1/10
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Normatieve theorie (2de kandidaat):
Falsificationisme → Karl Popper
→ wetenschap begint niet met blanco waarnemingen (zoals empirisme beweert)
→ maar met een theorie waaruit je logische hypotheses afleidt die je vervolgens probeert te weerleggen (deductie/falsificatie)
3 argumenten van Popper:
Op zoek gaan naar bevestiging is verkeerd
Popper merkte op dat als je als wetenschapper heel graag je eigen gelijk wilt bewijzen, je altijd wel ergens bevestiging (verificatie) kunt vinden. Hij zag dit destijds sterk bij de psychoanalyse van Freud en het Marxisme: wat er ook gebeurde in de wereld, de aanhangers legden het zo uit dat het tóch in hun theorie paste.
Popper stelde: dit is geen echte wetenschap, dit is dogmatisme. Bevestiging zoeken is te makkelijk. Echte, integere wetenschap doet het omgekeerde: die stelt een gedurfde theorie op en probeert daarna heel hard te bewijzen dat deze niet klopt.
Theorie-geladenheid van de waarneming
Dit is een cruciaal tentamenbegrip (theory-ladenness of observation). De logisch positivisten geloofden nog dat je als wetenschapper de wereld blanco, puur en 100% objectief kon observeren om daar feiten uit te halen.
Popper zegt: dat is een mythe. Pure, neutrale waarneming bestaat niet. Alles wat je waarneemt, filter je direct door de bril van jouw achtergrondkennis, taal, verwachtingen en eerdere theorieën.
Het klassieke voorbeeld: Als een docent de collegezaal inloopt en roept: "Observeer!", dan gaan studenten hem vragend aankijken. Je kunt niet zomaar 'observeren'. Je vraagt direct: "Wat moeten we observeren?" Er is dus altijd éérst een theorie of hypothese nodig die bepaalt wáár je naar gaat kijken. De theorie komt vóór de waarneming.
Vertrekt vanuit deductie. Logisch geldig
Omdat de claims van het logisch positivisme instortten door het inductieprobleem (je kunt immers nooit álle gevallen onderzoeken om een wet te verifiëren), gooide Popper inductie volledig overboord. Wetenschap moet volgens hem puur gebaseerd zijn op deductie.
Deductie is namelijk logisch wél waterdicht. Je kunt een universele theorie ("Alle zwanen zijn wit") nooit bewijzen met inductie, maar je kunt de theorie via deductie wel met 100% logische zekerheid in de prullenbak gooien zodra je één tegenvoorbeeld vindt ("Kijk, een zwarte zwaan"). Falsificatie maakt handig gebruik van deze asymmetrie: we kunnen nooit zeker weten wat waar is, maar we kunnen via deductie wel absoluut zeker weten wat niet waar is.

Falsifieerbaarheid
= een wetenschappelijke theorie of hypothese moet weerlegbaar zijn
→ er moet een denkbare waarneming of experiment zijn die de theorie volledig omver kan werpen
“Dit is het kenmerk dat echte wetenschap onderscheidt van pseudowetenschap of geloof.
Als een theorie zo is geformuleerd dat hij ALTIJD gelijk heeft, dat is de theorie niet falsifieerbaar en dus niet wetenschappelijk.”
Het verschil:
❌ Niet falsifieerbaar (Dus: geen wetenschap)
"Morgen gaat het regenen, of niet." -> Deze uitspraak is altijd waar. Er is geen enkele weersomstandigheid denkbaar die deze zin onwaar kan maken.
"Je zult vandaag een interessante ontmoeting hebben." (Horoscoop) -> Dit is zo vaag dat je achteraf alles zo kunt interpreteren dat het klopt. Als je niemand spreekt, zeg je dat de ontmoeting 'spiritueel' was. De claim beschermt zichzelf tegen kritiek.
De onzichtbare, onmeetbare alien: "Er zweeft een onzichtbare alien in mijn kamer die geen warmte of sporen achterlaat en door muren heen kan." -> Omdat de alien met geen enkel instrument te meten is, kun je nooit bewijzen dat hij er niet is.
Wel falsifieerbaar (Dus: wetenschappelijke claims)
"Water kookt altijd bij exact 100 graden Celsius." -> Dit is een strakke claim. Zodra je onder normale omstandigheden water vindt dat bij 95 of 105 graden kookt, is de claim direct naar de prullenbak verwezen.
"Dit specifieke medicijn verlaagt de bloeddruk van patiënten met gemiddeld 10%." -> Heel makkelijk te testen. Als uit een klinische trial blijkt dat de bloeddruk niet of nauwelijks daalt, is de hypothese gefalsifieerd.
Modus Tollens
= “de manier die ontkent door te ontkennen”
→ een specifieke manier van deductief denken waarbij je iets bewijst door de uitkomst te ontkennen.
Modus Tollens-redenering bestaat altijd uit 3 stappen (2 premissen en een conclusie):
Als P, dan Q
= als conditie P waar is, volgt daar logischerwijs gevolg Q uit
Niet Q
= gevolg Q blijkt in werkelijkheid niet waar te zijn
Dus: niet P
= conclusie: dan kan conditie P ook niet waar zijn!
Bijvoorbeeld:
Als het regent (P), dan worden de straten nat (Q).
Maar de straten zijn niet nat (Niet Q).
Conclusie: dus het regent niet (Niet P).
Premisse
= een stelling of aanname die als uitgangspunt dient voor een redenering of argument.
Corroboratie: een alternatieve term voor bevestiging
→ waarom mag je volgens Popper niet zeggen dat je hypothese is bevestigd na een test uitgevoerd te hebben?
