1/96
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
1. Moeilijk te verwarren soorten
.
Alnus glutinosa – Zwarte els
(Inheems, Elzenbroekbossen)

Tilia cordata – Winterlinde
(Inheems, beukenbossen)

Tilia platyphyllos – Zomerlinde
(Inheems, beukenbossen)

Salix alba – Schietwilg
(Inheems, zachthoutooibos)

Magnolia spp. – Magnolia
(Invasive, park- en laanbomen)

Ginkgo biloba - Ginkgo
(Invasief, laanboom)

Ulex europaeus – Gaspeldoorn
(Inheems, ondergroei in eiken - berkenbossen)

Cytisus scoparius – Gewone brem
(Inheems, ondergroei in eiken - berkenbossen)

Ligustrum vulgare – Wilde liguster
(Inheems, ondergroei eiken - haagbeukenbossen)

2. Naaldbomen en -struiken
.
Larix decidua – Europese Lork
(Invasive, park- en laanboom uit de Alpen)

Picea abies – Fijnspar
(Invasive, sparrenplantages, vooral in Wallonië)

Pinus nigra – zwarte den
(Invasive, dennenplantages op zure zandbodems)

Pinus sylvestris – Grove den
(Onzeker, dennenplantages op zure zandbodems)

Taxus baccata – Taxus
(Inheems, ondergroei in beukenbossen)

3. Lianen
.
Clematis vitalba – Bosrank
(Inheems, bosranden van kalkrijke bossen)

Humulus lupulus – Hop
(Inheems, komt vooral voor in bosranden)

Hedera helix – Klimop
(Inheems, donkere beukenbossen waar het de bomen op groeit op zoek naar licht)

Lonicera periclymenum – Wilde kamperfoelie
(Inheems, donkere beukenbossen waar het de bomen op groeit op zoek naar licht)

4. Bomen en struiken met doorns/stekels
.
Takdoorn
Een tak die gereduceerd is tot een doorn. Tussen de doorn en de stam geen knoppen meer. Onder de doorn een blad aanwezig.

Bladdoorn
Een blad dat gereduceerd is tot een doorn. Tussen de doorn en de tak is een knop aanwezig waaruit een nieuwe tak kan groeien.

Berberis vulgaris – Zuurbes
(Inheems, ondergroei eiken - haagbeukenbossen)

Crataegus laevigata – Tweestijlige meidoorn
(Inheems, bosranden)

Crataegus monogyna – Eénstijlige meidoorn
(Inheems, bosranden)

Prunus spinosa – Sleedoorn
(Inheems, bosranden)

Rosa canina – Hondsroos
(Inheems, kalkrijke bodem)

Rubus spp. – Braam
(Inheems, brede amplitude maar kan op voedselrijke bodem volledig bodembedekkend zijn)

Robinia pseudoacacia – Gewone robinia
(Invasive, warme, open bossen (= eiken-haagbeukenbos) of in bosranden)

5. Esdoorns, plataan en Gelderse roos
.
Platanus x hispanica – Gewone plataan
(Invasive, laanboom)

Acer campestre – Veldesdoorn/Spaanse aak
(Inheems, eiken-haagbeukenbos)

Acer platanoides – Noorse esdoorn
(Invasief, beukenbos en eiken-haagbeukenbos)

Acer pseudoplatanus – Gewone esdoorn
(Inheems, beukenbos en eiken-haagbeukenbos)

Viburnum opulus – Gelderse roos
(Inheems, bosranden)

6. Bomen en struiken met samengesteld blad
.
Juglans regia – Okkernoot
(Invasief, park- en laanboom)

Sorbus aucuparia – Wilde lijsterbes
(Inheems, ondergroei in eiken- berkenbossen)

Aesculus hippocastanum – Paardenkastanje
(Invasive, park- en laanboom)

Fraxinus excelsior – Gewone es
(Inheems, beukenbossen en hardhoutooibossen)

Sambucus nigra – Gewone vlier
(Inheems, bosranden)

7. Eiken
.
Quercus petraea – Wintereik
(Inheems, eiken-berkenbos, beukenbos en eiken-haagbeukenbos)

Quercus robur – Zomereik
(Inheems, eiken-berkenbos, beukenbos, hardhoutooibossen en eiken-haagbeukenbos)

Quercus rubra – Amerikaanse eik
(Invasief, beukenbossen)

8. Berken en populieren
.
Betula pubescens – Zachte berk
(Inheems, berkenbroekbossen)

Betula pendula – Ruwe berk
(Inheems, eiken-berkenbossen)

Populus nigra – Zwarte populier
(Inheems, zachthoutooibos)

