Biologie examentraining eindsprint dag 2

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/121

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:03 AM on 4/14/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

122 Terms

1
New cards

hoe vertakken de longen?

van de bronchiën naar de bronchiolen, naar de longblaasjes

2
New cards

wat is het gevolg van het aanspannen van het middenrif/diafragma?

hierdoor is er meer ruimte in de longen

3
New cards

wat is het inademing reservevolume/ inspiratoir reservolume?

de hoeveelheid lucht die met kracht extra kan worden ingeademd na een normale, rustige inademing

4
New cards

wat is de dode ruimte?

het deel van de luchtwegen (neus, keel, luchtpijp, bronchiën) waar geen gaswisseling plaatsvindt. hierdoor bereikt een deel van de ingeademde lucht de longblaasjes niet

5
New cards

wat zijn de functies van de longen?

het opnemen van zuurstof (O2) uit de lucht in het bloed en het afgeven van koolstofdioxide (CO2)

6
New cards

wat beschrijft de Wet van Fick?

de snelheid waarmee deeltjes (gassen of vloeistoffen) diffunderen van een hoge naar een lage concentratie.

7
New cards

geeft ^c in de wet van Fick de concentratie O2/CO2 in de longen of het bloed weer?

in de longen

8
New cards

wat betekent de diffusiecoëfficient?

eigenlijk hoe goed iets diffundeert

9
New cards

waar bindt zuurstof aan? hoeveel zuurstofmoleculen kunnen hieraan binden

de ijzer in hemoglobine, 4 bindingsplekken

10
New cards

waarom ontstaat er een zuurstoftekort bij koolstofmono-oxidevergifting?

koolmonoxide bindt sterker aan hemoglobine dan zuurstof, hierdoor zijn er minder/geen bindingsplaatsen voor zuurstof. Ook zorgt de aanwezigheid van CO ervoor dat de zuurstof die wel is gebonden aan het bloed, moeilijker wordt losgelaten aan de weefsels

11
New cards

waar zit myoglobine en wat doet het?

in de spiercellen, slaat extra O2 op.

12
New cards

wat is het verschil tussen hemoglobine en myoglobine?

hemoglobine transporteert zuurstof via het bloed (van longen naar weefsel) en bevat 4 bindingsplaatsen, myoglobine slaat zuurstof op in spiercellen en bevat 1 bindingsplaats

13
New cards

wat is het Bohr-effect?

fysiologisch proces waarbij hemoglobine in het bloed gemakkelijker zuurstof (O2) loslaat wanneer de koolstofdioxideconcentratie (CO2) stijgt of de pH-waarde daalt, hierdoor wordt er meer O2 afgegeven aan de weefsels

14
New cards

wat is O2 verzadiging van hemoglobine?

de hoeveelheid zuurstof die is gebonden aan hemoglobine

15
New cards

wat gebeurt er met zuurstof bij een hoge CO2- druk?

hierdoor kan er minder zuurstof worden gebonden, dit leidt tot een lagere O2-verzadiging.

16
New cards

waarom en wanneer openen de huidmondjes?

Overdag om koolstofdioxide (CO2) op te nemen voor fotosynthese en om zuurstof af te geven. sommige planten openen hun huidmondjes ook ‘s nachts om water te besparen in een droge omgeving. 

17
New cards

waarom en wanneer sluiten de huidmondjes?

Bij de meeste planten sluiten de huidmondjes 's nachts. Omdat er dan geen licht is voor fotosynthese, is de CO2-opname niet nodig en voorkomt sluiten onnodig waterverlies. Als het te warm of te droog is, sluiten de huidmondjes om uitdroging door te hoge verdamping (waterverlies) te voorkomen.

18
New cards

wat is turgor?

de druk van de celinhoud tegen de celwand in planten, die zorgt voor stevigheid (celspanning). Het ontstaat doordat water door osmose de cel in stroomt.

19
New cards

wat is de functie van veel kronkels van de dunne darm?

dit leidt tot oppervlaktevergroting, hierdoor kan meer diffusie plaatsvinden

20
New cards

hoe kan glucose bij een hoge concentratie binnen de cel alsnog de cel binnenstromen?

De cel gebruikt de energie van de natriumgradiënt om glucose naar binnen te dwingen, onafhankelijk van hoe hoog de glucoseconcentratie al in de cel is. Natrium en glucose wordt samen de cel in getransporteerd

21
New cards

hoe werkt de afbraak van eiwitten?

  1. bij de vertering van eiwitten komen aminozuren vrij.

  2. overtollige aminozuren worden in de lever afgebroken, hier komt ammoniak vrij.

  3. de lever zet de giftige ammoniak snel om in ureum

  4. de nieren filteren de ureum uit het bloed en scheiden het uit via de urine.

22
New cards

wat zijn de functies van de lever?

  1. produceren van gal

  2. stofwisseling: vetstofwisseling: verzadigde vetzuren -> onverzadigde vetzuren

suikerstofwisseling

aminozuurstofwisseling

  1. opslag van vetten, suiker en aminozuren

  2. afbraak afval- en gifstoffen (medicijnen, rode bloedcellen)

  3. maken van cholesterol

23
New cards

wat is HDL en LDL?

HDL: ‘goed‘. Ruimt cholesterol op en brengt dit naar de lever voor afbraak.

