1/27
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
een biotoop
gebied met een uniform en geografische herkenbaar landschap waarin een levensgemeenschap voorkomt → bos, zee, heide
een levensgemeenschap
de verzameling van individuen van verschillende soorten die gezamenlijk in een biotoop leven, passen aan de typische abiotische factoren aan
habitat
een specifiek leefplek van een organisme in een biotoop → koolmees uit dunne takken
ecosysteem
het geheel van interacties tussen de biotisch en abiotische factoren: voedsel relaties, fotosynthese, begrazing, betreding en bemesting
regenwoud
vochtig + bosrijk, zeer groot biodiversiteit
temp vrij hoog + regen doorheen het jaar toplaag→ rijk aan bladeren, vruchten en nectar→ dieren: aap,vogels (biotische factoren beïnvloeden elkaar)
grondbegroeiing → gebrek aan zonlicht → vochtige bodem → snelle compostering
→ regenwoud → gigantische waterreservoirs → bomen intrekken water uit de grond en vangen op met hun bladeren → verdampt en neerslag komt op aarde (biotisch beïnvloed abiotisch)
heide
arme zandgrond → overbemesting + verzuring zorgt voor vergrassen en verbossen
bodem → voedselarm, begroeid met dwerg struiken
soorten dat hier leven → rode lijst → heidevelden verdwijnen op hoog tempo
zoetwater
heeft 3 vegetatiezones: oeverzone, moeraszone en open water: ze creëren een uniek habitat voor specifieke planten en dieren
sleutelsoorten/ hoeksteensoorten
opvallende grotere rol in het ecosysteem→ creëren voedsel en leefgebied voor andere in de levensgemeenschap → weg groot impact landschap
niche
een specifieke functie van een organisme in het ecosysteem waarin het leeft
→ organismes met andere niche gaan niet met elkaar in concurrentie→ weg geconcurreerd
bv. regenwoud houd bodem leefbaar voor planten, dieren
betreding
beschadigd grondbegroeiing door mens/dier → bodemdeeltjes worden dichter op elkaar geduwd, hardere bodem → gevolgen:
wortel van planten kunnen moeilijker in de grond
reduceren kunne geen organisch materiaal afbreken→ minder water en zuurstofgas
tredplanten
groeipunt nie beschadigd → bladeren vangen licht op → bodem blijft vochtig
kleverige zaadjes die aan schoenen/poten blijven → verspreiding
sterkere wortels → kunnen door bodem wringen
elastische en taaie planten weefsels → sterk herstel vermogen
als het locale ecosysteem verwarmt → exoten storen onze biodiversiteit
begrazing
meestal positieve effecten → meer biodiversiteit
overbegrazing → doet biodiversiteit dalen, verstoring plaatselijke diersoorten
successie
verandering van vegetatie over tijd, als heide verliest → grazers ingezet → verspreiden planten zaden
bemesting
zorgt voor een extra toevoer → nutriënten/anorganische voedingstoffen (nitraten, fosfaten)
stikstofminnende planten
groeien goed op sterk bemeste bodems → veel stikstofoxide bv bramen, brandnetels, als bodem voedselarm is dan verdringen deze andere plantensoorten
eutrofiering
overdreven toename van voedingstoffen (fosfaten, nitraten) in grond + wateroppervlak
→ algen vertroebelen water → geen licht → gebrek aan zuurstofgas in het water → vissen en aerobe bacteriën sterven (enkel overleven in zuurstofrijke omgeving) anaerobe overleeft wel → eet rottend organisch materiaal → produceert giftige stof → stank dood waterecosysteem
ecosysteemdienst
alle goederen en diensten die een ecosysteem lever aan de mens en maatschappij → hoe groter de biodiversiteit, hoe meer ecosysteemdiensten
→ dalende biodiversiteit en klimaatverandering → diensten in verdrang
ecosysteemdienst voorbeelden
productie dienst → levert producten voor de mens (voedsel, grondstoffen)
