HC-11

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/59

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:00 AM on 6/21/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

60 Terms

1
New cards

Arteriën

Bloedvaten die zorgen voor de toevoer van bloed (weg van het hart).

2
New cards

Venen

Bloedvaten die fungeren als opslag en afvoer van bloed (naar het hart).

3
New cards

Capillairen

De plaats van microcirculatie; vormen capillaire bedden voor uitwisseling.

4
New cards

Wat zijn de drie lagen van een vaatwand (van binnen naar buiten)?

Tunica intima, tunica media, tunica adventitia.

5
New cards

Lamina elastica interna

Een elastische laag die nog net deel uitmaakt van de tunica intima en de grens met de media vormt; goed te kleuren.

6
New cards

Lamina elastica externa

Een elastische laag die nog net deel uitmaakt van de tunica media en de grens met de adventitia vormt; goed te kleuren.

7
New cards

Vasa vasorum

Bloedvaten die de grotere bloedvaten zelf van bloed voorzien.

8
New cards

Vasa nervorum

Zenuwen die de bloedvaten van innervatie voorzien.

9
New cards

Welk type bloedvaten voeren zuurstofrijk bloed onder hoge druk aan?

Arteriën (met uitzondering van de longslagader in de kleine bloedsomloop).

10
New cards

Grote elastische arteriën

Bijv. de aorta en truncus pulmonaris; bevatten veel kringelige elastische laagjes.

11
New cards

Wat gebeurt er met de elastische laagjes in grote arteriën bij ouder worden?

Er wordt meer collageen afgezet, waardoor ze stijver worden.

12
New cards

Wat is het windketel-effect?

Het effect waarbij de elastische arteriën uitzetten tijdens de systole (druk opvangen) en weer terugveren tijdens de diastole (druk behouden), waardoor een continue flow ontstaat uit een pulsatiele flow.

13
New cards

Musculeuze (distribuerende) arteriën

Arteriën die bloed verdelen op orgaanniveau; bevatten veel circulair gladde spierweefsel om te openen en sluiten.

14
New cards

Arteriolen

De kleinste arteriën, vlak voor de capillairen; hebben geen eigen naam meer en verdelen bloed op capillair niveau. De mate van tonus bepaalt de vulling.

15
New cards

Anastomosen

Verbindingen (zijwegen) tussen bloedvaten; zorgen voor collaterale circulatie als een hoofdweg dichtslibt.

16
New cards

Echte terminale arteriën

Arteriën zonder anastomosen, dus zonder compensatiemechanisme (bijv. in de retina).

17
New cards

Functioneel terminale arteriën

Arteriën die wel anastomosen hebben, maar deze zijn inadequaat (te weinig) voor compensatie.

18
New cards

Capillairen

De allerkleinste bloedvaten; bestaan uit een endotheellaag (geen standaard vaatwand) en zijn bedoeld voor uitwisseling van vloeistof en stoffen.

19
New cards

Continue capillairen

Het meest voorkomende type capillair, met tight junctions tussen de endotheelcellen.

20
New cards

Gefenestreerde capillairen

Capillairen met poriën (fenestrae) in de endotheelcellen, waardoor ze doorlaatbaarder zijn.

21
New cards

Arterio-veneuze shunts

Directe verbindingen tussen arteriolen en venulen, die de capillairen bypassen; gereguleerd door sfincters, bijv. voor thermoregulatie in de huid.

22
New cards

Venen (algemene kenmerken)

Fungeren als reservoir en afvoer; hebben een lage druk, zijn groter in aantal en hebben dunnere wanden (meer expansie mogelijk).

23
New cards

Venulen

Kleine, niet-genaamde venen die samenkomen in veneuze plexussen.

24
New cards

Medium sized venulen

Grotere, genaamde venen met kleppen tegen terugstroming; worden omhoog geholpen door de arterie ernaast (arterioveneuze pomp) en door spiercontractie.

25
New cards

Accompanying veins

Venen die naast een arterie lopen; de arterie helpt het bloed in de vene omhoog te duwen en verwarmt het bloed.

26
New cards

Spataders (varices)

Ontstaan wanneer het terugstromen van bloed in de diepe venen niet goed werkt, waardoor bloed terugvloeit naar de oppervlakkige venen.

27
New cards

Grote venen

Bijv. vena cavae en longvenen; hebben wijde bundels longitudinale spiercellen in de adventitia.

28
New cards

Veneuze trombose

Een bloedstolsel in een ader, vaak door een trage bloedstroom. Kan leiden tot een longembolie.

29
New cards

Wat is het risico als een veneuze trombose via een shunt in het hart in de arteriële circulatie terechtkomt?

Het kan een hartaanval of CVA (beroerte) veroorzaken.

30
New cards

Wat zijn twee processen die kunnen leiden tot vaatvernauwing of -verstopping?

Intima-verdikking en aderverkalking (atherosclerose).

