1/59
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Arteriën
Bloedvaten die zorgen voor de toevoer van bloed (weg van het hart).
Venen
Bloedvaten die fungeren als opslag en afvoer van bloed (naar het hart).
Capillairen
De plaats van microcirculatie; vormen capillaire bedden voor uitwisseling.
Wat zijn de drie lagen van een vaatwand (van binnen naar buiten)?
Tunica intima, tunica media, tunica adventitia.
Lamina elastica interna
Een elastische laag die nog net deel uitmaakt van de tunica intima en de grens met de media vormt; goed te kleuren.
Lamina elastica externa
Een elastische laag die nog net deel uitmaakt van de tunica media en de grens met de adventitia vormt; goed te kleuren.
Vasa vasorum
Bloedvaten die de grotere bloedvaten zelf van bloed voorzien.
Vasa nervorum
Zenuwen die de bloedvaten van innervatie voorzien.
Welk type bloedvaten voeren zuurstofrijk bloed onder hoge druk aan?
Arteriën (met uitzondering van de longslagader in de kleine bloedsomloop).
Grote elastische arteriën
Bijv. de aorta en truncus pulmonaris; bevatten veel kringelige elastische laagjes.
Wat gebeurt er met de elastische laagjes in grote arteriën bij ouder worden?
Er wordt meer collageen afgezet, waardoor ze stijver worden.
Wat is het windketel-effect?
Het effect waarbij de elastische arteriën uitzetten tijdens de systole (druk opvangen) en weer terugveren tijdens de diastole (druk behouden), waardoor een continue flow ontstaat uit een pulsatiele flow.
Musculeuze (distribuerende) arteriën
Arteriën die bloed verdelen op orgaanniveau; bevatten veel circulair gladde spierweefsel om te openen en sluiten.
Arteriolen
De kleinste arteriën, vlak voor de capillairen; hebben geen eigen naam meer en verdelen bloed op capillair niveau. De mate van tonus bepaalt de vulling.
Anastomosen
Verbindingen (zijwegen) tussen bloedvaten; zorgen voor collaterale circulatie als een hoofdweg dichtslibt.
Echte terminale arteriën
Arteriën zonder anastomosen, dus zonder compensatiemechanisme (bijv. in de retina).
Functioneel terminale arteriën
Arteriën die wel anastomosen hebben, maar deze zijn inadequaat (te weinig) voor compensatie.
Capillairen
De allerkleinste bloedvaten; bestaan uit een endotheellaag (geen standaard vaatwand) en zijn bedoeld voor uitwisseling van vloeistof en stoffen.
Continue capillairen
Het meest voorkomende type capillair, met tight junctions tussen de endotheelcellen.
Gefenestreerde capillairen
Capillairen met poriën (fenestrae) in de endotheelcellen, waardoor ze doorlaatbaarder zijn.
Arterio-veneuze shunts
Directe verbindingen tussen arteriolen en venulen, die de capillairen bypassen; gereguleerd door sfincters, bijv. voor thermoregulatie in de huid.
Venen (algemene kenmerken)
Fungeren als reservoir en afvoer; hebben een lage druk, zijn groter in aantal en hebben dunnere wanden (meer expansie mogelijk).
Venulen
Kleine, niet-genaamde venen die samenkomen in veneuze plexussen.
Medium sized venulen
Grotere, genaamde venen met kleppen tegen terugstroming; worden omhoog geholpen door de arterie ernaast (arterioveneuze pomp) en door spiercontractie.
Accompanying veins
Venen die naast een arterie lopen; de arterie helpt het bloed in de vene omhoog te duwen en verwarmt het bloed.
Spataders (varices)
Ontstaan wanneer het terugstromen van bloed in de diepe venen niet goed werkt, waardoor bloed terugvloeit naar de oppervlakkige venen.
Grote venen
Bijv. vena cavae en longvenen; hebben wijde bundels longitudinale spiercellen in de adventitia.
Veneuze trombose
Een bloedstolsel in een ader, vaak door een trage bloedstroom. Kan leiden tot een longembolie.
Wat is het risico als een veneuze trombose via een shunt in het hart in de arteriële circulatie terechtkomt?
Het kan een hartaanval of CVA (beroerte) veroorzaken.
Wat zijn twee processen die kunnen leiden tot vaatvernauwing of -verstopping?
Intima-verdikking en aderverkalking (atherosclerose).
