HC3: Functionele veroudering

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/17

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 9:14 AM on 6/3/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

18 Terms

1
New cards

Disablement process

1. Het centrale proces (De route)

Het proces verloopt via vier opeenvolgende stappen:

  • Pathologie: De onderliggende ziekte, schade of diagnose (bijv. knieartrose of een beroerte).

  • Stoornis: De afwijking in een specifiek orgaansysteem of lichaamsfunctie (bijv. het niet meer goed kunnen belasten van het kniegewricht).

  • Functionele beperking: De beperking in het uitvoeren van basale fysieke of mentale activiteiten (bijv. moeite met lopen, reiken of traplopen).

  • Participatiebeperking (Disability): Het eindstadium waarbij er een kloof ontstaat tussen wat iemand kan en wat nodig is om deel te nemen aan het dagelijks leven (bijv. geen boodschappen meer kunnen doen of sociale contacten missen).

2. Factoren die het proces beïnvloeden

Drie soorten factoren kunnen dit proces versnellen of juist vertragen:

  • Risicofactoren: Kenmerken die al aanwezig zijn vóór het proces begint, zoals leeftijd, opleiding of leefgewoonten.

  • Intra-individuele factoren: Persoonsgebonden factoren tijdens het proces, zoals een positieve instelling (coping) of het aanpassen van de leefstijl (bijv. gezonder gaan eten na een hartaanval).

  • Extra-individuele factoren: Factoren buiten de persoon, zoals medische zorg, hulpmiddelen (bijv. een traplift) of aanpassingen in de omgeving.


Kan je dit veranderen?

Ja, het document is hier heel duidelijk over: het centrale proces beschrijft geen onvermijdelijk beloop. Je kunt het pad op verschillende manieren onderbreken of veranderen:

  • Door behandeling (Cure): Een arts kan ingrijpen met medicatie of een operatie. Het voorbeeld in de tekst is een knievervangende operatie bij artrose; hierdoor wordt de 'route' naar participatieproblemen afgebroken omdat de stoornis wordt weggenomen.

  • Door ondersteuning (Care): Door de inzet van hulpmiddelen of thuiszorg kan iemand ondanks een functionele beperking toch blijven participeren in de maatschappij.

  • Door preventie: Het model helpt bij het kiezen van preventieve interventies die de ontwikkeling van gezondheidsproblemen in een vroeg stadium stoppen.

Kortom: Door gericht in te grijpen op de omgeving (extra-individueel) of het gedrag (intra-individueel), kan worden voorkomen dat een ziekte (pathologie) leidt tot sociale uitsluiting (participatiebeperking).

2
New cards

Disablement process - Risicofactoren

sociaal-demografisch, leefgewoonten, biologisch
(hogere leeftijd)

= factoren die je vatbaarder maken

3
New cards

Disablement process - intra-individuele factoren

= persoonsgebonden, aanpassing leefgewoonten
(stoppen met roken)

  • leefstijl- en gedragsveranderingen

  • psychologische kenmerken en coping

  • aanpassen activiteiten

4
New cards

Disablement process - extra-individuele factoren

  • medische zorg en revalidatie

  • medicatie en andere behandelingen

  • externe hulp

  • omgeving

5
New cards

Disablement process voorbeelden

knowt flashcard image
6
New cards

Het ICF model (International Classification of Functioning, Disablity and Health)

1. Ziekte / aandoening (Bovenste box)

Dit is de medische diagnose of de fysiologische schade.

  • Voorbeeld: Een beroerte (CVA), knieartrose of suikerziekte.


2. De drie niveaus van menselijk functioneren (Middelste rij)

Het model beschrijft het functioneren op drie samenhangende niveaus:

  • Functies / anatomische eigenschappen (Stoornissen): Dit gaat over de biologische kant van het lichaam. Een probleem op dit niveau wordt een stoornis genoemd.

    • Voorbeeld: Verlies van spierkracht in een been of een verstoorde suikerspiegel.

  • Activiteiten (Beperkingen): Dit gaat over wat iemand kan doen. Een probleem op dit niveau wordt een beperking genoemd.

    • Voorbeeld: Moeite met traplopen, wassen, lezen of 100 meter wandelen.

  • Participatie (Participatieproblemen): Dit gaat over het meedoen aan het dagelijks leven en de samenleving. Een probleem op dit niveau wordt een participatieprobleem genoemd.

    • Voorbeeld: Niet meer kunnen werken, het missen van sociale contacten bij de sportclub of geen boodschappen meer kunnen doen.


3. Contextuele factoren (Onderste groene boxen)

Deze factoren bepalen of een ziekte ook daadwerkelijk leidt tot grote problemen in het functioneren.

  • Externe factoren: Dit is de omgeving buiten de persoon.

    • Onderdelen: Producten en technologie (bijv. een traplift), de natuurlijke omgeving (klimaat), ondersteuning door familie of mantelzorgers en maatschappelijke attitudes of wetgeving.

  • Persoonlijke factoren: Dit zijn kenmerken van de persoon zelf die niet direct bij de aandoening horen.

    • Onderdelen: Leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, leefgewoonten en copingstrategieën (hoe iemand met tegenslag omgaat).

7
New cards

Glaucoom

  • sprake van verlies aan zenuwvezels in de kop van de oogzenuw (de papil). Dit wordt vaak veroorzaakt door een verhoogde oogboldruk, doordat het kamervocht in het oog onvoldoende wordt afgevoerd. Ook een verminderde doorbloeding van de oogzenuw kan een rol spelen.

