1/25
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
constituenten
groepen van (1 of meer) woorden die samen een eenheid vormen, bekeken vanuit hun vormelijke eigenschappen (woordsoorten)
bv. NP, VP, DP…
recursieve constituenten
constituenten zijn opgebouwd rond een hoofd (= de kern van de constituent), met eventuele voor- of nabepalingen
endocentriciteit
Elke constituent heeft een hoofd dat de eigenschappen van die constituent bepaalt, en elk woord is het hoofd van een constituent waarvan het de eigenschappen bepaalt.
valentie
combinatievereisten die voortvloeien uit de betekenis van een woord
bvb. geven → iemand geeft iets aan iemand (3 plaatsig)
essentiële zinsdelen
= argumenten
deel van het valentieschema
geïmpliceerd door de betekenis van het gezegde
krijgt een theta-rol
niet-essentiële zinsdelen
= adjuncten
geen deel van het valentieschema
niet geïmpliceerd door de betekenis van het gezegde (optionele, extra informatie)
krijgt geen theta-rol
tweepolenschema
= een templaat/geraamte dat de abstracte structuur van iedere grammaticale Nederlandse zin weergeeft
opgebouwd rond twee vaste posities voor werkwoorden en voegwoorden (de twee polen)
beperkte ruimte vooraan (het voorveld) en achteraan (het achterveld); het grootste deel van de zin bevindt zich tussen de twee polen (middenveld)

extern argument
diegene/datgene die/dat de handeling initieert, controleert,
uitvoert, . . .
theta-rol: Agens, Kracht, . . .
≈ subject
interne argumenten
diegene/datgene die/dat de handeling ondergaat of er
andere ondergeschikte rol in speelt
theta-rol: Thema, Patiens, Ontvanger, Plaats, . . .
≈ direct object, indirect object, voorzetselvoorwerp, plaatsobject, . . .
generalisatie
interne argumenten hebben een nauwere band met de valentietoekenner (bijv. het werkwoord) dan het externe argument
X’-theorie
toepasbaar is op alle woordsoorten
endocentriciteit respecteert
een onderscheid kan maken tussen interne en externe argumenten, zodanig dat interne argumenten een nauwere band hebben met het hoofd dan externe argumenten
boomstructuur
bestaat uit knopen (XP, X’, X) en takken (de lijntjes tussen de knopen)
XP = de maximale projectie
X’ = tussenliggende projectie
X = het hoofd
→ moeder, dochter, zuster relaties
specificeerderpositie
positie van het extern argument
→ de positie met als zuster X’ en als moeder XP
complementspositie
positie van het intern argument
→ de positie met als zuster X en als moeder X’
adjunctposities
hebben dezelfde moeder als zuster
ofwel XP als moeder en XP als zuster (adjunct 1)
ofwel X′ als moeder en X′ als zuster (adjunct 2)

lexicale projecties
projecties die een open woordsoort als hoofd hebben
bvb. VP, AP, NP, AdvP
functionele projecties
projecties die een gesloten woordsoort als hoofd hebben
bvb. CP, DP, NumP
D
onbepaald
bepaald
categorisch
generisch
?
structuurbehoud
XPs verplaatsen steeds naar een XP-positie, hoofden verplaatsen steeds naar een hoofdpositie.
hoofdinitieel

hoofdfinaal

domineren
formeel:
een knoop X domineert een knoop Y asa
a. X is de moeder van Y, of
b. een dochter van X domineert Y
informeel:
een knoop X domineert een knoop Y asa X is de moeder
van (de moeder van (de moeder van . . . )) Y
nog informeler:
een knoop X domineert een knoop Y als en slechts als je vn X naar Y kan geraken door enkel neerwaartse takken te volgen
c-commanderen
formeel:
een knoop X c-commandeert een knoop Y asa
a. X domineert Y niet,
b. Y domineert X niet, en
c. de eerste vertakkende knoop die X domineert, domineert ook Y
informeel:
een knoop c-commandeert zijn zuster en alles wat door die zuster gedomineerd wordt
wortelknoop
de (unieke) knoop die alle andere knopen domineert
terminale knoop
een knoop die geen enkele andere knoop domineert
niet-terminale knoop
een knoop die minstens één andere knoop domineert