1/100
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
variable
wisselvallig, veranderlijk
Il fait beau.
Het is goed weer.
Il fait mauvais.
Het is slecht weer.
la météo
het weerbericht
un baromètre
een barometer
le ciel
de hemel, lucht
le climat
het klimaat
le temps
het weer
Quel temps fait-il ?
Wat voor weer is het?
changeant, changeante
wisselvallig
l'atmosphère (f)
de atmosfeer
les prévisions météo(rologiques)
het weerbericht
une perturbation
een storing
la pression atmosphérique
de luchtdruk
Il fait sec. / Il ne pleut pas.
Het is droog.
Il y a du soleil.
Het is zonnig.
Le soleil brille.
De zon schijnt.
un rayon de soleil
een zonnestraal
ensoleillé, ensoleillée
zonnig
un arc-en-ciel
een regenboog
une éclaircie
een opklaring
le vent
de wind
une tempête
een storm
Il y a du vent.
Het is winderig.
une brise
een briesje
Il vente. / Ça souffle.
Er is wind. / Het waait.
un vent violent
een harde wind
une rafale / une bourrasque
een windstoot
couvert, couverte / nuageux, nuageuse
bewolkt
humide
vochtig
Il pleut.
Het regent.
inonder
overstromen
la pluie
de regen
pleuvoir
regenen
pluvieux, pluvieuse
regenachtig
un nuage
een wolk
une averse
een regenbui
une inondation
een overstroming
Il pleut des cordes
Het regent pijpenstelen.
l'humidité (f)
de vochtigheid
la bruine
de fijne regen, motregen
la précipitation
de neerslag
la rosée
de dauw
un déluge / une pluie torrentielle
een stortbui, hevige regen
une ondée / une drache (Belg.)
een stortbui, hevige regen
le brouillard (visibilité < 1 km)
de mist
Il y a du brouillard. / Il fait un temps brumeux.
Het is mistig.
la brume (visibilité > 1 km)
de nevel
brumeux, brumeuse
mistig
nébuleux, nébuleuse
nevelachtig
un éclair
een bliksemschicht
un coup de tonnerre
een donderslag
le tonnerre
de donder
la foudre
de bliksem
un orage
een onweer
orageux, orageuse
onweerachtig
Il fait froid.
Het is koud.
Il fait chaud.
Het is warm.
Il fait doux.
Het is zacht weer.
la température
de temperatuur
Il gèle.
Het vriest.
geler
vriezen, bevriezen
fondre
smelten
dégeler
(ont)dooien
une vague de chaleur
een hittegolf
un thermomètre
een thermometer
très frais, très fraîche
fris, koel
à l'ombre
in de schaduw
une canicule
een hittegolf
une chaleur étouffante
een verstikkende hitte
frisquet, frisquette
fris, koel
Il neige.
sneeuwen
la neige
de sneeuw
un flocon (de neige)
een (sneeuw)vlok
le gel
de vorst, het vriezen
la grêle
de hagel
le givre
de rijp, rijm
le verglas
de ijzel
la tempête de neige
de sneeuwstorm
la neige fondue
de smeltende sneeuw, natte sneeuw
un grêlon
een hagelsteen
l'automne (m)
de herfst
en automne
in de herfst
l'été (m)
de zomer
en été
in de zomer
l'hiver (m)
de winter
en hiver
in de winter
le printemps
de lente
au printemps
in de lente
une saison
een seizoen, jaargetijde
En quelle saison … ?
In welk seizoen …?
un bel été
een mooie zomer
un hiver rude
een strenge winter
en saison
van het seizoen
hors saison
buiten het seizoen
au cœur de l'été/de l'hiver
hartje zomer/winter
continental, continentale
continentaal
méditerranéen, méditerranéenne
mediterraans
polaire
polair
tempéré, tempérée
gematigd