1/19
Flashcards gebaseerd op de module 'Ter land, ter zee en in de lucht' over massa, volume, deeltjesmodel, dichtheid en verschijnselen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Grootheid
Iets wat je kunt meten, zoals lengte, massa, volume of geluidssterkte.
Eenheid
Hetgeen je gebruikt om het meetresultaat van een bepaalde grootheid mee uit te drukken, bijvoorbeeld cm, g of l.
Massa
Een maat voor de hoeveelheid materie die aanwezig is in een stof of voorwerp, aangeduid met het symbool m.
Volume
Een maat voor de hoeveelheid plaats die een stof of een voorwerp inneemt, aangeduid met het hoofdletter symbool V.
Recipiënt
Een houder zoals een horlogeglaasje of petrischaal die nodig is om de massa van vloeibare of korrelige stoffen te bepalen op een balans.
Tarreren
De techniek waarbij je de balans weer op 0 zet nadat het recipiënt is geplaatst, zodat de massa van de houder niet wordt meegeteld.
Meniscus
De boogvormige vloeistofspiegel in een maatcilinder waaronder je op ooghoogte het volume correct afleest.
Waterverdringing
Een techniek om het volume van een onregelmatig voorwerp te bepalen door het in een maatcilinder met water te plaatsen en het verschil in waterniveau te berekenen.
Molecule
Een atoom dat afzonderlijk kan voorkomen of een stabiel groepje van meerdere atomen samen.
Zuivere stof
Een stof die is opgebouwd uit slechts één soort moleculen.
Mengsel
Een stof die bestaat uit een combinatie van twee of meerdere verschillende zuivere stoffen.
Massadichtheid
De grootheid die de verhouding tussen de massa en het volume van een stof aangeeft, berekend met de formule ρ=Vm.
Aggregatietoestand
De fase waarin een stof kan voorkomen, namelijk de vaste fase, de vloeibare fase of de gasvormige fase.
Thermische beweging
Het verschijnsel waarbij de deeltjes van een stof sneller gaan bewegen naarmate de temperatuur van de stof stijgt.
Uitzetten
Het toenemen van het totale volume van een stof doordat de ruimte tussen de deeltjes toeneemt bij een stijgende temperatuur.
Krimpen
Het afnemen van het totale volume van een stof doordat de ruimte tussen de deeltjes afneemt bij een dalende temperatuur.
Faseovergang
Het veranderen van de aggregatietoestand van een stof door temperatuursverandering, waarbij de deeltjes zelf niet veranderen.
Sublimeren
De faseovergang waarbij een stof rechtstreeks uit de vaste fase overgaat naar de gasvormige fase.
Fysisch verschijnsel
Een gebeurtenis waarbij geen nieuwe stof gevormd wordt, maar enkel de toestand van de stof verandert, zoals bij een faseovergang.
Chemisch verschijnsel
Een proces, ook wel stofomzetting genoemd, waarbij van twee of meerdere stoffen een nieuwe stof wordt gevormd.