Perfectum en imperfectum

0.0(0)
studied byStudied by 1 person
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/101

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:11 PM on 10/12/23
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

102 Terms

1
New cards

lezen

(hebben) gelezen; las/lazen

<p>(hebben) gelezen; las/lazen</p>
2
New cards

uitgaan

(zijn) uitgegaan; ging uit/gingen uit

<p>(zijn) uitgegaan; ging uit/gingen uit</p>
3
New cards

verjaren

(zijn) verjaard; verjaarde/verjaarden

<p>(zijn) verjaard; verjaarde/verjaarden</p>
4
New cards

verhuizen

(zijn) verhuisd; verhuisde/verhuisden

<p>(zijn) verhuisd; verhuisde/verhuisden</p>
5
New cards

ziek zijn

(zijn) ziek geweest; was ziek/waren ziek

<p>(zijn) ziek geweest; was ziek/waren ziek</p>
6
New cards

lopen

(zijn/hebben) gelopen; liep/liepen

<p>(zijn/hebben) gelopen; liep/liepen</p>
7
New cards

(brood) bakken

(hebben) gebakken; bakte/bakten

<p>(hebben) gebakken; bakte/bakten</p>
8
New cards

boodschappen doen

(hebben) boodschappen gedaan; deed boodschappen/deden boodschappen

<p>(hebben) boodschappen gedaan; deed boodschappen/deden boodschappen</p>
9
New cards