regulerende dienst → houdt ecosysteem in balans (insecten zorgen voor bestuiving van gewassen)
culturele diensten → niet materiële voordelen voor de mens (recreatie)
ondersteunende diensten → fundamenten voor het ecosysteem (water kringloop )
klimaatverandering
toename broeikasgassen (methaangas en koolstofdioxide)
broeikasgassen: vermogen om warmtestraling van de zon te absorberen en afgeven in alle richtingen
koolstofdioxide komt vrij bij ontbossing, verbranden fossiele brandstoffen → versterkt broeikaseffect → zeespiegel stijgt, extreme weersomstandigheden
→ biodiversiteit neemt af en leefgebied verschuift:
biodiversiteit verlies: dode kangoeroes, koraalverbleking
soorten verschuiven: wespspin, heidelibel
interacties binnen ecosystemen verwarren: langere pollen seizoen, inheemse soorten zoeken concurrentie
verlies van natuur verandert klimaatverandering: boskap→ minder neerslag → meer droogte → meer bosbranden → toename koolstofdioxide
trofisch niveau
de plaats van een organisme in een voedselketen
→ energie stroom is energie van 1 niveau naar het andere, dit is nodig om te groeien, stofwisselingreacties
planten zetten zonne-energie om
in chemische energie via fotosynthese
dieren halen energie uit voedsel → hoe langer de voedselketen hoe groter het energieverlies
energieverlies 3 manieren
niet alles wordt opgegeten
niet alles wordt opgegeten, kan verteerd worden → mest
organismes doen aan celademhaling en doen een omzetting van bewegingsenergie en warmte
watercyclus
kringloop die de voortdurende beweging van water op, boven en onder het aardoppervlak toont: zon is hier de motor van → waterdamp door evapotranspiratie stijgt en koelt af → condenseert → vormt wolken → valt als neerslag en sijpelt in de onverzadigde bodem → vult grondwater aan en wordt opgenomen door planten
koolstofcyclus
koolstofdioxide komt in de lucht door celademhaling en verbranden van fossiele brandstoffen/ organisch materiaal → opgenomen en opgeslagen door landplanten door fotosynthese → 1 deel blijft diep in de bodem van moerasgebieden en vormt fossiele brandstof na verlang van tijd
stikstofcyclus
stikstofgas komt gedeeltelijk in de bodem door neerslag → het wordt omgezet en vastgezet in stikstofhoudende verbindingen die worden opgenomen via planten wortels (stikstoffixatie) → stikstoffixerende bodem bacteriën zetten stikstofgas om in ammonium (ammonificatie) → giftig vr planten dus nitriet bacteriën zetten ammonium om in nitriet waar nitraatbacterien het omzetten in nitraat ( nitrificatie) → bliksem zorgt voor stikstoffixatie → stikstofmoleculen → nitraat en planten nemen het op en zorgen voor energiearme nitraat die gebruikt word voor energierijke eiwitten en erfelijk materiaal (assimilatie) → denitrificerende bacteriën zetten een deel van de nitraten in de bodem om
in zuurstofgas en stikstofgas → lucht → denitrificatie
ecosystemen geen materiaal verloren
alles wordt gerecycleerd → materiekringlopen en energiestroom is gelinkt aan elkaar→ organismes concurreren voor de energie en materie
natuurlijke materie en energie kringloop wordt verstoord
door de mens waardoor de ecosystemen ernstig beschadigd geraken en het leven op aarde in gevaar komt
duurzame ontwikkeling/ SDG
ontwikkeling die voorziet in de behoefte van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen → doelstellingen om onze wereld zuiniger en efficiënter te maken
ecologisch voetafdruk
geschatte oppervlakte op aarde die een persoon/groep nodig heeft om te produceren wat we consumeren en te absorberen wat ze weggooien → indicatie over hoe duurzaam we leven