31
New cards

Endotheel (functies)

Vormt de barrière tussen bloed en weefsel; produceert glycocalyx, prostacycline, NO, endotheline, vWF, thromboplastine en thrombospondine.

32
New cards

Wat is het effect van nitric oxide (NO) op bloedvaten?

Het zorgt voor vasodilatatie.

33
New cards

Wat is het effect van endotheline op bloedvaten?

Het zorgt voor vasoconstrictie.

34
New cards

Wat is de functie van thrombospondine?

Het heeft een antistollende werking.

35
New cards

Wat is shear stress en wat is het gevolg voor het endotheel?

Shear stress is de wrijvingskracht van stromend bloed op de vaatwand. Veranderingen hierin kunnen leiden tot intima-verdikking en atherosclerose.

36
New cards

Wat gebeurt er bij activatie van het endotheel?

Het leidt tot adhesie (aanhechting) en migratie van lymfocyten naar de vaatwand.

37
New cards

Sternum

Borstbeen; onderdeel van de borstkas dat samen met de ribben de longen beschermt en een rol speelt bij de ademhaling.

38
New cards

Ware ribben

Ribben I tot en met VII; zitten via kraakbeen direct vast aan het sternum.

39
New cards

Valse ribben

Ribben VIII tot en met X; komen samen en hechten via kraakbeen aan de ribben daarboven (niet direct aan het sternum).

40
New cards

Zwevende ribben

Ribben XI en XII; hebben geen verbinding met het sternum en dienen vooral voor bescherming.

41
New cards

Musculus intercostalis intimi

De binnenste intercostale spier; helpt de musculus intercostalis internus bij geforceerde uitademing.

42
New cards

Zenuw-vaatstreng

Loopt tussen de musculus intercostalis internus en de musculus intercostalis intimi.

43
New cards

Musculus intercostalis internus

Loopt van rib naar achter; zorgt bij contractie voor diepe uitademing (verlaagt de ribben).

44
New cards

Musculus intercostalis externus

Zorgt bij contractie voor het omhoog trekken van de ribben, wat leidt tot inademing.

45
New cards

Hoeveel kwabben heeft de linkerlong en welke zijn dat?

Twee kwabben: de bovenste kwab en de onderste kwab (gescheiden door de oblique fissure). De linkerlong heeft ook een lingula (tongetje).

46
New cards

Hoeveel kwabben heeft de rechterlong en welke zijn dat?

Drie kwabben: bovenste, middelste (gescheiden door de horizontal fissure) en onderste (gescheiden door de oblique fissure). De onderste is de grootste.

47
New cards

Hoeveel segmenten heeft elke long en wat is hun betekenis?

Elke long heeft 10 segmenten. Het is de kleinste uitneembare eenheid, omgeven door bindweefseltussenschotten.

48
New cards

Viscerale pleura

Het longvlies dat direct over de long heen ligt.

49
New cards

Pariëtale pleura

Het longvlies dat over de binnenkant van de borstwand ligt.

50
New cards

Wat is de functie van de 5 ml vocht in de pleuraholte?

Het zorgt voor een hechting (zuiging) tussen de twee pleurabladen; als er lucht bij komt, ontstaat er een klaplong (pneumothorax).

51
New cards

Mediastinum

De ruimte tussen de linker- en rechterlong, begrensd door het sternum en de wervelkolom.

52
New cards

Diafragma

De belangrijkste ademhalingsspier; de buitenkant is spierweefsel, de binnenkant is een peesblad. De vena cava inferior, aorta en slokdarm gaan erdoorheen.

53
New cards

Welke zenuw innerveert het diafragma?

De nervus phrenicus.

54
New cards

Longhilum

De plaats aan de binnenkant van de long waar de bronchus, bloedvaten en zenuwen de long binnenkomen en verlaten.

55
New cards

Trachea (algemene kenmerken)

Luchtpijp; bestaat uit kraakbeenhoefijzers en heeft een musculus trachealis voor hoesten en het versnellen van de luchtstroom.

56
New cards

Carina

Een kraakbeenrichel op de splitsing van de trachea in de linker en rechter hoofdbronchus.

57
New cards

Wat is het verschil in anatomie tussen de rechter en linker hoofdbronchus?

De rechter is korter, stijler en wijder; een ingeslikt voorwerp belandt hier daarom sneller. De linker is langer, minder stijl en smaller.

58
New cards

Wat is de juiste volgorde van de luchtwegen vanaf de trachea?

Trachea -> hoofdbronchus (2) -> lobaire bronchus (5) -> segmentale bronchus (20) -> bronchiolus (terminaal en respiratorius) -> alveolus.

59
New cards

Terminale bronchiolen

De laatste takken van de luchtwegen waar geen gasuitwisseling plaatsvindt.

60
New cards

Respiratoire bronchiolen

Takken van de luchtwegen waar wel gasuitwisseling plaatsvindt, omdat ze alveoli bevatten.