stofzuigen

(hebben) gestofzuigd; stofzuigde/stofzuigden

<p>(hebben) gestofzuigd; stofzuigde/stofzuigden</p>
10
New cards

leren

(hebben) geleerd; leerde/leerden

<p>(hebben) geleerd; leerde/leerden</p>
11
New cards

voorlezen

(hebben) voorgelezen; las voor/lazen voor

<p>(hebben) voorgelezen; las voor/lazen voor</p>
12
New cards

eten

(hebben) gegeten; at/aten

<p>(hebben) gegeten; at/aten</p>
13
New cards

fietsen

(hebben/zijn) gefietst; fietste/fietsten

<p>(hebben/zijn) gefietst; fietste/fietsten</p>
14
New cards

koken

(hebben) gekookt; kookte/kookten

<p>(hebben) gekookt; kookte/kookten</p>
15
New cards

drinken

(hebben) gedronken; dronk/dronken

<p>(hebben) gedronken; dronk/dronken</p>
16
New cards

sprinten

(hebben) gesprint; sprintte/sprintten

<p>(hebben) gesprint; sprintte/sprintten</p>
17
New cards

schrijven

(hebben) geschreven; schreef/schreven

<p>(hebben) geschreven; schreef/schreven</p>
18
New cards

winkelen

(hebben) gewinkeld; winkelde/winkelden

<p>(hebben) gewinkeld; winkelde/winkelden</p>
19
New cards

studeren

(hebben) gestudeerd; studeerde/studeerden

<p>(hebben) gestudeerd; studeerde/studeerden</p>
20
New cards

poetsen

(hebben) gepoetst; poetste/poetsten

<p>(hebben) gepoetst; poetste/poetsten</p>
21
New cards

opstaan

(zijn) opgestaan; stond op/stonden op

<p>(zijn) opgestaan; stond op/stonden op</p>
22
New cards

slapen

(hebben) geslapen; sliep/sliepen

<p>(hebben) geslapen; sliep/sliepen</p>
23
New cards

aandoen

(hebben) aangedaan; deed aan/deden aan

<p>(hebben) aangedaan; deed aan/deden aan</p>
24
New cards

uitdoen

(hebben) uitgedaan; deed uit, deden uit

<p>(hebben) uitgedaan; deed uit, deden uit</p>
25
New cards

wonen

(hebben) gewoond; woonde, woonden

<p>(hebben) gewoond; woonde, woonden</p>
26
New cards

zwemmen

(hebben/zijn) gezwommen; zwom/zwommen

27
New cards

kijken naar

(hebben) gekeken naar; keek/keken

<p>(hebben) gekeken naar; keek/keken</p>
28
New cards

afspreken

(hebben) afgesproken; sprak af/spraken af

<p>(hebben) afgesproken; sprak af/spraken af</p>
29
New cards

sporten

(hebben) gesport; sportte/sportten

<p>(hebben) gesport; sportte/sportten</p>
30
New cards

bidden/mediteren

(hebben) gebeden/gemediteerd; bidde/bidden

31
New cards

zingen

(hebben) gezongen; zong/zongen

<p>(hebben) gezongen; zong/zongen</p>
32
New cards

dansen

(hebben) gedanst; danste/dansten

<p>(hebben) gedanst; danste/dansten</p>
33
New cards

voetballen

(hebben) gevoetbald; voetbalde/voetbalden

<p>(hebben) gevoetbald; voetbalde/voetbalden</p>
34
New cards

huilen/wenen

(hebben) gehuild/geweend; huilde/huilden/weende/weenden

<p>(hebben) gehuild/geweend; huilde/huilden/weende/weenden</p>
35
New cards

wandelen

(hebben/zijn) gewandeld; wandelde/wandelden

<p>(hebben/zijn) gewandeld; wandelde/wandelden</p>
36
New cards

een douche nemen, douchen

(hebben) genomen; nam/namen

<p>(hebben) genomen; nam/namen</p>
37
New cards

vragen

(hebben) gevraagd; vroeg/vroegen

<p>(hebben) gevraagd; vroeg/vroegen</p>
38
New cards

tennissen

(hebben) getennist; tenniste/tennisten

<p>(hebben) getennist; tenniste/tennisten</p>
39
New cards

luisteren naar

(hebben) geluisterd naar; luisterde naar/luisterden naar

<p>(hebben) geluisterd naar; luisterde naar/luisterden naar</p>
40
New cards

hoesten

(hebben) gehoest; hoestte/hoestten

<p>(hebben) gehoest; hoestte/hoestten</p>
41
New cards

gaan naar een café/op café

(zijn) gegaan naar een café/ op café; ging/gingen naar een café/op café

42
New cards

wassen

(hebben) gewassen; waste/wasten

<p>(hebben) gewassen; waste/wasten</p>
43
New cards

strijken

(hebben) gestreken; streek/streken

<p>(hebben) gestreken; streek/streken</p>
44
New cards

feesten/feest vieren

(hebben) gefeest/ (hebben) feest gevierd; feestte/feestten/vierde feest/vierden feest

45
New cards

lachen

(hebben) gelachen; lachte/lachten

<p>(hebben) gelachen; lachte/lachten</p>
46
New cards

zoeken

(hebben) gezocht; zocht/zochten

47
New cards

werken

(hebben) gewerkt; werkte/werkten

<p>(hebben) gewerkt; werkte/werkten</p>
48
New cards

spelen

(hebben) gespeeld; speelde/speelden

<p>(hebben) gespeeld; speelde/speelden</p>
49
New cards

helpen

(hebben) geholpen; hielp/hielpen

<p>(hebben) geholpen; hielp/hielpen</p>
50
New cards

(pijn) hebben)

(hebben) (pijn) gehad; had (pijn)/hadden (pijn)

