Begrippenlijst examen geschiedenis - juni 2026

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/65

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Een uitgebreide lijst met woordenschat en begrippen voor het geschiedenisexamen van juni 2026, over de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog, België en de dekolonisatie van Congo.

Last updated 1:54 PM on 6/4/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

66 Terms

1
New cards

communisme

Ideologie die een klasseloze samenleving nastreeft waarbij de productiemiddelen (bv. fabrieken en machines) in handen zijn van de gemeenschap.

2
New cards

nazisme

Een racistische, extreemrechtse en antisemitische ideologie die zich na de Eerste Wereldoorlog onder leiding van Hitler ontwikkelde.

3
New cards

Lebensraum

‘Levensruimte’. Het grote Duitse volk had ruimte nodig om zich te ontwikkelen. Die ruimte moest gevonden worden in Centraal- en Oost-Europa.

4
New cards

stalinisme

Politieke stroming onder Stalin die zich baseerde op het communisme waarbij de personencultus rond Stalin centraal stond.

5
New cards

staatsgeleide economie

Economie die volledig geregeld en gepland wordt door de staat, zonder privé-initiatief.

6
New cards

vijfjarenplan

Doelstellingen die door de staat werden gesteld die de industrie en de landbouw moest halen.

7
New cards

collectivisatie

Het gemeenschappelijk / van de staat maken van eigendommen die eerder privé waren, bijvoorbeeld landbouwgronden.

8
New cards

Personencultus

Persoon die wordt verheerlijkt en aanbeden en bijna een goddelijke status krijgt.

9
New cards

Groot-Duitsland

De term verwijst naar het streven om alle Duitstaligen binnen dezelfde staat te verenigen.

10
New cards

Anschluss

Term voor de annexatie van Oostenrijk door nazi-Duitsland in 19381938.

11
New cards

appeasement

Politiek waarbij men de vrede wil behouden door verregaande toegevingen te doen aan de tegenpartij.

12
New cards

nationalisme

De ideologie en de beweging van een bepaalde natie die streeft naar de realisatie van een eigen staat of het behoud van de eigen culturele identiteit.

13
New cards

fascisme

Politiek stelsel waarbij een persoon of partij alle macht in handen heeft door middel van partijmilities, extreem autoritair nationalisme en verheerlijking van de leider.

14
New cards

geallieerden (WO II)

De staten die samen nazi-Duitsland, Italië en Japan bestreden, met als belangrijkste landen Groot-Brittannië, de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten.

15
New cards

asmogendheden

Benaming voor het bondgenootschap tussen het fascistische Italië, nazi-Duitsland en Japan.

16
New cards

D-day

Invasie van West-Europa door geallieerde troepen (66 juni 19441944).

17
New cards

V-day

De definitieve overwinning van de geallieerden op de asmogendheden in Europa (88 mei 19451945).

18
New cards

Blitzkrieg

Bliksemoorlog; een snelle aanval op het zwakste punt van de vijand om door de linies te breken en bevoorrading af te snijden.

19
New cards

genocide

Het opzettelijk vernietigen, geheel of gedeeltelijk, van een raciale, seksuele, godsdienstige, tribale of politieke minderheid.

20
New cards

antisemitisme

Jodenhaat, waarbij men Joden ziet als een apart ras en hen daarom haat, niet enkel kijkend naar het geloof.

21
New cards

collaborateur

Term gebruikt voor personen die samenwerken met de vijand, specifiek nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

22
New cards

kapitalisme

Economisch systeem gebaseerd op het idee dat men door geld te investeren, winst verwacht.

23
New cards

volksverhuizing

Verplaatsing van grote groepen mensen van de ene plaats naar de andere.

24
New cards

demografie

De wetenschap die de samenstelling en evolutie van de bevolking bestudeert.

25
New cards

Verenigde Naties (VN)

Internationale organisatie opgericht in 19451945 met als doel om internationale samenwerking en vrede te bevorderen.

26
New cards

Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO)

Westers militair bondgenootschap opgericht in 19491949 als reactie op de dreiging van de Sovjet-Unie.

27
New cards

Koude Oorlog

Periode van gewapende vrede tussen het oosten (Sovjet-Unie) en het westen (Verenigde Staten) in de tweede helft van de twintigste eeuw.

28
New cards

resolutie

Besluit van de Verenigde Naties; die van de Veiligheidsraad zijn bindend, die van de Algemene Vergadering niet.

29
New cards

VN-blauwhelmen

Militairen die door de VN worden ingezet om vrede en veiligheid te handhaven in conflictgebieden.

30
New cards

Volkenbond

Intergouvernementele organisatie opgericht na de Eerste Wereldoorlog voor vrede via diplomatie en collectieve veiligheid.

