1/70
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
l’achat
De aankoop, verwijzend naar het proces waarbij een consument goederen of diensten verwerft in ruil voor geld.
le boulot
De baan of het werk dat iemand dagelijks uitvoert om inkomen te verdienen.
le combat
De strijd of confrontatie, vaak in de context van competitie of conflict.
le conseil
Het advies of de aanbeveling gegeven door iemand met ervaring of kennis in een bepaald gebied.
le consommateur
De consument, het individu dat goederen of diensten koopt voor persoonlijk gebruik.
le défaut
Het defect of gebrek in een product dat het niet functioneel of niet bruikbaar maakt.
l’entretien de vente
Het verkoopgesprek of gesprek tussen een verkoper en een potentiële koper, gericht op het sluiten van een verkoop.
le livret (d’épargne)
Het spaarboekje, een document waarin spaargelden worden bijgehouden, vaak gebruikt bij banken.
le logiciel
De computerprogramma's of applicaties die door computers worden gebruikt om specifieke taken uit te voeren.
le montant
Het bedrag, dat verwijst naar een specifieke waarde of som van geld.
le pouvoir
De kracht of macht die iemand heeft om invloed uit te oefenen of keuzes te maken.
le pouvoir d’achat
De koopkracht, die aangeeft hoeveel goederen en diensten een persoon kan kopen met zijn of haar inkomen.
l’approche (f.)
De benadering of methodologie om een probleem of situatie aan te pakken.
l’astuce (f.)
De truc of slimme techniek die kan helpen bij het oplossen van een probleem of het bereiken van een doel.
la bonne affaire
De koopjes of voordelige deals, waarbij producten tegen een lagere prijs worden aangeboden.
la carte bancaire
De bankkaart, een plastic kaart die wordt gebruikt voor elektronische betalingen in winkels of online.
la cible
De doelstelling of specificatie voor een campagne, marketingactie of verkoopdoel.
la consommation
De consumptie, het proces van het gebruiken of verbruiken van goederen en diensten.
la contrefaçon
De vervalsing of het namaakproduct dat probeert te lijken op een origineel merk of product.
la dépense
De uitgave, het geld dat wordt besteed aan goederen of diensten.
la gestion
Het beheer of de organisatie van middelen, vaak binnen een bedrijf of project.
la peste
De ergernis of irritatie die iemand kan voelen door bepaalde omstandigheden of gedragingen.
la récompense
De beloning, wat iemand ontvangt als erkenning voor een prestatie of goed gedrag.
la réduction
De korting, een prijsverlaging op een product of dienst.
la satisfaction
De tevredenheid, het gevoel dat men krijgt wanneer aan de wensen of behoeften is voldaan.
la valeur
De waarde, die aangeeft wat iets waard is in termen van geld, nut of significantie.
cesser
Stoppen of ophouden met een bepaalde activiteit.
consommer
Kopen of gebruiken, met speciale aandacht voor voedsel of goederen.
convenir
Geschikt of passend zijn voor een bepaalde situatie of behoefte.
dépenser
Geld uitgeven aan goederen of diensten.
disposer de
Beschikken over of iets tot je beschikking hebben.
écouler
Verkopen of afstoten van goederen, vaak in grote hoeveelheden.
épargner
Geld sparen voor toekomstig gebruik of investeringen.
financer
Financieren of het bieden van de nodige middelen om iets te realiseren.
gérer
Beheren of organiseren van taken, middelen of projecten.
imposer
Iets opleggen of verplichten aan anderen.
inciter à
Aanmoedigen of aansporen tot een bepaalde actie.
marchander à
In de prijs onderhandelen over de kosten van een goed of dienst.
mériter
Verdienen of recht hebben op iets vanwege verdientelijk gedrag of prestaties.
négocier
Onderhandelen over voorwaarden of prijzen, vaak in een zakelijke context.
réclamer
Eisen of oproepen tot iets dat men denkt te verdienen.
rembourser
Terugbetalen van geld aan iemand die het heeft geleent of aan wie een refund is beloofd.
saisir
Vastpakken of grijpen, meestal in een context van handelen.
se précipiter
Zich haasten of snel vooruitgaan in een bepaalde situatie.
se valoir
Waard zijn in de context van vergelijkingen tussen waarde of kosten.
annuel
Jaarlijks, verwijzend naar iets dat elk jaar plaatsvindt.
avantageux
Voordelig of gunstig, vaak in termen van kosten en baten.
conservateur (-trice)
Conservatief, iemand die streeft naar behoud van traditionele waarden.
davantage
Meer, een grotere hoeveelheid of intensiteit.
disponible
Beschikbaar, iets dat toegankelijk en klaar voor gebruik is.
embarrassant
Ongemakkelijk of beschamend, vaak in sociale situaties.
financier (-ière)
Financieel, betrekking hebbend op geld en economie.
généreux
Gunstig of vrijgevig, iemand die bereid is om te geven.
incontournable
Onmisbaar, iets dat noodzakelijk is en niet kan worden genegeerd.
mensuel
Maandelijks, elke maand terugkerend.
nettement
Duidelijk of aanzienlijk, in de context van zichtbare verschillen.
performant
Hoge prestaties leverend, vooral in termen van efficiëntie en effectiviteit.
privilégié
Voorrecht of in het voordeel zijn van bepaalde kansen of voordelen.
rémunéré
Betaald of vergoed voor uitgevoerde diensten of werk.
rentable
Winstgevend, met een goede verhouding tussen kosten en opbrengsten.
puissant
Krachtig, met de mogelijkheid om aanzienlijke invloed uit te oefenen.
en connaissance de cause
Met volledig begrip van de gevolgen of informatie.
en rupture de stock
Uitverkocht, wanneer een product tijdelijk niet beschikbaar is.
être dupe
Bedrogen zijn of in de val gelopen worden.
faire faillite
Bankroet verklaren, wanneer een bedrijf zijn schulden niet kan betalen.
gagner sa vie
Een inkomen verdienen om de kosten van levensonderhoud te dekken.
répondre à ses besoins
Voldoen aan de persoonlijke behoeften of vereisten.
résister à la tentation
Weerstand bieden tegen de verleiding om iets ongewenst te doen.
sans cesse
Onophoudelijk, zonder pauze of stop.
se faire piéger
Vastgeroest raken in een situatie of problemen ondervinden.
tondre le gazon
Het gras maaien, meestal om het esthetisch aantrekkelijk te houden