  • Symptomen: Het perifere gezichtsveld (de zijkanten van wat je ziet) wordt geleidelijk aan kleiner. Omdat dit proces heel langzaam gaat, merken patiënten vaak pas in een laat stadium dat ze minder zien.

8
New cards

Staar (Cataract)

ontstaat door de afzetting van troebele lensvezels in de lens van het oog.

  • Symptomen: De belangrijkste klachten zijn een wazig zicht en lichthinder.

  • Risicofactoren: Naast een hogere leeftijd zijn blootstelling aan zonlicht en diabetes mellitus belangrijke risicofactoren.

9
New cards

Maculadegeneratie

= slijtage van het netvlies

10
New cards

Diabetische retinopathie

= schade aan bloedvaatjes in het netvlies

4.4% van de mannen en 9.1% van de vrouwen van 75 jaar en ouder heeft een visuele beperking

11
New cards

Meten van functie en participatiebeperkingen: Algemeen Dagelijks Levensverrichtingen (ADL)

bijvoorbeeld in/uit bed stappen

12
New cards

Meten van functie en participatiebeperkingen: Beperkingen in Instrumentele Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen (IADL)

bijvoorbeeld telefoneren

13
New cards

Neuropsychologisch Onderzoek (NPO)

een gespecialiseerd onderzoek waarbij de relatie tussen de hersenen en het gedrag in kaart wordt gebracht. In de ouderenzorg is dit een cruciaal instrument om vast te stellen of er sprake is van normale veroudering of een vorm van dementie.

onderzoek kijkt naar verschillende cognitieve domeinen. Het doel is om objectief vast te stellen of er stoornissen zijn in ten minste twee van deze gebieden, wat een kerncriterium is voor de diagnose dementie.

  • Geheugen (Amnesie): Kan iemand nieuwe informatie opslaan en oude informatie ophalen?

  • Taal (Afasie): Is er moeite met het vinden van woorden of het begrijpen van anderen

  • Handelen (Apraxie): Kan iemand nog complexe handelingen uitvoeren, zoals koffiezetten?

  • Waarnemen (Agnosie): Worden voorwerpen of gezichten nog herkend?

  • Executieve functies: Hoe staat het met de planning, het overzicht en het oplossen van problemen?

14
New cards

Functietesten vs zelfrapportage

1. Wat zijn functietesten? (Objectief)

Functietesten zijn gestandaardiseerde, objectieve metingen waarbij een zorgverlener observeert hoe een patiënt een specifieke taak uitvoert.

  • Kenmerk: Het meet de feitelijke capaciteit van het lichaam op dat specifieke moment.

  • Voorbeeld: De SPPB (balans, looptest, stoel-opstaan) of een test waarbij de loopsnelheid exact wordt gemeten.

  • Voordeel: Het is niet afhankelijk van het geheugen of de interpretatie van de patiënt.

2. Wat is zelfrapportage? (Subjectief)

Zelfrapportage bestaat uit vragenlijsten of gesprekken waarin de patiënt zelf aangeeft hoe hij of zij het dagelijks functioneren ervaart.

  • Kenmerk: Het meet de beleving van beperkingen in de eigen omgeving.

  • Voorbeeld: De vraag: "Kunt u zonder moeite een kilometer wandelen?" of vragen over het huishouden.

  • Voordeel: Het geeft inzicht in factoren zoals motivatie, zelfvertrouwen en de invloed van de omgeving (bijvoorbeeld een drempel in huis).


3. Hoe complementeren ze elkaar?

De twee methoden zijn complementair omdat ze samen een completer beeld geven van de patiënt dan elke test apart.

Aspect

Functietesten (Objectief)

Zelfrapportage (Subjectief)

Wat wordt gemeten?

Maximale fysieke capaciteit ("Wat kan iemand?")

Dagelijkse participatie ("Wat doet iemand?")

Omgeving

Klinische setting (testkamer)

De eigen vertrouwde thuissituatie

Beïnvloeding

Wordt niet beïnvloed door cognitie of stemming

Wordt beïnvloed door angst (valangst) of depressie

Waarom ze beide nodig zijn: Soms scoort iemand goed op een objectieve functietest (de benen zijn sterk genoeg), maar geeft diegene in de zelfrapportage aan dat hij de deur niet uit durft. Dit kan wijzen op valangst of omgevingsfactoren die de arts met alleen een fysieke test zou missen. Andersom kan iemand zijn beperkingen ontkennen (onder-rapportage), terwijl de functietest laat zien dat er een groot valrisico is.

15
New cards

Oorzaken gedragsverandering (biologisch, psychologisch, omgeving)

  • biologische factoren
    = veranderingen in de hersenen, medicatie, andere ziektes

  • psychologische factoren
    = persoonlijkheid, ziekte, inzicht, stemming

  • omgevingsfactoren
    = zorgstijl (verzorgend vs ondersteunend vs confronterend)

16
New cards

Disability paradox

= veel ouderen met ernstige beperkingen rapporteren toch een goede kwaliteit van leven

17
New cards

Conductief gehoorverlies (en behandeling)

geluidstrillingen worden niet goed doorgegeven naar het binnenoor
(bijvoorbeeld door prop oorsmeer)

→ goed te behandelen

18
New cards

Perceptief gehoorsverlies (en behandeling)

trillingen komen wel goed aan → maar niet goed geleid naar de hersenen
(bijvoorbeeld door verlies slakkenhuis)

→ onbehandelbaar, dus gehoorapparaat

Ongeveer 13% van de mannen en 9% van de vrouwen van 75 jaar en ouder heeft een gehoorbeperking