1/43
Deze flashcards behandelen de gesteentecyclus, de verschillende soorten verwering en erosie, rivierprocessen en de ruimtelijke ordening in Vlaanderen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Gesteentecyclus
Een cyclus die wordt gebruikt om aan te tonen hoe de 3 verschillende soorten gesteenten ontstaan en verbonden zijn met elkaar gedurende geologische periodes.
Magmatische gesteenten
Gesteenten die ontstaan uit de afkoeling, stolling en kristallisatie van magma, vooral bij het aardoppervlak en ondergronds.
Uitvloeingsgesteenten
Magmatische gesteenten waarbij de stolling en kristallisatie snel gebeurt aan het aardoppervlak, waardoor er geen tijd is om grote kristallen te vormen.
Dieptegesteenten
Magmatische gesteenten waarbij de stolling en kristallisatie diep in de grond gebeurt, waardoor het trager afkoelt en er tijd is om grote kristallen te vormen.
Detritische gesteenten
Sedimentaire gesteenten gevormd uit meegevoerd puin van oudere gesteenten die na sedimentatie losse of (na diagenese) vaste gesteenten vormen.
Diagenese
Het proces waarbij de druk op sedimenten toeneemt door bijkomend puin, waardoor na verloop van tijd vaste sedimentaire gesteenten worden gevormd.
Biogene gesteenten
Gesteenten die afkomstig zijn van organisch materiaal zoals schelpen, planten en plankton.
Chemische gesteenten
Gesteenten die ontstaan door het chemische proces waarbij zout wordt afgezet als water verdampt.
Metamorfe gesteenten
Gesteenten die ontstaan wanneer een ander gesteente onder immense druk en/of temperatuur een metamorfose ondergaat, meestal bij gebergtevorming.
Plooiingsfase
Een tijd waarin sterke inwendige krachten de aardkorst vervormen en bergen vormen.
Alpiene plooiingsfase
Plooiingsfase van 66 miljoen jaar geleden op de grens van het Mesozoïcum en Kenozoïcum (Krijt en Paleogeen), waarbij o.a. de Rocky Mountains en de Andes ontstonden.
Hercynische plooiingsfase
Plooiingsfase van 300 miljoen jaar geleden in het Paleozoïcum (Carboon en Perm), waarbij o.a. de Oeral en de Ardennen ontstonden.
Caledonische plooiingsfase
Plooiingsfase van 420 miljoen jaar geleden in het Paleozoïcum (Ordovicium, Seluur en Devoon), waarbij o.a. de Scandinavische en Schotse hooglanden ontstonden.
Verwering
Het proces waarbij een vast gesteente verbrokkelt tot een losser gesteente zonder dat er verplaatsing optreedt.
Fysische verwering
Het verweren van gesteente tot los puin onder invloed van het weer of de dooi-vorstcyclus, waarbij de chemische samenstelling gelijk blijft.
Chemische verwering
Verwering onder invloed van chemische reacties, zoals wanneer koolzuurhoudend water (CO2) reageert met kalksteen.
Karst
De specifieke naam voor de chemische verwering van kalksteen.
Biologische verwering
Verwering veroorzaakt door levende organismen, zoals plantenwortels die barsten veroorzaken of organismen die zuren in de bodem brengen.
Erosie
Het proces van het optillen en verplaatsen van verweerd materiaal door natuurkrachten.
Massatransport
Een vorm van erosie waarbij materiaal wordt verplaatst door de zwaartekracht.
Bodemkruip
Een zeer trage vorm van massatransport die niet met het blote oog te zien is en afhankelijk is van de hellingsgraad.
Aardverschuiving
Massatransport aan matige snelheid waarbij bodem of gesteente wegvloeit langs een schuifvlak; bij meer dan 50% water spreekt men van een modderstroom.
Steenlawine
Zeer snel massatransport waarbij materiaal van steile hellingen naar beneden valt en een klif vormt.
Eolische afzetting
Het proces waarbij korrels worden afgezet wanneer de windkracht afneemt.
Saltatie
Een transportmanier van zand door de wind waarbij de korrels als het ware op en neer springen.
Suspensie
Het proces waarbij fijn materiaal zoals silt in de lucht zweeft tijdens windtransport.
Abrasie
Erosie door de wrijving van door wind of water getransporteerd zand of silt tegen andere gesteenten.
Debiet
De hoeveelheid water die per seconde voorbij een bepaald punt in een rivier stroomt.
Differentiële erosie
De ongelijke werking van erosie op verschillende soorten gesteenten.
Erosiebasis
De hoogte waarop een rivier uitmondt in de zee, het laagste punt waarheen een rivier kan snijden.
Verval
Het hoogteverschil tussen twee punten van een rivier, gedeeld door het lengteverschil van die punten.
Alluvium
Het gezamenlijke afgezette materiaal (zand, leem, klei) door een rivier in de benedenloop.
Landschapsgenese
Het proces van het continu veranderen van een landschap door natuurlijke en menselijke invloeden.
Lintbebouwing
Bebouwing die als een lint langgerekt langs wegen ontstaat, wat leidt tot hoge infrastructuurkosten en versnippering.
Versnippering
Het proces waarbij open land versnipperd raakt door bebouwing en wegen, waardoor natuurgebieden amper nog verbonden zijn.
Ruimtebeslag
De totale ruimte die een bepaalde functie (zoals wonen of wegen) inneemt, inclusief bermen, tuinen en groenstroken.
Verharding
Grond die bedekt is met materialen zoals asfalt of beton waardoor regenwater niet in de bodem kan zakken.
Gewestplan
Een in 1970 ingevoerd statisch plan dat voor alle stukken grond in Vlaanderen een functiebestemming vastlegde.
RSV
Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; een beleidsplan uit 1990 met een visie op lange termijn om open ruimte te behouden en steden te doen heropleven.
BRV
Beleidsplan Ruimte Vlaanderen; ingevoerd in 2011 als opvolger van het RSV, inclusief de Visie Vlaanderen 2050.
Vlaamse Ruit
Het centrale verstedelijkte gebied tussen de steden Brussel, Gent, Antwerpen en Leuven.
Bouwshift
Ook wel betonstop genoemd; het doel om het bijkomend ruimtebeslag tegen 2040 terug te brengen naar 0ha/dag.
Inbreiding
Een vorm van intensivering waarbij verloren ruimtes tussen bestaande gebouwen worden opgevuld.
Verweving
Het gebruiken van dezelfde ruimte voor meerdere verschillende doelen of functies.