1/15
Deze flashcards zijn ontworpen om belangrijke economische termen en concepten te leren die aan bod komen in de samenvatting van Algemene Economie voor de 3e graad Bedrijfswetenschappen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Bruto binnenlands product (BBP)
De totale waarde van alle finale goederen en diensten geproduceerd binnen de grenzen van een land.
Inflatie
De algemene stijging van het prijspeil van goederen en diensten.
Vraagoverschot
Situatie waarbij de vraag naar een goed hoger is dan het aanbod.
Duurzaamheid
Voldoen aan de behoeften van het heden zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties in gevaar te brengen.
Welfare optimum
De maximale sociale welvaart waarbij geen enkele persoon beter af kan zijn zonder dat een ander slechter af is.
Kartelvorming
De afspraken tussen bedrijven om de prijzen te verhogen of productie te beperken.
Economische kringloop
Model dat de relaties en stromen tussen economische actoren weergeeft, zoals huishoudens, bedrijven en de overheid.
Prijselasticiteit van de vraag
De mate waarin de vraag naar een goed reageert op een verandering in prijs.
Collectieve goederen
Goederen die niet kunnen worden geproduceerd door de markt omdat niemand kan worden uitgesloten van consumptie.
Externe effecten
Gevolgen van economische activiteiten die niet worden meegenomen in de kosten of opbrengsten.
Monopolie
Marktvorm waarbij er slechts één aanbieder is van een goed of dienst, zonder directe substituten.
Gini-coëfficiënt
Een maat voor inkomensongelijkheid binnen een land waarop de inkomensverdeling wordt gepresenteerd.
Pigouviaanse belasting
Een belasting die wordt geheven om de negatieve externe effecten van een goed of dienst te corrigeren.
Evenwichtskorting (EK)
Prijs waarbij de vraag naar een product gelijk is aan het aanbod.
Macroeconomie en micro-economie
Macroeconomie bestudeert de economie als geheel (bijv. nationale productie, inflatie), micro-economie focust op individuele huishoudens en bedrijven.
Rentevoeten
De prijs die betaald moet worden voor het lenen van geld, uitgedrukt als percentage van het geleende bedrag.