
ingeschreven zijn
64
New cards
au moins
minstens
65
New cards
le crédit ects
studiepunt, het
66
New cards
participer
deelnemen aan (nam deel aan - heeft deelgenomen aan)
67
New cards
l'examen
examen, het
68
New cards
le magasin en ligne
webshop, de = online winkel, de = webwinkel, de
69
New cards
le pull
trui, de
70
New cards
clairement
duidelijk
71
New cards
le message
boodschap, de
72
New cards
la conception, la création
ontwerp, het
73
New cards
concevoir, créer, dessiner
ontwerpen
74
New cards
ensemble
samen
75
New cards
facile
makkelijk = gemakkelijk
76
New cards
difficile
moeilijk
77
New cards
de nos jours
tegenwoordig
78
New cards
le statut
statuut, het
79
New cards
fiscalement
fiscaal
80
New cards
attirant
aantrekkelijk
81
New cards
être à charge de
ten laste zijn van
82
New cards
l'assurance maladie
ziekteverzekering, de
83
New cards
concernant, au sujet de
wat ... betreft, + inversion = betreffende + inversion
84
New cards
immédiatement
onmiddellijk = meteen
85
New cards
payer, régler
betalen (betaalde - heeft betaald)
86
New cards
précis, déterminé
bepaald
87
New cards
durable
duurzaam
88
New cards
être diplômé
afstuderen (studeerde af - is afgestudeerd)
89
New cards
l'intention, le but
bedoeling, de
90
New cards
le but, l'objectif
doel, het
91
New cards
la Belgique
België
92
New cards
l'Europe
Europa
93
New cards
le diplôme
diploma, het

Explore top notes

Explore top flashcards

flashcards
Ch 3: Bacteria and Archaea
74
Updated 66d ago
0.0(0)
flashcards
PSY290 - Lecture 1
54
Updated 899d ago
0.0(0)
flashcards
Focus 4_Unit_6
118
Updated 1223d ago
0.0(0)
flashcards
Triple check: Human body
27
Updated 1060d ago
0.0(0)
flashcards
Contemporary Visual Arts
54
Updated 182d ago
0.0(0)
flashcards
Federal government Test 1
45
Updated 916d ago
0.0(0)
flashcards
Ch 3: Bacteria and Archaea
74
Updated 66d ago
0.0(0)
flashcards
PSY290 - Lecture 1
54
Updated 899d ago
0.0(0)
flashcards
Focus 4_Unit_6
118
Updated 1223d ago
0.0(0)
flashcards
Triple check: Human body
27
Updated 1060d ago
0.0(0)
flashcards
Contemporary Visual Arts
54
Updated 182d ago
0.0(0)
flashcards
Federal government Test 1
45
Updated 916d ago
0.0(0)