Populus x canadensis – Canadapopulier
(Invasive, aangeplant in plantages op natte bodem)

Populus tremula – Ratelpopulier
(Inheems, hardhoutooibossen)

9. Struiken met sclerofiele bladeren
.
Rhododendron spp. – Rododendron
(Invasief, eiken-berkenbossen)

Prunus laurocerasus – Laurierkers/Paplaurier
(Invasief, ondergroei in beukenbossen)

Ilex aquifolium – Hulst
(Inheems, ondergroei in beukenbossen)

10. Moeilijke bomen en struiken
.
Ulmus spp. – Olm of iep
(Inheems, beukenbos en hardhoutooibos)

Castanea sativa – Tamme kastanje
(Invasive, beukenbossen en eiken - haagbeukenbossen)

Fagus sylvatica – Beuk
(Inheems, beukenbossen)

Carpinus betulus – Haagbeuk
(Inheems, eiken-haagbeukenbossen)

Corylus avellana – Hazelaar
(Inheems, brede amplitude, ondergroei in vele bossen en bosranden)

Prunus padus – Gewone vogelkers
(Inheems, ondergroei in eiken - berkenbossen)

Prunus serotina – Amerikaanse vogelkers
(Invasief, eiken - berkenbossen)

Prunus avium – Zoete kers
(Inheems, beukenbossen en hardhoutooibossen)

Euonymus europaeus – Wilde kardinaalsmuts
(Inheems, bosranden)

Rhamnus frangula – Sporkehout/vuilboom
(Inheems, ondergroei in eiken - berkenbossen)

Cornus mas – Gele kornoelje
(Inheems, ondergroei in eiken - haagbeukenbossen)

Cornus sanguinea – Rode kornoelje
(Inheems, Brede amplitude, ondergroei in vele bossen en bosranden (maar niet op droge bodem))

Poaceae - Grassenfamilie
Kenmerken:
Stengel: Rond, hol en met duidelijke, massieve knopen (halmknopen).
Bladeren: Tweerijig geplaatst, met een open bladschede en vaak een tongetje (ligula) op de overgang van schede naar bladschijf.
Bloem: Sterk gereduceerd tot windbloemen, verzameld in aartjes met kafjes (kelkkafjes, kroonkafjes) en vaak kafnaalden.

Cyperaceae - Cypergrassenfamilie
Kenmerken:
Stengel: Meestal driekantig en massief (gevuld met merg), zonder knopen.
Bladeren: Driestijlig/driestaand ingeplant (in drie rijen langs de stengel). De bladschede is gesloten.
Bloem: Gereduceerd, bloemen zitten in de oksel van één enkel kafje.

Juncaceae - Russenfamilie
Kenmerken:
Stengel: Rond en gevuld met sponsachtig wit merg, zonder knopen.
Bladeren: Soms afwezig (greduceerd tot scheden aan de voet), indien aanwezig zijn ze rond/gootvormig.
Bloem: In tegenstelling tot grassen hebben russen een echt bloemdek: 6 groenachtige of bruine, droogvliezige bloemdekbladen (lijkt op een mini-lelie in het bruin).

Ranunculaceae - Ranonkelfamilie
Kenmerken:
Bloem: Vaak tweeslachtig, radiaal symmetrisch met zeer veel meeldraden en veel losse vruchtbeginsels.
Bladeren: Vaak handvormig ingesneden of samengesteld, verspreid staand zonder steunblaadjes.
Kenmerk: Planten zijn vrijwel altijd (matig tot zeer) giftig door wisselende hoeveelheden alkaloïden/glycosiden.

Papaveraceae - Papaverfamilie
Kenmerken:
Sap: Planten bevatten bijna altijd gekleurd melksap (wit, geel of oranje) dat giftig is.
Bloem: Vaak 2 vroege afvallende kelkbladen, 4 grote, delicate kroonbladen (die in de knop gekreukeld zitten) en veel meeldraden.

Fabaceae - Vlinderbloemenfamilie
Kenmerken:
Bloem: Zeer karakteristieke vlinderbloem: 1 vlag (boven), 2 zwaarden (zijkanten) en 1 kiel (onderaan, gevormd door twee vergroeide blaadjes).
Bladeren: Vrijwel altijd samengesteld (geveerd of handvormig) met steunblaadjes. Vaak voorzien van ranken.
Wortels: Hebben stikstofbindende wortelknolletjes (symbiose met Rhizobium-bacteriën).
Vrucht: Een peul.

