Biologie Hoofdstuk 2: cel en leven

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/98

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:05 PM on 4/25/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

99 Terms

1
New cards

actief transport

transport via een membraan tegen de concentratie-richting in, kost energie

2
New cards

amyloplasten

zetmeelkorrels, plastiden zonder kleur, in het grondplasma van plantaardige cellen

3
New cards

anafase

de fase van de mitose waarin trekdraden de afzonderlijke chromatiden als zelfstandige chromosomen uit elkaar trekken

4
New cards

apoptose

het sterven van een cel als na controle blijkt dat het DNA onherstelbaar beschadigd is

5
New cards

basenparing

twee stikstofbasen zijn op een vaste manier door twee of drie H-bruggen met elkaar in het DNA verbonden (A met T en C met G)

6
New cards

cascade

een proces dat in een aantal opeenvolgende stappen verloopt

7
New cards

cel

functionele basiseenheid van het leven

8
New cards

celcyclus

de periode waarin een cel ontstaat, groeit, actief is en opnieuw deelt; bestaat uit G1-, S-, G2-, en M-fase

9
New cards

celdeling

het splitsen van een cel in twee dochtercellen

10
New cards

celdifferentiatie

ontstaan van cellen die verschillen in grootte, vorm en functie

11
New cards

celmembraan

membraan aan de buitenkant van de cel, bestaat uit fosfolipiden, cholesterol en eiwitten

12
New cards

celwand

buitenlaag bij plantaardige cellen (opgebouwd uit cellulose), bacteriën (opgebouwd uit suikers en aminozuren) en schimmels (opgebouwd uit chitine)

13
New cards

centriolen

twee loodrecht op elkaar staande buisjes van eiwitten (centriolen) in dierlijke cellen, die een rol spelen bij de celdeling

14
New cards

centromeer

bindingsplaats van de twee identieke chromatiden, deelt bij een celdeling als laatste

15
New cards

chloroplasten

bladgroenkorrels in het grondplasma van plantaardige cellen waar fotosynthese plaatsvindt

16
New cards

chromatiden

identieke helften van een verdubbeld chromosoom, verbonden in het centromeer

17
New cards

chromoplasten

kleurstofkorrels in het grondplasma van plantaardige cellen, geven kleur aan onderdelen van planten

18
New cards

coderende streng

de DNA-streng, complementair aan de matrijsstreng, waarvan de basenvolgorde overeenkomt met mRNA; het verschil is dat mRNA uracil bevat in plaats van een thymine

19
New cards

codon

een tripletcode in het mRNA

20
New cards

complementaire streng

de tegenoverliggende streng

21
New cards

cytoplasma

het grondplasma en de organellen

22
New cards

cytoskelet

een draadvormig netwerk van structuureiwitten in het grondplasma dat de cel stevigheid en vorm geeft; de eiwitdraden spelen een rol bij het transport van organellen, bijvoorbeeld transportblaasjes

23
New cards

diffusie

verplaatsen van deeltjes, kost geen energie

24
New cards

DNA-moleculen

moleculen, opgebouwd uit nucleotiden, die de bouwinstructies bevatten om eiwitten te maken

25
New cards

dubbele helix

de moleculaire bouw van een DNA-molecuul in de vorm van een wenteltrap

26
New cards

dubbelstrengs

bestaand uit twee strengen

27
New cards

ecosysteem

een begrensd gebied waarin organismen met elkaar en met de levenloze natuur relaties hebben

28
New cards

emergente eigenschap

een nieuwe eigenschap op een hoger organisatieniveau die ontstaat door interactie van delen op een lager organisatieniveau; de onderdelen apart hebben die eigenschap niet

29
New cards

endocytose

opname van deeltjes door afsnoering van een stukje celmembraan

30
New cards

endoplasmatisch reticulum (ER)

organel dat bestaat uit een netwerk van membranen in de cel voor transport van eiwitten

31
New cards

enkelstrengs

bestaand uit één streng

32
New cards

eukaryoot

organisme waarvan cellen een celkern hebben

33
New cards

exocytose

afgifte van stoffen uit (transport)blaasjes die versmelten met het celmembraan

34
New cards

flagellen

lange eiwitdraden voor de voortbeweging van eencelligen

35
New cards

fosfolipide

vetachtige stof met een fosfaatgroep, bouwstof voor (biologische) membranen

36
New cards

G0 -fase

de fase na de celdeling waarin de cel niet deelt

37
New cards

G1 -fase

de fase van de celcyclus waarin de cel groeit

38
New cards

G2 -fase

de fase van de celcyclus waarin de cel groeit en de organellen verdubbelen

39
New cards

gefaciliteerd transport

transport van deeltjes via specifieke eiwitpoorten, transporteiwitten, in celmembraan

40
New cards

gen

een stuk van een DNA- molecuul met informatie voor het maken van een eiwit

41
New cards

golgisysteem

organel dat bestaat uit een aantal platte membraanzakken; het sorteert stoffen voor verder transport naar specifieke organellen of het celmembraan

42
New cards

grondplasma

de waterige inhoud van de cel; vormt samen met de organellen het cytoplasma

43
New cards

hydrofiel

(polair) trekt water aan

44
New cards

hydrofoob

(apolair) waterafstotend

45
New cards

hypertonisch

met een hogere concentratie opgeloste stoffen/ osmotische waarde

46
New cards

hypotonisch

met een lagere concentratie opgeloste stoffen/ osmotische waarde

47
New cards

interfase

de voorbereiding op een celdeling, bestaat uit G1-, S- en G2- fase

48
New cards

isotonisch

met gelijke osmotische waarde

49
New cards

kanker

een kwaadaardige tumor die zich door het lichaam verspreidt

50
New cards

kapsel

beschermingslaag rond de celwand bij prokaryoten

51
New cards

kernspoel

trekdraden en steundraden, gevormd door structuurreiwitten van het cytoskelet

52
New cards

levensgemeenschap

alle organismen (die onderling (voedsel-) relaties hebben) in een bepaald gebied

53
New cards

levenskenmerken

alle kenmerken, eigenschappen en processen die typisch zijn voor het leven zoals we dat op aarde kennen

