1/65
Een uitgebreide lijst met woordenschat en begrippen voor het geschiedenisexamen van juni 2026, over de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog, België en de dekolonisatie van Congo.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
communisme
Ideologie die een klasseloze samenleving nastreeft waarbij de productiemiddelen (bv. fabrieken en machines) in handen zijn van de gemeenschap.
nazisme
Een racistische, extreemrechtse en antisemitische ideologie die zich na de Eerste Wereldoorlog onder leiding van Hitler ontwikkelde.
Lebensraum
‘Levensruimte’. Het grote Duitse volk had ruimte nodig om zich te ontwikkelen. Die ruimte moest gevonden worden in Centraal- en Oost-Europa.
stalinisme
Politieke stroming onder Stalin die zich baseerde op het communisme waarbij de personencultus rond Stalin centraal stond.
staatsgeleide economie
Economie die volledig geregeld en gepland wordt door de staat, zonder privé-initiatief.
vijfjarenplan
Doelstellingen die door de staat werden gesteld die de industrie en de landbouw moest halen.
collectivisatie
Het gemeenschappelijk / van de staat maken van eigendommen die eerder privé waren, bijvoorbeeld landbouwgronden.
Personencultus
Persoon die wordt verheerlijkt en aanbeden en bijna een goddelijke status krijgt.
Groot-Duitsland
De term verwijst naar het streven om alle Duitstaligen binnen dezelfde staat te verenigen.
Anschluss
Term voor de annexatie van Oostenrijk door nazi-Duitsland in 1938.
appeasement
Politiek waarbij men de vrede wil behouden door verregaande toegevingen te doen aan de tegenpartij.
nationalisme
De ideologie en de beweging van een bepaalde natie die streeft naar de realisatie van een eigen staat of het behoud van de eigen culturele identiteit.
fascisme
Politiek stelsel waarbij een persoon of partij alle macht in handen heeft door middel van partijmilities, extreem autoritair nationalisme en verheerlijking van de leider.
geallieerden (WO II)
De staten die samen nazi-Duitsland, Italië en Japan bestreden, met als belangrijkste landen Groot-Brittannië, de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten.
asmogendheden
Benaming voor het bondgenootschap tussen het fascistische Italië, nazi-Duitsland en Japan.
D-day
Invasie van West-Europa door geallieerde troepen (6 juni 1944).
V-day
De definitieve overwinning van de geallieerden op de asmogendheden in Europa (8 mei 1945).
Blitzkrieg
Bliksemoorlog; een snelle aanval op het zwakste punt van de vijand om door de linies te breken en bevoorrading af te snijden.
genocide
Het opzettelijk vernietigen, geheel of gedeeltelijk, van een raciale, seksuele, godsdienstige, tribale of politieke minderheid.
antisemitisme
Jodenhaat, waarbij men Joden ziet als een apart ras en hen daarom haat, niet enkel kijkend naar het geloof.
collaborateur
Term gebruikt voor personen die samenwerken met de vijand, specifiek nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog.
kapitalisme
Economisch systeem gebaseerd op het idee dat men door geld te investeren, winst verwacht.
volksverhuizing
Verplaatsing van grote groepen mensen van de ene plaats naar de andere.
demografie
De wetenschap die de samenstelling en evolutie van de bevolking bestudeert.
Verenigde Naties (VN)
Internationale organisatie opgericht in 1945 met als doel om internationale samenwerking en vrede te bevorderen.
Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO)
Westers militair bondgenootschap opgericht in 1949 als reactie op de dreiging van de Sovjet-Unie.
Koude Oorlog
Periode van gewapende vrede tussen het oosten (Sovjet-Unie) en het westen (Verenigde Staten) in de tweede helft van de twintigste eeuw.
resolutie
Besluit van de Verenigde Naties; die van de Veiligheidsraad zijn bindend, die van de Algemene Vergadering niet.
VN-blauwhelmen
Militairen die door de VN worden ingezet om vrede en veiligheid te handhaven in conflictgebieden.
