1/22
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Brede definities van gezondheid (WHO & positieve gezondheid)
WHO
= “Health is a state of complete physical, mental and social well-being and not merely the absence of disease or infirmity”
Positieve gezondheid
= “Gezondheid als het vermogen je aan te passen en je eigen regie te voeren, in het licht van de sociale, fysieke en emotionele uitdagingen van het leven.”
Subjectief welzijn (= relationeel & een proces)
= hoe iemand zich voelt
Dagelijks affect: positieve & negatieve gevoelens
Zingeving en doel: gevoel van groei en betekenis
Cognitieve evaluatie: tevredenheid met leven
Persoonlijke capaciteiten: veerkrachtig met omstandigheden omgaan
→ welzijn is relationeel
= niet individueel: het ontstaat in relaties tussen mensen, tussen mensen en hun omgeving en in relatie tot normen en sociale structuren.
→ welzijn is een proces
= geen permanente staat
Hedonic adaptation
= een proces waarbij de impact van een verandering of gebeurtenis (bijvoorbeeld: de loterij winnen of een groot verlies) op iemands welzijn afneemt over de tijd.
→ je merkt het minder op, je standaard verschuift, je interpretatie verandert, je gevoelens worden minder intens
→ sociale factoren hebben invloed op je baseline welzijn & intensiteit + het verloop van pieken en dalen

Social integration (structuur)
= hoe sterk iemand ingebed is in een sociaal netwerk
(bijvoorbeeld aantal sociale contacten, deelname aan groepen, sociale groepen)

Mechanismes:
= heeft direct effect op gezondheid
meer zingeving
meer sociale regulatie van (gezond) gedrag
meer toegang tot hulpbronnen
Negatief mechanisme: slechte relaties → stress → slechtere gezondheid
Social support (functie)
= de hulp en steun die mensen krijgen/ervaren via relaties
(emotioneel, praktisch, informatief)

Mechanismes:
= effect via stress-buffering (minder impact van stress)
psychologisch: minder depressie en angst, betere coping, meer gevoel van controle en betekenis
fysiologisch: minder cortisol en betere immuunfunctie
gedrag: meer hulp bij en kennis over gezond gedrag
Negatief mechanisme: slechte relaties → stress → slechtere gezondheid
Sociaal kapitaal:
Individueel vs collectief
individueel sociaal kapitaal
= je eigen sociale netwerk, contact met vrienden/familie, persoonlijke steun
buurt sociaal kapitaal
= vertrouwen in de buurt, sociale cohesie, participatie, wederkerigheid
→ beide vormen hangen samen met individuele gezondheid
Sociale cohesie
buurten waar mensen elkaar kennen (integratie) en helpen (steunen)
meer informele controle → veiliger gevoel
sociale normen beïnvloeden gedrag
Voorzieningsarme buurten
minder plekken/infrastructuur voor ontmoeting, ontspanning, gezonde voeding, zorg en sport
onveilige omgeving → minder naar buiten → minder ontmoeting & beweging
bij lagere SES/slechte woningkwaliteit/overbevolking → meer (chronische) stress → minder ruimte voor sociale cohesie
Gentrificatie
= voor nieuwe (vaak rijkere bewoners): betere leefomgeving, voorzieningen, veiligheid → betere gezondheid
= voor oorspronkelijke bewoners: meer financiële druk, verdringing (gedwongen verhuizing of blijven maar niet meer “passen”) → verlies van sociale cohesie en steun
→ relatieve ongelijkheid neemt toe
Social comparison theory
= mensen evalueren hun eigen attitudes, vaardigheden en welzijn door zich te vergelijken met anderen (upwards of downwards). Leven tussen rijkere groepen → meer gevoel van achterstand.
Investeringen in de fysieke omgeving zorgen niet automatisch voor een hoger welzijn.
Eenzaamheidsparadox
= mensen die zich eenzaam voelen hebben meer behoefte aan sociale verbinding, maar gedragen zich tegelijkertijd op een manier die sociale verbinding bemoeilijkt.
→ Vicieuze cirkel: minder sociaal gedrag → slechtere relaties → meer eenzaamheid.
Hypervigilantie voor sociale dreiging: verwachting van afwijzing, alert op negatieve signalen.
Negatievere interpretatie van neutrale situaties: iemand reageert laat → ze vinden me niet leuk.
Terugtrekgedrag: minder open, minder vertrouwen, meer vermijding
Sociaal werk
= versterken van mensen, netwerken en gemeenschappen, zodat mensen kunnen meedoen in de samenleving
Brugfunctie tussen leefwereld (bewoners) en systeemwereld (beleid en organisaties)
Maar:
Sociaal werk in Nederland is versnipperd en moeilijk af te bakenen: decentralisatie (gemeenten), verschillende werkvelden (jeugd, ouderen, wijk, zorg), beleidslabels (bijv. wijkcoach of sociaal makelaar)
Sociaal werk:
Individueel niveau vs gemeenschaps-/groepsniveau
Individueel niveau: hulp bij eenzaamheid, schulden, opvoeding
Gemeenschaps-/groepsniveau: activiteiten organiseren, buurthuizen, mensen in contact brengen met elkaar
Hoe werkt sociaal werk?
Procesmatig & adaptief (meebewegen met wat er ontstaat in de buurt)
Duurzame relaties opbouwen op de lange termijn
Leren door te doen
Wat beleid vraagt
Vooraf plannen maken
Meetbare resultaten
Verantwoording achteraf
Werken met tijdelijke gelden
Gevolg: snel minder zicht op echte impact, “papieren werkelijkheid”
Opbouwwerk: collectief sociaal werk
→ Hoofdtaak: mensen in een buurt verbinden en activeren om samen hun leefomgeving te verbeteren.
Door:
Bewoners activeren en ondersteunen
Netwerken opbouwen en versterken
Signaleren van problemen in de wijk
Belangen behartigen (ook richting beleid)
Samenwerkingen organiseren
Bijvoorbeeld: de koffiekar of buurthuis