Endotheel (functies)
Vormt de barrière tussen bloed en weefsel; produceert glycocalyx, prostacycline, NO, endotheline, vWF, thromboplastine en thrombospondine.
Wat is het effect van nitric oxide (NO) op bloedvaten?
Het zorgt voor vasodilatatie.
Wat is het effect van endotheline op bloedvaten?
Het zorgt voor vasoconstrictie.
Wat is de functie van thrombospondine?
Het heeft een antistollende werking.
Wat is shear stress en wat is het gevolg voor het endotheel?
Shear stress is de wrijvingskracht van stromend bloed op de vaatwand. Veranderingen hierin kunnen leiden tot intima-verdikking en atherosclerose.
Wat gebeurt er bij activatie van het endotheel?
Het leidt tot adhesie (aanhechting) en migratie van lymfocyten naar de vaatwand.
Sternum
Borstbeen; onderdeel van de borstkas dat samen met de ribben de longen beschermt en een rol speelt bij de ademhaling.
Ware ribben
Ribben I tot en met VII; zitten via kraakbeen direct vast aan het sternum.
Valse ribben
Ribben VIII tot en met X; komen samen en hechten via kraakbeen aan de ribben daarboven (niet direct aan het sternum).
Zwevende ribben
Ribben XI en XII; hebben geen verbinding met het sternum en dienen vooral voor bescherming.
Musculus intercostalis intimi
De binnenste intercostale spier; helpt de musculus intercostalis internus bij geforceerde uitademing.
Zenuw-vaatstreng
Loopt tussen de musculus intercostalis internus en de musculus intercostalis intimi.
Musculus intercostalis internus
Loopt van rib naar achter; zorgt bij contractie voor diepe uitademing (verlaagt de ribben).
Musculus intercostalis externus
Zorgt bij contractie voor het omhoog trekken van de ribben, wat leidt tot inademing.
Hoeveel kwabben heeft de linkerlong en welke zijn dat?
Twee kwabben: de bovenste kwab en de onderste kwab (gescheiden door de oblique fissure). De linkerlong heeft ook een lingula (tongetje).
Hoeveel kwabben heeft de rechterlong en welke zijn dat?
Drie kwabben: bovenste, middelste (gescheiden door de horizontal fissure) en onderste (gescheiden door de oblique fissure). De onderste is de grootste.
Hoeveel segmenten heeft elke long en wat is hun betekenis?
Elke long heeft 10 segmenten. Het is de kleinste uitneembare eenheid, omgeven door bindweefseltussenschotten.
Viscerale pleura
Het longvlies dat direct over de long heen ligt.
Pariëtale pleura
Het longvlies dat over de binnenkant van de borstwand ligt.
Wat is de functie van de 5 ml vocht in de pleuraholte?
Het zorgt voor een hechting (zuiging) tussen de twee pleurabladen; als er lucht bij komt, ontstaat er een klaplong (pneumothorax).
Mediastinum
De ruimte tussen de linker- en rechterlong, begrensd door het sternum en de wervelkolom.
Diafragma
De belangrijkste ademhalingsspier; de buitenkant is spierweefsel, de binnenkant is een peesblad. De vena cava inferior, aorta en slokdarm gaan erdoorheen.
Welke zenuw innerveert het diafragma?
De nervus phrenicus.
Longhilum
De plaats aan de binnenkant van de long waar de bronchus, bloedvaten en zenuwen de long binnenkomen en verlaten.
Trachea (algemene kenmerken)
Luchtpijp; bestaat uit kraakbeenhoefijzers en heeft een musculus trachealis voor hoesten en het versnellen van de luchtstroom.
Carina
Een kraakbeenrichel op de splitsing van de trachea in de linker en rechter hoofdbronchus.
Wat is het verschil in anatomie tussen de rechter en linker hoofdbronchus?
De rechter is korter, stijler en wijder; een ingeslikt voorwerp belandt hier daarom sneller. De linker is langer, minder stijl en smaller.
Wat is de juiste volgorde van de luchtwegen vanaf de trachea?
Trachea -> hoofdbronchus (2) -> lobaire bronchus (5) -> segmentale bronchus (20) -> bronchiolus (terminaal en respiratorius) -> alveolus.
Terminale bronchiolen
De laatste takken van de luchtwegen waar geen gasuitwisseling plaatsvindt.
Respiratoire bronchiolen
Takken van de luchtwegen waar wel gasuitwisseling plaatsvindt, omdat ze alveoli bevatten.