Rosaceae - Rozenfamilie
Kenmerken:
Bloem: Vijftallig (5 kelkbladen, 5 kroonbladen) met zeer veel meeldraden ingeplant op een opvallende bloembeker (hypanthium). Vaak is er een buitenkelk aanwezig.
Bladeren: Verspreid staand, meestal samengesteld of diep ingesneden, mét duidelijke steunblaadjes aan de bladvoet.
Kenmerk: Vaak voorzien van stekels of doorns (bij struiken/bomen).

Violaceae - Viooltjesfamilie
Kenmerken:
Bloem: Tweezijdig symmetrisch (zygomorf). Het onderste kroonblad is groter en heeft aan de achterkant een spoorwaarin nectar wordt verzameld.
Meeldraden: 5 meeldraden die strak om de stamper heen staan; de onderste twee hebben nectaraanhangsels die in de spoor steken.

Euphorbiaceae - Wolfsmelkfamilie
Kenmerken:
Sap: Bevat vrijwel altijd een wit, bijtend en giftig melksap.
Bloem: Sterk gereduceerd en eenslachtig. Vaak gegroepeerd in een cyathium: een schijnbloem die bestaat uit één vrouwelijke bloem (enkel een stamper) omringd door meerdere mannelijke bloemen (elk slechts één meeldraad), omgeven door klierproducten.

Brassicaceae - Kruisbloemenfamilie
Kenmerken:
Bloem: Kruisvormig geplaatst: 4 kelkbladen, 4 kroonbladen. Er zijn 6 meeldraden waarvan 4 lange en 2 korte.
Vrucht: Een hauw of hauwtje (een doosvrucht met een vals tussenschot).
Smaak: Planten bevatten glucosinolaten (mosterdolieglycosiden), wat zorgt voor een typische kops/scherpe smaak (denk aan radijs, kool, mosterd).

Caryophyllaceae - Anjerfamilie
Kenmerken:
Bladeren: Altijd tegenoverstaand en gansrandig. De knopen op de stengel zijn vaak opvallend verdikt.
Bloem: Meestal vijftallig. De kroonbladen zijn aan de top vaak ingesneden of diep gespleten (waardoor het lijkt alsof er twee keer zoveel kroonbladen zijn). De bloeiwijze is typisch een gevorkt bijscherm (dichasium).

Asteraceae - Composietenfamilie
Kenmerken:
Bloeiwijze: Het belangrijkste kenmerk: de bloemen zitten dicht op elkaar in een hoofdje (capitulum), omgeven door een omwindsel van blaadjes. Het geheel doet denken aan één grote bloem.
Bloemtypen: Bestaat uit lintbloemen, buisbloemen of een combinatie van beide.
Kelk: Omgevormd tot pappus (vruchtpluis) voor de windverspreiding van het zaad.

Apiaceae - Schermbloemenfamilie
Kenmerken:
Bloeiwijze: Bloemen staan in een samengesteld scherm (schermpjes op een groter scherm).
Stengel: Vaak hol en geribbeld.
Bladeren: Meestal meervoudig ingesneden of fijntjes samengesteld met een brede, de stengel omluitende bladschede.
Geur: Sterk aromatisch door etherische oliën (denk aan peterselie, selderij, wortel, maar pas op: bevat ook de dodelijk giftige gevlekte scheerling).

Lamiaceae - Lipbloemenfamilie
Kenmerken:
Stengel: Vierkant.
Bladeren: Kruisgewijs tegenoverstaand en aromatisch (bevatten veel etherische oliën zoals munt, tijm, rozemarijn).
Bloem: Tweezijdig symmetrisch met een duidelijke bovenlip en onderlip. De bloemen staan vaak in schijnkransen rond de stengel. De vrucht splitst zich in 4 nootjes.

Rubiaceae - Sterbladigenfamilie
Kenmerken:
Bladeren: Staan in kransen rondom de vierkantige stengel. (Botanisch gezien zijn het twee tegenoverstaande bladeren met daartussen sterk op het blad lijkende steunblaadjes).
Bloem: Klein, meestal 4-tallig (soms 5) met een vergroeide kroon.

Boraginaceae - Ruwbladigenfamilie
Kenmerken:
Beharing: Planten zijn opvallend ruw behaard (stijve, borstelige haren op stengels en bladeren).
Bloeiwijze: Typische opgerolde bloeiwijze die tijdens de bloei ontrolt, een schicht genoemd (lijkt op een schorpioenstaart).
Bloem: Vijftallig met vergroeide kroonbladen, vaak met keelschubben in de opening van de kroonbuis. Bloemen verkleuren dikwijls van roze/rood naar blauw tijdens de bloei.

