frans
l’achat de aankoop
le boulot de job
le combat het gevecht
le conseil de raad(geving)
le consommateur de consument
le défaut het gebrek
l’entretien de vente
le livret (d’épargne) het spaarboekje
le logiciel het computerprogramma
le montant het bedrag
le pouvoir de macht
le pouvoir d’achat de koopkracht
l’approche (f.) de aanpak
l’astuce (f.) het trucje
la bonne affaire het koopje
la carte bancaire de bankkaart.
la cible de doelgroep, het doelwit
la consommation de consumptie
la contrefaçon de namaak
la dépense de uitgave
la gestion het beheer
la peste het ettertje
la récompense de vergoeding
la réduction de korting
la satisfaction tevredenheid
la valeur de waarde
cesser de ophouden met
consommer kopen, verbruiken
convenir passen
dépenser uitgeven
disposer de beschikken over
écouler van de hand doen, verkopen
épargner sparen
financer financieren
gérer beheren
imposer opleggen
inciter à aanzetten tot
marchander À onderhandelen over de prijs
mériter verdienen
négocier onderhandelen
réclamer eisen
rembourser terugbetalen
saisir grijpen
se précipiter zich haasten
se valoir elkaar waard zijn
annuel jaarlijks
avantageux voordelig
conservateur (-trice) conservatief, behoudsgezind
davantage meer
disponible beschikbaar
embarrassant pijnlijk, vervelend
financier (-ière) financieel
généreux gul, vrijgevig
incontournable onontbeerlijk
mensuel maandelijks
nettement duidelijk, sterk
performant goed preseterend, krachtig
privilégié bevoorrecht
rémunéré betaald
rentable rendabel
puissant krachtig
en connaissance de cause met kennis van zaken
en rupture de stock niet in voorraad
être dupe zich laten beetnemen
faire faillite failliet gaan
gagner sa vie zijn brood verdienen
répondre à ses besoins aan zijn/haar behoeften voldoen
résister à la tentation aan de verleiding weerstaan
sans cesse onophoudelijk
se faire piéger zich in de val laten lokken
tondre le gazon het gras maaien