Volkenbond
Intergouvernementele organisatie opgericht na de Eerste Wereldoorlog voor vrede via diplomatie en collectieve veiligheid.
bipolaire wereld
Concentratie van de macht in de wereldpolitiek in twee polen: de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie.
containmentpolitiek
Politiek die ernaar streeft om de verdere uitbreiding van een andere grootmacht onmogelijk te maken.
Warschaupact
Militair bondgenootschap van Oost-Europese landen gedomineerd door de Sovjet-Unie, opgericht als reactie op de NAVO.
IJzeren Gordijn
Grens van prikkeldraadafsluiting tussen het communistische Oost-Europa en het kapitalistische West-Europa.
Marshallplan
Economisch hulpprogramma door de VS aangeboden aan Europese staten.
dominotheorie
Amerikaans geloof dat het overgaan van één land naar het communisme de val van een hele regio zou inluiden.
wapenwedloop
Concurrentiestrijd tussen landen om zo veel mogelijk geavanceerde wapens te ontwikkelen.
detente
Periode in de Koude Oorlog van relatieve rust en beperkte toenadering tussen Oost en West.
glasnost
Politieke hervorming in de Sovjet-Unie gericht op transparantie, politieke vrijheden en vrijheid van informatie.
perestrojka
Herstructurering van de Sovjeteconomie naar meer economische vrijheid.
gemengde economie
Vrijemarkteconomie waar privéondernemingen de meeste productiemiddelen bezitten, maar de overheid een actieve regulerende rol speelt.
levensstandaard
Niveau van welvaart waarin de bevolking op sociaaleconomisch vlak leeft.
verzorgingsstaat
Staat die het welzijn beschermt via sociale voorzieningen zoals pensioenen en werkloosheidsuitkeringen.
vrijhandel
Systeem waarbij goederen vrij in- en uitgevoerd worden zonder handelsbelemmeringen van de overheid.
consumptiemaatschappij
Levensstijl waarbij het kopen van goederen en diensten een belangrijke rol inneemt.
planeconomie
Economie die volledig door de overheid gepland wordt zonder privé-initiatief.
federale staat
Staat waarin het staatsgezag verdeeld is tussen het federale niveau en de deelstaten.
unitaire staat
Staat waarin het staatsgezag bij een centrale overheid ligt.
Referendum
Volksraadpleging waarbij de bevolking stemt over een voorstel van de overheid (directe democratie).
staatshervorming
Proces waarbij de structuur, machtsverdeling of functies van een staat worden gewijzigd.
gemeenschap (België)
Deelstaatindeling op basis van taal en cultuur: de Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeenschap.
gewest (België)
Deelstaatindeling op basis van sociaaleconomische factoren: het Vlaamse, Waalse en Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
decreet
Wet op het niveau van een deelstaat met dezelfde rechtskracht als een federale wet binnen die deelstaat.
grondwet
Basisdocument met grondrechten van burgers en de organisatiewijze van de staat.
socialisme
Ideologieën die streven naar een samenleving op basis van sociale rechtvaardigheid.
christendemocratie
Ideologie gebaseerd op christelijke waarden die via samenwerking tussen klassen de positie van arbeiders wil verbeteren.
dekolonisatie
Het onafhankelijk worden van kolonies.
zelfbeschikkingsrecht
Het recht van een persoon of groep om zelfstandige keuzes te maken.
exploitatiekolonie
Kolonie die diende als wingewest voor grondstoffen van het moederland.
évolué
Inheemse persoon die zich de westerse beschaving eigen had gemaakt in de ogen van de kolonisator.
sociale mobiliteit
De mogelijkheid om in een samenleving op te werken en van sociaaleconomische status te veranderen.
kleptocratie
Corrupt regime waarbij de elite de rijkdommen van het land plundert ten koste van de bevolking.
neokolonialisme
Situatie waarbij een voormalige kolonie politiek onafhankelijk is maar economisch afhankelijk blijft van het westen.
dictatuur
Staatsvorm waarbij alle macht (wetgevend, rechtgevend, uitvoerend) verenigd is in één persoon.
democratie
Bestuursvorm waarin machtshebbers verkozen worden door de wil van het volk.
etnie
Groep mensen die een gemeenschap vormen op basis van een historisch gegroeide culturele eigenheid.