1/46
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Elektronenpaar (doublet)
Twee elektronen die in hetzelfde magnetische niveau zitten met een tegengestelde spin (eigenrotatie).
Orbitaalmodel
Model van Schrödinger & Heisenberg (1926) waarin elektronen worden beschreven als golfverschijnselen.
Orbitaal
Het ruimtelijke kansgebied waarin 90% kans bestaat om een elektron aan te treffen.
s-orbitaal
Een bolvormig orbitaal.
p-orbitaal
Een haltervormig orbitaal dat drie ruimtelijke oriëntaties kent (px,py,pz).
Isotopen
Atomen van hetzelfde chemische element met hetzelfde atoomnummer Z, maar met een verschillend massagetal A doordat ze een verschillend aantal neutronen in de kern bezitten.
Gemiddelde relatieve atoommassa (Ar)
Het gewogen gemiddelde van de atoommassa berekend op basis van het natuurlijk voorkomen van de isotopen.
Diagonaalregel
Wetmatigheid waarbij elektronen subniveaus bezetten in volgorde van stijgende energie.
Pauli-verbod
Regel dat in een atoom geen twee elektronen exact dezelfde vier kwantumkarakteristieken mogen bezitten, waardoor een orbitaal maximaal 2 elektronen met tegengestelde spin bevat.
Regel van Hund
Bij orbitalen van gelijke energie binnen eenzelfde subniveau wordt elk orbitaal eerst bezet door één elektron met parallelle spin, alvorens koppeling tot doubletten optreedt.
Inversie
Spontane verschuiving van een elektron bij overgangselementen (d- en f-blok) om een energetisch stabielere halfbezette of volledig bezette subschil te realiseren.
Valentie-elektronen
De elektronen in de buitenste schil waarvan het aantal bij de hoofdgroepen gelijk is aan het groepsnummer in het PSE.
Edelgassen
Elementen uit groep 0 (groep 18) met een stabiele octetstructuur (ns2np6) die chemisch inert zijn.
Atoomstraal binnen een periode
Neemt van links naar rechts af omdat de kernlading toeneemt (meer protonen), waardoor de elektronen in dezelfde schil sterker naar de kern worden getrokken.
Atoomstraal binnen een groep
Neemt van boven naar beneden toe omdat er telkens een nieuwe hoofdschil in gebruik wordt genomen.
Kationstraal
Altijd kleiner dan het neutrale atoom als gevolg van elektronverlies.
Anionstraal
Altijd groter dan het neutrale atoom vanwege de toegenomen onderlinge afstoting tussen de elektronen door elektronopname.
Ionisatie-energie (IE)
De minimale energie vereist om een elektron volledig te onttrekken aan een atoom in de gasfase.
Leerstofoverzicht Chemie
5BTW-Semester 2 Volledige Samenvatting (Pelckmans Portaal).
Elektronegatieve waarde (EN)
De maat voor de kracht waarmee een atoom in een binding de gedeelde bindingselektronen naar zich toe trekt.
Metalen
Elementen die links in het PSE staan, een lage EN-waarde bezitten en elektropositief zijn (geven makkelijk elektronen af om kationen te vormen).
Niet-metalen
Elementen die rechtsboven in het PSE staan, een hoge EN-waarde bezitten en elektronegatief zijn (nemen makkelijk elektronen op om anionen te vormen).
Amfotere elementen
Elementen op de grenslijn die, afhankelijk van de reactiepartner, zowel metaal- als niet-metaaleigenschappen vertonen.
Atoombinding (Covalente binding)
Binding tussen niet-metaalatomen waarbij ongepaarde valentie-elektronen gemeenschappelijk worden gesteld.
Ionbinding
Binding tussen een metaal en een niet-metaal met een grote ΔEN, waarbij volledige elektronenoverdracht leidt tot kationen niches en anionen die elkaar via sterke elektrostatische krachten vasthouden in een ionrooster.
Metaalbinding
Binding tussen metaalatomen waarbij positieve metaalionen een star rooster vormen dat bijeengehouden wordt door een vrij bewegende, gedelokaliseerde elektronenwolk.
Sigmabinding (σ-binding)
Zeer sterke binding die vrije rotatie toelaat, ontstaan door axiale overlapping van orbitalen op de verbindingsas tussen de twee atoomkernen.
Pi-binding (π-binding)
Zwakkere binding die rotatie verhindert, ontstaan door parallelle of zijdelingse overlapping van p-orbitalen loodrecht op de verbindingsas.
Bindingslengte (r0)
De afstand tussen kernen waarbij de potentiële energie minimaal is.
Donor-acceptor binding
Coördinatieve of datieve binding waarbij het bindende elektronenpaar volledig afkomstig is van één atoom (de donor) dat dit paar deelt met een atoom met een leeg orbitaal (de acceptor).
VSEPR-model
Model dat stelt dat elektronenparen rond een centraal atoom elkaar maximaal afstoten en een geometrie aannemen die de afstoting minimaliseert.
Sterisch Getal (SG)
De som van het aantal gebonden atomen en het aantal vrije elektronenparen op het centrale atoom (AXnEm).
Polaire binding
Binding die ontstaat bij een elektronegativiteitsverschil ongelijk aan nul (ΔEN=0), waarbij het meest elektronegatieve atoom een partieel negatieve lading (δ−) en het andere een partieel positieve lading (δ+) krijgt.
Polariteit van de molecule
Een molecule is pas een dipoolmolecule als de vectoriële som van alle individuele ladingsvectoren niet nul is door een asymmetrische bouw.
Londondispersiekrachten
Zwakke krachten veroorzaakt door tijdelijke, geïnduceerde dipolen door de constante beweging van elektronen, die voorkomen tussen alle moleculen.
Dipoolkrachten
Elektrostatische aantrekking tussen de permanente polaire kanten van polaire moleculen.
Waterstofbrugkrachten
Uitzonderlijk sterke dipoolkrachten die optreden als een waterstofatoom covalent gebonden is aan Fluor (F), Zuurstof (O) of Stikstof (N).
Anomalie van water
Verschijnsel waarbij ijs een lagere massadichtheid heeft dan vloeibaar water doordat watermoleculen in ijs via een maximaal aantal waterstofbruggen een open netwerk met grote holtes vormen.
Zuren
Atoomverbindingen bestaande uit waterstofatomen en een zuurrest met de algemene formule HnZ.
Hydroxiden (basen)
Ionverbindingen opgebouwd uit een metaalkation en hydroxide-anionen (OH−) met de algemene formule M(OH)n.
Niet-metaaloxiden
Covalente, binaire verbindingen met zuurstof volgens de formule nMxOy.
Metaaloxiden
Ionverbindingen met oxide-ionen (O2−) volgens de formule MxOy.
Zouten
Ionverbindingen bestaande uit een metaalkation (of NH4+) en een zuurrestanion met de algemene formule MnZm.
Hydraten
Zouten met een vast aantal watermoleculen (kristalwater) in hun ionrooster.
Zuur-basegedrag volgens Arrhenius
Zuren splitsen in water H+-ionen af via ionisatie en basen splitsen in water OH−-ionen af via dissociatie.
Neutralisatiereactie
Reactie tussen een hydroxide en een zuur waarbij de producten altijd een zout en water zijn.
Nucleonen
De protonen (p+) en neutronen die samen de atoomkern vormen.