31
New cards

bipolaire wereld

Concentratie van de macht in de wereldpolitiek in twee polen: de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie.

32
New cards

containmentpolitiek

Politiek die ernaar streeft om de verdere uitbreiding van een andere grootmacht onmogelijk te maken.

33
New cards

Warschaupact

Militair bondgenootschap van Oost-Europese landen gedomineerd door de Sovjet-Unie, opgericht als reactie op de NAVO.

34
New cards

IJzeren Gordijn

Grens van prikkeldraadafsluiting tussen het communistische Oost-Europa en het kapitalistische West-Europa.

35
New cards

Marshallplan

Economisch hulpprogramma door de VS aangeboden aan Europese staten.

36
New cards

dominotheorie

Amerikaans geloof dat het overgaan van één land naar het communisme de val van een hele regio zou inluiden.

37
New cards

wapenwedloop

Concurrentiestrijd tussen landen om zo veel mogelijk geavanceerde wapens te ontwikkelen.

38
New cards

detente

Periode in de Koude Oorlog van relatieve rust en beperkte toenadering tussen Oost en West.

39
New cards

glasnost

Politieke hervorming in de Sovjet-Unie gericht op transparantie, politieke vrijheden en vrijheid van informatie.

40
New cards

perestrojka

Herstructurering van de Sovjeteconomie naar meer economische vrijheid.

41
New cards

gemengde economie

Vrijemarkteconomie waar privéondernemingen de meeste productiemiddelen bezitten, maar de overheid een actieve regulerende rol speelt.

42
New cards

levensstandaard

Niveau van welvaart waarin de bevolking op sociaaleconomisch vlak leeft.

43
New cards

verzorgingsstaat

Staat die het welzijn beschermt via sociale voorzieningen zoals pensioenen en werkloosheidsuitkeringen.

44
New cards

vrijhandel

Systeem waarbij goederen vrij in- en uitgevoerd worden zonder handelsbelemmeringen van de overheid.

45
New cards

consumptiemaatschappij

Levensstijl waarbij het kopen van goederen en diensten een belangrijke rol inneemt.

46
New cards

planeconomie

Economie die volledig door de overheid gepland wordt zonder privé-initiatief.

47
New cards

federale staat

Staat waarin het staatsgezag verdeeld is tussen het federale niveau en de deelstaten.

48
New cards

unitaire staat

Staat waarin het staatsgezag bij een centrale overheid ligt.

49
New cards

Referendum

Volksraadpleging waarbij de bevolking stemt over een voorstel van de overheid (directe democratie).

50
New cards

staatshervorming

Proces waarbij de structuur, machtsverdeling of functies van een staat worden gewijzigd.

51
New cards

gemeenschap (België)

Deelstaatindeling op basis van taal en cultuur: de Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeenschap.

52
New cards

gewest (België)

Deelstaatindeling op basis van sociaaleconomische factoren: het Vlaamse, Waalse en Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

53
New cards

decreet

Wet op het niveau van een deelstaat met dezelfde rechtskracht als een federale wet binnen die deelstaat.

54
New cards

grondwet

Basisdocument met grondrechten van burgers en de organisatiewijze van de staat.

55
New cards

socialisme

Ideologieën die streven naar een samenleving op basis van sociale rechtvaardigheid.

56
New cards

christendemocratie

Ideologie gebaseerd op christelijke waarden die via samenwerking tussen klassen de positie van arbeiders wil verbeteren.

57
New cards

dekolonisatie

Het onafhankelijk worden van kolonies.

58
New cards

zelfbeschikkingsrecht

Het recht van een persoon of groep om zelfstandige keuzes te maken.

59
New cards

exploitatiekolonie

Kolonie die diende als wingewest voor grondstoffen van het moederland.

60
New cards

évolué

Inheemse persoon die zich de westerse beschaving eigen had gemaakt in de ogen van de kolonisator.

61
New cards

sociale mobiliteit

De mogelijkheid om in een samenleving op te werken en van sociaaleconomische status te veranderen.

62
New cards

kleptocratie

Corrupt regime waarbij de elite de rijkdommen van het land plundert ten koste van de bevolking.

63
New cards

neokolonialisme

Situatie waarbij een voormalige kolonie politiek onafhankelijk is maar economisch afhankelijk blijft van het westen.

64
New cards

dictatuur

Staatsvorm waarbij alle macht (wetgevend, rechtgevend, uitvoerend) verenigd is in één persoon.

65
New cards

democratie

Bestuursvorm waarin machtshebbers verkozen worden door de wil van het volk.

66
New cards

etnie

Groep mensen die een gemeenschap vormen op basis van een historisch gegroeide culturele eigenheid.