1/30
Flashcards gebaseerd op de colleges Management en Organisatie, inclusief definities van basisbegrippen, managementstromingen, planningsinstrumenten en organisatiestructuren.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Organisatie
Een eenheid van mensen die op een bewuste manier bij elkaar zijn gebracht om specifieke gemeenschappelijke doelen te verwezenlijken.
Heterogeniteit
De basis waarop soorten organisatieleden worden onderscheiden, zoals sociodemografische kenmerken, functie, hiërarchie, expertis, productbetrokkenheid of regiobetrokkenheid.
Organisatiecultuur
Het geheel aan gemeenschappelijke waarden en normen die alle organisatieleden delen, uitgedrukt in praktijken, symbolen en rituelen.
Micro-omgeving (Taakomgeving)
De externe omgeving waarmee de organisatie een directe en wederzijdse interactie heeft, bestaande uit klanten, leveranciers, distributeurs, concurrenten, financiers en partners.
Macro-omgeving (Algemene omgeving)
Grote maatschappijgebonden fenomenen (Politiek-juridisch, Economisch, Socio-cultureel, Technologisch) die indirect invloed uitoefenen op de organisatie. OF deel van de externe omgeving waarmee de organisatie veeleer indirect en eenzijdig interageert: de algemene omgeving oefent invloedt uit op de organisatie, maar de organisatie heeft zo goed als geen impact op deze omgeving
Effectiviteit
Heeft betrekking op de daadwerkelijke realisatie van de doelen; het doen van de juiste dingen.
Efficiëntie
Het zuinig beheersen van middelen om met zo weinig mogelijk inspanning of input een maximaal resultaat te behalen; de dingen juist doen.
Managementfuncties van Fayol
Een procesbestaande uit vier functies: Plannen, Organiseren, Leidinggeven en Controleren.
Porter's toegevoegde waardeketting
welke concrete inspanningen of activiteiten grijpen er achtereenvolgens plaats bij de tot stand koming en de verkoop van het product of de dienstverlening. Een model dat onderscheid maakt tussen primaire kernactiviteiten (direct verband met realisatie product) en ondersteunende activiteiten (indirect verband).
Klassiek rationeel managementperspectief
Een mechanistische kijk waarbij de mens als een rationele wezen wordt gezien en formele regels en procedures het gedrag bepalen.
Scientific management (Taylor)
Inzicht gericht op doorgedreven taakverdeling, bewegingsstudies en beloning op basis van prestaties om efficiëntie te verhogen.
Human relations perspectief
Een mensgerichte kijk waarin aandacht, respect en sociale contacten centraal staan voor de motivatie van medewerkers.
Contingentiebenadering
Managementperspectief dat stelt dat de manier van managen situationeel of situatieafhankelijk is, beïnvloed door factoren zoals omvang en omgeving.
Visie
Het collectieve beeld van de toekomst en het toekomstideaal dat de organisatie nastreeft; de droom.
Missie (Opdrachtverklaring)
De basis voor de identiteit en bestaansgrond van een organisatie; waar de organisatie voor staat en wie ze wil zijn.
SWOT-analyse
Een instrument om Sterktes en Zwaktes (intern) en Kansen (Opportunities) en Bedreigingen (extern) in kaart te brengen.
Halo-effect
Een perceptiefout waarbij één enkel positief kenmerk de rest van de informatie over een persoon overschaduwt.
SMART-criteria
Kwaliteitseisen voor doelstellingen: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden.
Management by Objectives (MOB)
Een systeem waarbij overkoepelende doelen in overleg worden doorvertaald naar persoonlijke doelen voor medewerkers.
Taakspecialisatie
De mate waarin taken binnen een organisatie zijn opgedeeld in afzonderlijke deeltaken voor individuele leden.
Departementalisatie
Het bundelen van functies of leden in werkeenheden zoals afdelingen of diensten op basis van functie, product of markt.
Differentiatieparadox
Het fenomeen waarbij grotere afsplitsing (departementalisatie) de nood aan coördinatie verhoogt, maar tegelijkertijd de uitvoering bemoeilijkt door verschillende leefwerelden.
Span of control
Het aantal medewerkers waarop een leidinggevende rechtstreeks invloed kan uitoefenen.
Lijn- en stafuncties
Lijnfuncties beschikken over beslissingsbevoegdheid; stafuncties hebben een adviserende rol op basis van expertise.
Mintzberg's Strategische top
Het onderdeel van de organisatie verantwoordelijk voor de gehele organisatie en de algemene strategie.
Machinebureaucratie
Structuurtype van Mintzberg gekenmerkt door sterke centralisatie, smalle span of control en standaardisatie van werkprocessen door de technostructuur.
Feedforward
Vorm van processturing waarbij vooraf specifieke richtlijnen en criteria worden gegeven over toekomstige verwachtingen.
Clancontrolemechanisme (Ouchi)
Controle gebaseerd op gedeelde waarden, normen en tradities in situaties van grote onvoorspelbaarheid.
Validiteit (van een indicator)
Maatstaf die aangeeft of een indicator daadwerkelijk de beoogde doelstelling nauwkeurig en volledig meet.