1/10
Deze flashcards behandelen de kernbegrippen van het eerste thema over politiek, inclusief socialisatie, participatiemodellen, kiesstelsels en zowel nationale als internationale instellingen (EU en VN).
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Multilateralisme
Activiteiten waarbij een staat gezamenlijk optreedt met twee of meer andere staten binnen internationale instellingen.
Degressieve proportionaliteit
Het principe in de EU waarbij een parlementslid uit een groot land meer inwoners vertegenwoordigt dan een lid uit een klein land.
Europese Commissie
De uitvoerende macht van de EU die belast is met het dagelijks bestuur, het doen van wetsvoorstellen en het beheren van het budget.
Raad van de Europese Unie
De instelling waarin ministers van de lidstaten samenkomen om te stemmen over Europese wetsvoorstellen en de begroting.
Europese Raad
Het orgaan bestaande uit de staatshoofden en regeringsleiders van de EU-lidstaten dat de algemene politieke prioriteiten uitzet.
Hof van Justitie van de Europese Unie
De instelling die toeziet op de juiste uitlegging en naleving van de Europese wetgeving in alle lidstaten.
Euroscepsis
Een kritische houding van burgers of politici tegenover het proces van Europese integratie en de macht van de Europese instellingen.
Verordening
Een Europese wet die rechtstreeks en bindend van toepassing is in alle lidstaten vanaf het moment van inwerkingtreding.
Richtlijn
Een Europese regel die lidstaten verplicht tot een bepaald resultaat, maar waarbij de landen zelf de vorm en middelen mogen bepalen via nationale wetgeving.
VN-Veiligheidsraad
Het orgaan van de VN verantwoordelijk voor vrede en veiligheid, bestaande uit 5 permanente leden met vetorecht en 10 verkozen leden.
Vetorecht
De bevoegdheid van de permanente leden van de Veiligheidsraad om een resolutie tegen te houden, ongeacht de meerderheid van de overige stemmen.