<p>(hebben) (pijn) gehad; had (pijn)/hadden (pijn)</p>
51
New cards

knippen

(hebben) geknipt; knipte/knipten

<p>(hebben) geknipt; knipte/knipten</p>
52
New cards

geven

(hebben) gegeven; gaf/gaven

<p>(hebben) gegeven; gaf/gaven</p>
53
New cards

rijden

(zijn/hebben) gereden; reed/reden

<p>(zijn/hebben) gereden; reed/reden</p>
54
New cards

krijgen

(hebben) gekregen; kreeg/kregen

<p>(hebben) gekregen; kreeg/kregen</p>
55
New cards

tellen

(hebben) geteld; telde/telden

<p>(hebben) geteld; telde/telden</p>
56
New cards

betalen

(hebben) betaald; betaalde/betaalden

<p>(hebben) betaald; betaalde/betaalden</p>
57
New cards

spellen

(hebben) gespeld; spelde/spelden

<p>(hebben) gespeld; spelde/spelden</p>
58
New cards

spreken

(hebben) gesproken; sprak/spraken

<p>(hebben) gesproken; sprak/spraken</p>
59
New cards

wachten op

(hebben) gewacht op; wachtte op/wachtten op

<p>(hebben) gewacht op; wachtte op/wachtten op</p>
60
New cards

vallen

(zijn) gevallen; viel/vielen

<p>(zijn) gevallen; viel/vielen</p>
61
New cards

duwen

(hebben) geduwd; duwde/duwden

<p>(hebben) geduwd; duwde/duwden</p>
62
New cards

kopen

(hebben) gekocht; kocht/kochten

<p>(hebben) gekocht; kocht/kochten</p>
63
New cards

verkopen

(hebben) verkocht; verkocht/verkochten

<p>(hebben) verkocht; verkocht/verkochten</p>
64
New cards

snijden

(hebben) gesneden; sneed/sneden

<p>(hebben) gesneden; sneed/sneden</p>
65
New cards

trekken

(hebben) getrokken; trok/trokken

<p>(hebben) getrokken; trok/trokken</p>
66
New cards

bellen/telefoneren

(hebben) gebeld/getelefoneerd; belde/telefoneerde/belden/telefoneerden

<p>(hebben) gebeld/getelefoneerd; belde/telefoneerde/belden/telefoneerden</p>
67
New cards

draaien

(hebben) gedraaid; draaide/draaiden

68
New cards

roken

(hebben) gerookt; rookte/rookten

<p>(hebben) gerookt; rookte/rookten</p>
69
New cards

vliegen

(zijn/hebben) gevlogen; vloog/vlogen

<p>(zijn/hebben) gevlogen; vloog/vlogen</p>
70
New cards

schilderen

(hebben) geschilderd; schilderde/schilderden

<p>(hebben) geschilderd; schilderde/schilderden</p>
71
New cards

roepen

(hebben) geroepen; riep/riepen

<p>(hebben) geroepen; riep/riepen</p>
72
New cards

solliciteren

(hebben) gesolliciteerd; solliciteerde/solliciteerden

<p>(hebben) gesolliciteerd; solliciteerde/solliciteerden</p>
73
New cards

een opleiding volgen

(hebben) een opleiding gevolgd; volgde/volgden

<p>(hebben) een opleiding gevolgd; volgde/volgden</p>
74
New cards

beginnen

(zijn) begonnen; begon/begonnen

75
New cards

stoppen

zijn gestopt; stopte/stopten

<p>zijn gestopt; stopte/stopten</p>
76
New cards

begrijpen

(hebben) begrepen; begreep/begrepen

<p>(hebben) begrepen; begreep/begrepen</p>
77
New cards

bezoeken

(hebben) bezocht; bezocht/bezochten

<p>(hebben) bezocht; bezocht/bezochten</p>
78
New cards

vinden

(hebben) gevonden; vond/vonden

<p>(hebben) gevonden; vond/vonden</p>
79
New cards

blijven

(zijn) gebleven; bleef/bleven

<p>(zijn) gebleven; bleef/bleven</p>
80
New cards

vertrekken

(zijn) vertrokken; vertrok/vertrokken

<p>(zijn) vertrokken; vertrok/vertrokken</p>
81
New cards

brengen (naar)

(hebben) gebracht (naar); bracht (naar)/brachten (naar)

<p>(hebben) gebracht (naar); bracht (naar)/brachten (naar)</p>
82
New cards

halen (van)

(hebben) gehaald (van)/ haalde (van)/haalden (van)