Opbouwwerk:
Spanningsvelden
Bewoners vs overheid:
Bewoners willen een speeltuin behouden als ontmoetingsplek. De gemeente wil het terrein verkopen voor woningbouw.
Eigenaarschap vs resultaat:
Een groep bewoners wil een buurtfeest organiseren, maar het loopt chaotisch en afspraken worden niet nagekomen. Overnemen of niet?
Korte termijn vs lange termijn:
Er is overlast van jongeren in de wijk. Bewoners willen snelle actie (meer toezicht).
De opbouwwerker ziet dat het probleem ligt in gebrek aan voorzieningen en wil investeren in langdurige oplossingen.
Welzijn op recept
= kortdurende welzijnsinterventies: sociale activatie om het zelf weer te kunnen redden
20-50% van de klachten bij de huisarts zijn niet medisch. Risico van een individuele/medicaliserende aanpak, en steeds terugkeer naar de huisarts.
→ Huisarts verwijst door naar welzijnscoach (sociaal domein). Welzijnscoach verbindt de cliënt aan activiteiten (buurtgericht).
Welzijn op recept: doelgroep

Verloop doorverwijzing WOR (Welzijn Op Recept)

Welzijnscoach
Sociaal werk: een brede overkoepelende term
Gespreksvoering is oplossingsgericht, niet probleemgericht → duidelijk geformuleerde doelen ontwikkelen binnen referentiekader van cliënt
Oplossingen gebaseerd op uitzonderingen (momenten in het leven van de cliënt waarop de problemen niet voortkwamen).
“Waar hoopt u op?” “Welk verschil zou dat maken?” “Wat zou uw volgende stapje zijn?”
Gespreksvoering is in principe activerend, niet hulpverlenend.
Maatwerk afhankelijk van wensen en vaardigheden cliënt.
Opstarten WOR in buurt → het sociaal weefsel
Samenwerken met professionals: opbouwwerkers, versterkers van de collectieve gemeenschap.
Op de hoogte zijn van ‘warme plekken’: waar kunnen cliënten een positieve sociale ervaring opdoen?
Spanningsvelden:
Interventie afhankelijk van bestaand sociaal weefsel in de omgeving.
Hoe voorkomen dat het leuke gezellige wandelclubje een zorgfunctie krijgt?
De doorverwijsplek laten weten dat iemand via sociaal werk komt? > kwetsbaar onderwerp
Opstarten WOR in buurt → huisarts

Opstarten WOR in buurt → beleid
WoR wordt vergoed vanuit SPUK-gelden van de gemeente. Gemeentes mogen met potjes schuiven, dus moeilijk in te schatten of het geld bij WoR terecht komt.
Veel welzijnscoaches hebben ook andere functies (bijvoorbeeld maatschappelijk werker of opbouwwerker), waardoor scheidingen tussen interventies kunnen vervagen.
Spanningsvelden:
Continu veranderingen in sociaal domein, waarom nu in WoR investeren? Is het een duurzame interventie?
WoR bespaard geld voor de zorg, maar wordt niet vanuit de zorg betaald.