Solanaceae - Nachtschadefamilie
Kenmerken:
Bloem: Vijftallig met een wielvormige of trechtervormige vergroeide kroon. De 5 meeldraden staan strak in een kegel rondom de stamper (denk aan de bloem van een tomaat of aardappel).
Kenmerk: Bevatten vrijwel altijd sterke, giftige alkaloïden (solanine, nicotine, atropine). Vrucht is een bes of doosvrucht.

Polygonaceae - Duizendknoopfamilie
Kenmerken:
Stengel: Duidelijke gezwollen knopen.
Kenmerk: Bezit een ochrea: een vliezig kokertje rondom de stengel boven de aanhechting van de bladsteel (gevormd uit vergroeide steunblaadjes).
Bloem: Klein, groenachtig of roze, zonder duidelijk onderscheid tussen kelk en kroon (bloemdek).

Malvaceae - Kaasjeskruidfamilie
Kenmerken:
Meeldraden: Zeer typisch: de meeldraden zijn vergroeid tot een buis (de stamperbuis of columella) rondom de stamper.
Bladeren: Handlobbig of handnervig, vaak bezet met sterharen.
Vrucht: Splitstvrucht die eruitziet als een klein kaaswiel (vandaar "kaasjeskruid").

Araceae - Aronskelkfamilie
Kenmerken:
Bloeiwijze: Een dikke, vlezige bloeikolf (spadix) waarop de minuscule, eenslachtige bloemen zitten. Deze kolf wordt omgeven door een groot, vaak opvallend gekleurd schutblad (spatha).
Kenmerk: Bevatten vaak calciumoxalaatkristallen (naaldjes) die hevige irritatie in de mond veroorzaken bij kauwen.

Orchidaceae - Orchideeënfamilie
Kenmerken:
Bloem: Extreem gespecialiseerd en tweezijdig symmetrisch. Een van de drie kroonbladen is omgevormd tot een opvallende lip (labellum), vaak met een spoor.
Voortplanting: Meeldraden en stamper zijn vergroeid tot één centraal orgaan: het zuiltje (gynostemium). Het stuifmeel zit vast in kleverige klompjes (pollinia). De zaden zijn microscopisch klein en bevatten geen reservevoedsel (symbiose met schimmels nodig om te kiemen).

Cactaceae - Cactusfamilie
Kenmerken:
Habitus: Succulente (wateropslaande), meestal bladlooze stengels die de fotosynthese overnemen.
Kenmerk: Aanwezigheid van areolen (kussentjes van viltig haar waaruit doorns, haren en bloemen ontspringen). Doorns zijn botanisch gezien omgevormde bladeren.
Bloem: Grote, solitaire bloemen met talrijke bloemdekbladen en meeldraden.

Bromeliaceae - Bromeliafamilie
Kenmerken:
Habitus: Vrijwel altijd een bladrozet van stugge, gootvormige bladeren. De bladvoeten sluiten vaak zo dicht op elkaar aan dat ze een centrale 'koker' of 'beproeving' vormen waarin water wordt opgevangen.
Kenmerk: Bladeren hebben vaak absorptieharen (trichomen) waarmee ze water en voedingsstoffen rechtstreeks via het blad kunnen opnemen (veel soorten zijn epifyten).

Nymphaeales (=Orde) - waterlelieachtigen
Kenmerken:
Waterplanten met grote, drijvende bladeren en wortelstokken in de bodem. De bloemen zijn groot, spiraalsgewijs opgebouwd, met een vloeiende overgang van bloemdekbladen naar meeldraden (geen strikt onderscheid tussen kelk en kroon). De stengels hebben geen echte houtvaten (tracheën) maar primitievere cellen.

Hydrocharitaceae - Waterkaardefamilie
Kenmerken:
Leefomgeving: Volledig submerse (ondergedoken) of drijvende waterplanten.
Bloem: Vaak eenslachtig (tweehuizig). De bloemen ontspringen uit een vliezige of twee-bladerige schede (spatha). Bestuiving vindt soms plaats via of onder water (hydrofili).

Crassulaceae - Vetplantenfamilie
Kenmerken:
Bladeren: Dik, vlezig en sappig (succulent) bedoeld om water op te slaan in droge of stenige habitats.
Fysiologie: Bekend om het CAM-metabolisme (nemen 's nachts CO2 op om waterverlies overdag te minimaliseren).
Bloem: Radiaal symmetrisch, waarbij het aantal kelkbladen, kroonbladen en stamperblaadjes exact gelijk is (vaak 4- of 5-tallig), met soms het dubbele aantal meeldraden.