Als een theorie zo'n zware test overleeft, mag je volgens Popper nooit zeggen dat de theorie nu is "bevestigd", "verifieerd" of "bewezen".
Het gevaar van het woord 'Bevestigd' (Verificationisme)
→ Als je zegt dat een theorie is 'bevestigd', claim je indirect dat je hebt bewezen dat de theorie waar is (of dat de kans groter is geworden dat hij waar is). Daarmee val je direct terug in de fout van het logisch positivisme en inductie: je doet alsof een aantal succesvolle tests garanties bieden voor de toekomst. Maar we weten dat we nooit 100% zeker kunnen weten of de theorie morgen óók nog overeind blijft.
De betekenis van 'Gecorroboreerd' (Poppers alternatief)
= Popper introduceerde daarom de term corroboratie. Als een theorie een cruciaal experiment overleeft, is de theorie gecorroboreerd.
Wat betekent dat praktisch? Het betekent dat de theorie zich dapper heeft bewezen in een zware test. Het is een tijdelijk kwaliteitsstempel. De theorie is niet 'waar', maar is de status van 'hypothese' ontgroeid omdat hij een serieuze falsificatiepoging heeft overleefd. De theorie blijft voorlopig overeind, tot de volgende, nog zwaardere test zich aandient.
Cruciale experimenten (2 betekenissen)
= een experiment dat is ontworpen om een doorslaggevende beslissing te nemen over de geldigheid van een wetenschappelijke theorie. Het is de ultieme lakmoesproef: een alles-of-niets-test voor een hypothese.
2 betekenissen:
1. De "Splitsing van de Weg" (Klassieke betekenis)
Stel, er zijn twee verschillende theorieën (Theorie A en Theorie B) die allebei hetzelfde fenomeen proberen te verklaren. Ze werken allebei prima, totdat een wetenschapper een experiment bedenkt waar de theorieën elkaar tegenspreken:
Theorie A voorspelt: bij deze test gebeurt er X.
Theorie B voorspelt: bij deze test gebeurt er Y.
Het experiment wordt uitgevoerd. Als de uitkomst X is, wordt Theorie B in één klap naar de prullenbak verwezen en blijft Theorie A overeind. Het experiment heeft dus gediend als een beslissende rechter. (Dit zag je bij het Cholera-voorbeeld: verspreidt het zich via lucht of via water? De test met de waterpomp bewees het water-gelijk).
2. De "Gevaarlijke Test" (Karl Popper)
Voor Karl Popper is een cruciaal experiment een test die een extreem gedurfde en riskante voorspelling van een theorie onderzoekt.
Volgens Popper stelt een goede theorie zich zo kwetsbaar mogelijk op. Het zegt niet: "Morgen is er een kans op regen", maar het zegt: "Morgen om exact 14:03 uur valt er exact 4,2 millimeter regen op de Dam in Amsterdam." Dat is een cruciaal experiment, omdat de kans dat je theorie sneuvelt (gefalsifieerd wordt) enorm groot is. Overleeft de theorie zo'n brute test? Dan is de theorie niet 'bewezen', maar wel enorm sterk gecorroboreerd.
Kortom: Een cruciaal experiment is geen saai, routineus laboratoriumtestje om een theorie een beetje te ondersteunen. Het is een zwaargewicht gevecht in de wetenschap: een test die zó scherp is geformuleerd dat de theorie er direct door kan sterven óf er als een held (voorlopig) uit tevoorschijn komt.
Immunisering
= Het kunstmatig beschermen van een theorie tegen kritiek of foute voorspellingen. Als er feiten opduiken die de theorie tegenspreken, past men de theorie zo aan (of verzint men ad-hoc hypothesen) dat zij áltijd gelijk blijft openhouden. Volgens Popper is dit onwetenschappelijk en dogmatisch.
Conjecture and Refutation (gissing en weerlegging)
= de kernmethode van wetenschappelijke vooruitgang volgens Popper. Wetenschappers bedenken gedurfde gissingen (theorieën/hypothesen) en proberen die vervolgens zo hard mogelijk te weerleggen via experimenten.
Evolutionair proces van theorievorming
= Poppers visie dat theorieën met elkaar concurreren in een overlevingsstrijd (survival of the fittest). De zwakke theorieën worden geëlimineerd door falsificatie, de sterke theorieën overleven (voorlopig).
Consensus (en de pragmatische feitenbasis)
& rationele consensus vs. strategische consensus
= Omdat absolute feiten niet bestaan, spreekt Popper van een beslissing van de wetenschappelijke gemeenschap. Wetenschappers spreken onderling af wanneer een waarneming of testopstelling betrouwbaar genoeg is om als 'feit' te dienen. Feiten zijn dus een menselijk consensusproduct, geen absolute ankers in de natuur.
Rationele consensus: Wetenschappers zijn het met elkaar eens op basis van de kracht van de beste argumenten en logica (de 'dwangloze dwang van het betere argument').
Strategische consensus: Wetenschappers stemmen in met een theorie vanwege externe motieven, zoals macht, subsidies, reputatie, groepsdruk of politieke belangen.
Het argument tegen het logisch positivisme (en inductie)
= Popper stelt dat de logisch positivisten de plank misslaan met hun eis van confirmatie (bevestiging). Theorieën zoals Freuds psychoanalyse of Adlers individuele psychologie kunnen álles verklaren. Wat een patiënt ook doet (bijv. een kind in het water duwen of een kind redden), Adler kan beide gedragingen moeiteloos verklaren vanuit een 'minderwaardigheidscomplex'. Omdat deze theorieën nooit ongelijk kunnen hebben, zijn ze volgens Popper pseudowetenschappelijk.