<p>(hebben) gehaald (van)/ haalde (van)/haalden (van)</p>
83
New cards

denken

(hebben) gedacht; dacht/dachten

<p>(hebben) gedacht; dacht/dachten</p>
84
New cards

dragen

(hebben) gedragen; droeg/droegen

<p>(hebben) gedragen; droeg/droegen</p>
85
New cards

hangen

(hebben) gehangen; hing/hingen

<p>(hebben) gehangen; hing/hingen</p>
86
New cards

kiezen

(hebben) gekozen; koos/kozen

<p>(hebben) gekozen; koos/kozen</p>
87
New cards

liggen

(hebben) gelegen; lag/lagen

<p>(hebben) gelegen; lag/lagen</p>
88
New cards

ontbijten

(hebben) ontbeten; ontbeet/ontbeten

<p>(hebben) ontbeten; ontbeet/ontbeten</p>
89
New cards

oversteken

(zijn) overgestoken; stak over/staken over

<p>(zijn) overgestoken; stak over/staken over</p>
90
New cards

sluiten

(hebben) gesloten; sloot/sloten

<p>(hebben) gesloten; sloot/sloten</p>
91
New cards

staan

(hebben) gestaan; stond/stonden

<p>(hebben) gestaan; stond/stonden</p>
92
New cards

vergeten

(hebben (voor objecten)/zijn (voor niet-objecten) ) vergeten; vergat/vergaten

<p>(hebben (voor objecten)/zijn (voor niet-objecten) ) vergeten; vergat/vergaten</p>
93
New cards

verliezen

(hebben) verloren; verloor/verloren

<p>(hebben) verloren; verloor/verloren</p>
94
New cards

wegen

(hebben) gewogen; woog/wogen

<p>(hebben) gewogen; woog/wogen</p>
95
New cards

weten

(hebben) geweten; wist/wisten

<p>(hebben) geweten; wist/wisten</p>
96
New cards

winnen

(hebben) gewonnen; won/wonnen

<p>(hebben) gewonnen; won/wonnen</p>
97
New cards

worden

(zijn) geworden; werd/werden

<p>(zijn) geworden; werd/werden</p>
98
New cards

zien

(hebben) gezien; zag/zagen

<p>(hebben) gezien; zag/zagen</p>
99
New cards

zitten

hebben gezeten; zat/zaten

<p>hebben gezeten; zat/zaten</p>
100
New cards

zetten

(hebben) gezet; zette/zetten

<p>(hebben) gezet; zette/zetten</p>

Explore top notes

note
Endosymbiosis
Updated 1190d ago
0.0(0)
note
DEMOCRACY+PARTICIPATION:
Updated 1081d ago
0.0(0)
note
Chemical Bonding
Updated 1245d ago
0.0(0)
note
AP LANG
Updated 206d ago
0.0(0)
note
Study Guide questions
Updated 126d ago
0.0(0)
note
Enzyme reactions and kinetics
Updated 276d ago
0.0(0)
note
Endosymbiosis
Updated 1190d ago
0.0(0)
note
DEMOCRACY+PARTICIPATION:
Updated 1081d ago
0.0(0)
note
Chemical Bonding
Updated 1245d ago
0.0(0)
note
AP LANG
Updated 206d ago
0.0(0)
note
Study Guide questions
Updated 126d ago
0.0(0)
note
Enzyme reactions and kinetics
Updated 276d ago
0.0(0)

Explore top flashcards

flashcards
FORCES
42
Updated 548d ago
0.0(0)
flashcards
World History Chapter 26
97
Updated 1044d ago
0.0(0)
flashcards
Forensics
60
Updated 184d ago
0.0(0)
flashcards
ASL: Relationships
32
Updated 1212d ago
0.0(0)
flashcards
mythologische uitdrukkingen
30
Updated 820d ago
0.0(0)
flashcards
Diagnostic Imaging Exam 2; Set 2
34
Updated 1124d ago
0.0(0)
flashcards
FORCES
42
Updated 548d ago
0.0(0)
flashcards
World History Chapter 26
97
Updated 1044d ago
0.0(0)
flashcards
Forensics
60
Updated 184d ago
0.0(0)
flashcards
ASL: Relationships
32
Updated 1212d ago
0.0(0)
flashcards
mythologische uitdrukkingen
30
Updated 820d ago
0.0(0)
flashcards
Diagnostic Imaging Exam 2; Set 2
34
Updated 1124d ago
0.0(0)