54
New cards

lysosoom

blaasje afkomstig van het golgisysteem met verteringsenzymen die versleten die versleten organellen en opgenomen stoffen afbreken

55
New cards

mattrijsstreng

de DNA-streng waaraan de mRNA streng ontstaat bij een transcriptie :ook wel template

56
New cards

metafase

de fase van de mitose waarin de verdubbelde chromosomen in het midden van de cel liggen

57
New cards

metastaseren

uitzaaien van kankercellen naar andere organen of weefsels elders in het lichaam

58
New cards

mitochondrium

organel dat energie levert voor een cel, opgebouwd uit twee membranen

59
New cards

mitose (M-fase)

de fase van de celcyclus waarin de cel de verdubbelde DNA-moleculen over twee dochterkernen verdeelt

60
New cards

molecuul

een structuur die bestaat uit twee of meer atomen; het zijn de kleinste deeltjes van een stof met nog alle eigenschappen van die stof

61
New cards

mRNA

een ribonucleïnezuurmolecuul dat de informatie voor een eiwit van de kern naar de ribosomen in het grondplasma brengt

62
New cards

mutatie

veranderingen in DNA-moleculen

63
New cards

nucleotiden

de bouwstenen van DNA- en RNA-moleculen

64
New cards

orgaan

verschillende weefsels die samenwerken aan een bepaalde taak

65
New cards

orgaanstelsel

diverse organen die samen een bepaalde taak hebben

66
New cards

organel

een onderdeel van de cel met een bepaalde functie

67
New cards

organisatieniveaus

begrensde biologische structuren, met een duidelijke samenhang tussen de onderdelen, waarbij elk niveau voortbouwt op de onderliggende niveaus

68
New cards

organisme

levend wezen

69
New cards

osmose

diffusie van water door een semipermeabel membraan heen; van een oplossing met een lage concentratie opgeloste stoffen naar een oplossing met een hoge concentratie opgeloste stoffen

70
New cards

osmotische waarde

een maat voor de hoeveelheid opgeloste stoffen

71
New cards

passief transpot

transport via een membraan met de concentratierichting mee, kost geen energie

72
New cards

plasmiden

stukjes cirkelvormig DNA in prokaryoten

73
New cards

plasmolyse

door het krimpen van een cel in een hypertonische oplossing laat het celmembraan los van de celwand

74
New cards

plastiden

gekleurde (zie chloroplasten en chromoplasten) en ongekleurde (zie amyloplasten) korrels in het grondplasma van plantaardige cellen

75
New cards

populatie

een groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied

76
New cards

profase

de fase van de mitose waarin de chromosomen spiraliseren tot compacte chromosomen

77
New cards

prokaryoot

eencellig organisme zonder celkern

78
New cards

receptoreiwit

eiwit in celmembraan dat bepaalde deeltjes aan zich bindt

79
New cards

ribosoom

organel dat aminozuren aan elkaar koppelt tot eiwitten

80
New cards

selectief permeabel

doorlaatbaar voor het oplosmiddel (meestal water) en een deel van de opgeloste stoffen

81
New cards

semipermeabel

doorlaatbaar voor het oplosmiddel, niet voor de opgeloste stoffen

82
New cards

S-fase

de fase van de celcyclus waarin de DNA-moleculen verdubbelen

83
New cards

soort

alle organismen met vergelijkbare eigenschappen die zich onderling kunnen voortplanten en vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

84
New cards

stamcellen

celen die het vermogen hebben zich te blijven delen en kunnen differentiëren in gespecialiseerde celtypen

85
New cards

startcodon

de tripletcode van een mRNA molecuul waarmee de vorming van een polypeptideketen start

86
New cards

stikstofbase

stikstofhoudend molecuul, bouwstof voor DNA en RNA (DNA: A,C, G en T; RNA: A, C, G en U)

87
New cards

stopcodon

een tripletcode in het mRNA-molecuul waarmee de vorming van een polypeptide stopt

88
New cards

structuureiwitten

eiwitten die de cel vorm en stevigheid geven

89
New cards

systeem Aarde

systeem bestaande uit alle ecosystemen: de fysische, chemische en biologische processen op aarde en hun onderlinge interacties

90
New cards

telofase

de fase van de mitose waarin twee kernen ontstaan en de chromosomen despiraliseren

91
New cards

template

de DNA-streng waaraan de mRNA streng ontstaat bij een transcriptie :ook wel mattrijsstreng

92
New cards

transcriptie

overschrijven van DNA in mRNA

93
New cards

translatie

vorming van het uiteindelijke functionele eiwit

94
New cards

transportblaasje

vervoeren eiwitten van het ene organel naar het andere en naar het celmembraan

95
New cards

transporteiwit

eiwitmolecuul dat dienstdoet als transportkanaaltje in het celmembraan

96
New cards

tumor

een gezwel van cellen ontstaan door ongecontroleerde celgroet

97
New cards

turgor

de druk van de inhoud van de cel op de celwand in een hypotonische oplossing

98
New cards

vacuole

een met water en opgeloste stoffen gevulde blaas in plantaardige cellen

99
New cards

weefsel

een groep cellen met dezelfde bouw en functie