1/18
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Groepsvorming (kc)
Het tot stand komen van bindingen tussen meer dan twee mensen, doordat ze elkaar beïnvloeden en gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen.
Formele groepen
Groepen die vast omschreven doelen, normen, regels, rollenstructuur en hiërarchie hebben, bijvoorbeeld een organisatie.
Informele groepen
Groepen die zaken flexibel en niet formeel hebben vastgelegd, bijvoorbeeld een vriendengroep.
Primaire groep
Een groep waar mensen persoonlijke en duurzame relaties met elkaar onderhouden, er is een sterke persoonlijke en emotionele band tussen de mensen in de groep. Vaak zijn er gedeelde waarden en normen. Bijvoorbeeld vriendengroep of familie.
Secundaire groep
Een groep waar mensen formele en onpersoonlijke relaties met elkaar onderhouden. Het doel staat voorop, niet de persoonlijke relatie. Bijvoorbeeld collega’s op werk.
Ingroup
De groep waar iemand zelf bij hoort en zich mee identificeert. Mensen voelen zich verbonden met deze groep en zien die vaak als “wij”. Voorbeelden zijn je vriendengroep, familie, school of land.
Outgroup
De groep waar iemand niet bij hoort. Deze wordt gezien als “zij”. Mensen voelen zich hier minder mee verbonden en kunnen er soms stereotyperingen of vooroordelen over hebben.
Sociale cohesie (kc)
Het aantal en de kwaliteit van de bindingen die mensen in een ruimer sociaal kader met elkaar hebben, het gevoel een groep te zijn, lid te zijn van een gemeenschap, de mate van verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn, en de mate waarin anderen daar ook een beroep op kunnen doen.
Sociale institutie (kc)
Complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties reguleren. (Bijvoorbeeld het rechtssysteem)
Politieke institutie (kc)
Complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties rond politieke machtsuitoefening en politieke besluitvorming reguleren.
Representatie
De vertegenwoordiging van een groep in (politieke) organisaties door één of enkele betrokkenen die namens de groep optreden.
Representativiteit (kc)
De mate waarin de (politieke) besluiten, de standpunten of achtergrondkenmerken van vertegenwoordigers overeenkomen met die van de groep die vertegenwoordigd wordt.
Natie
Een groep met en nationale identiteit die een gemeenschappelijke herkomst, taal en cultuur deelt en streeft naar een eigen staat.
Natiestaat
Wanneer de grenzen van een natie samenvallen met die van de staat. 1 cultuur etc.
Multinationale staat
Wanneer de grenzen van de culturele identiteit (natie) niet samenvallen met de grenzen van de nationale identiteit (staat). Er leven meerdere naties samen, dus meerdere culturen in 1 staat.
Collectieve goederen
Goederen waarvan niemand van het gebruik kan worden uitgesloten.
Dilemma van de collectieve actie
Situatie waarbij mensen of landen wel willen profiteren van een gezamenlijk doel, maar zelf niet altijd willen bijdragen aan het behalen ervan. Hierdoor wordt samenwerking moeilijker.
Cultuuruniversalisme
Gaat ervan uit dat er bepaalde algemene waarden zijn die voor iedereen gelden, onafhankelijk van de cultuur die iemand aanhangt. Denk bijvoorbeeld aan de gelijkheid tussen man en vrouw.
Cultuurrelativisme
Culturen kunnen niet met elkaar vergeleken worden. Waarden en normen zijn niet universeel, maar moeten worden bekeken vanuit een bepaalde cultuur. Bepaalde gebruiken in andere culturen kunnen dus niet als algemene schendingen van mensenrechten worden ervaren. Alle culturen zijn gelijkwaardig.