LDL: ‘slecht‘. Vervoert cholesterol naar cellen; bij te veel hoopt het zich op in de vaatwand. hoe lager, hoe beter

24
New cards

wat is HDL en LDL?

vet-eiwitverbindingen (lipoproteïnen) die cholesterol door het bloed vervoeren

25
New cards

wat is cholesterol? waar geproduceerd? wat gebeurt er bij een overmaat?

bouwstof voor cellen geproduceerd door de lever, een overmaat cholesterol kan leiden tot hart- en vaatziekten

26
New cards

functie van de huid?

  • bescherming

  • temperatuurregulatie

27
New cards

functie van de nieren?

  • filteren afvalstoffen uit het bloed

  • water- en zouthuishouding

  • hormonen maken

28
New cards

waarvoor is ADH belangrijk bij nieren?

voor het permeabel maken van de lis van henle

29
New cards

hoe worden de drieslippige kleppen ook wel genoemd?

de AV-kleppen

30
New cards

wat is het verschil in bouw tussen aders en slagaders?

aders hebben kleppen zodat het bloed niet terugstroomt, slagaders niet
aders zijn veel minder sterk voor minder hoge druk, slagaders zijn sterk en elastisch

31
New cards

Wanneer krijgt iemand een pacemaker

als de sinusknoop niet voldoende impulsen genereert over de boezems, wanneer het hartritme te laag is of als er pauzes in de hartslag optreden

32
New cards

via waar in het hart wordt een signaal gemaakt?

via de AV-knoop en sinusknoop

33
New cards

wat is de bloeddruk?

de druk die het bloed op de wand van een bloedvat uitoefent

34
New cards

wat is de onderdruk en bovendruk?

onderdruk: Na het samentrekken van de hartkamers ontspant het hart zich (hartpauze). De druk in de slagaders daalt tot het laagste punt.

bovendruk: Wanneer de hartkamers (ventrikels) krachtig samentrekken, persen ze bloed met hoge druk de slagaders in. Deze maximale druk op de vaatwanden tijdens het samentrekken is de bovendruk

35
New cards

wat zijn de 3 stappen van bloedstolling?

  • er ontstaat een wond

  • Bloedplaatjes plakken aan elkaar aan de wond

  • Onder invloed van fibrinogeen worden er fibrinedraden gevormd

36
New cards

wat vindt er in de placenta plaats?

gasuitwisseling tussen bloed van de moeder en bloed van de foetus plaats

37
New cards

wat is oedeem?

chronische opstapeling van eiwitrijk vocht in weefsels, veroorzaakt door een verstoorde afvoer via het lymfestelsel

38
New cards

wat zijn bastvaten en houtvaten?

Houtvaten: vervoeren water en mineralen van wortels omhoog naar bladeren

Bastvaten: vervoeren suikers (glucose) van bladeren naar de rest van de plant

39
New cards

waar slaan aardappels zetmeel op? en waarom zetmeel?

in de knollen, Zetmeel is onoplosbaar, waardoor het een efficiënte, stabiele vorm van energieopslag is die de osmotische waarde in de cel niet beïnvloedt (in tegenstelling tot glucose

40
New cards

wat is de worteldruk? waarvan is het het gevolg?

de positieve druk die wortels opbouwen om water en mineralen vanuit de bodem omhoog te persen in de houtvaten, de worteldruk is het gevolg van een hogere osmotische waarde in de binnenste laag van de wortel

41
New cards

wat is cohesie en adhesie bij planten?

cohesie: het aan elkaar plakken van moleculen

Adhesie: watermoleculen die aan de wanden van de houtvaten kleven

42
New cards

wat is de capillaire werking?

het natuurlijke proces waarbij water, samen met voedingsstoffen, door smalle buisjes (xyleem) in de plant omhoog stroomt, tegen de zwaartekracht in. dit gebeurt door een combinatie van cohesie en adhesie samen.

43
New cards

wat is hydrolyse?

Hydrolyse verbreekt de verbindingen tussen moleculen door een watermolecuul (H2O) toe te voegen. door de hydrolyse van ATP wordt er energie vrijgemaakt die de plant kan gebruiken

44
New cards

wat is de colloïd-osmotische druk?

de aanzuigende kracht, voornamelijk veroorzaakt door plasma-eiwitten zoals albumine, die vocht vanuit de weefsels terug in de bloedbaan trekt. ook wel hoeveel eiwitten er in het bloed zitten

45
New cards

is het poollichaampje diploïd of haploïd?

vrijwel altijd haploid, als hij diploid is door bevruchting vindt er een miskraam plaats. 

46
New cards

hoe veroorzaakt een hoge bloeddruk oedeem?

  1. Er wordt meer vocht uit de haarvaten geperst (filtratie).

  2. Verstoorde balans: De terugname van vocht (absorptie) schiet tekort.

  3. Ophoping: Het lymfestelsel kan het overschot niet verwerken, waardoor vocht in de weefsels blijft staan.

47
New cards

waar worden rode en witte bloedcellen geproduceerd?

rode in het rode beenmerg, witte in het gele beenmerg

48
New cards

wat is de functie van de milt bij de afweer?

de milt filtert ziekteverwekkers uit het bloed

49
New cards

wat zijn antigenen?

eiwitten die op het celmembraan van een cel zitten

50
New cards

wat doet een dendritische cel bij de afweer?

zelfde functie als een fagocyt: eet een ziekteverwekker op maar gaat vervolgens dood

51
New cards

waar reageert het humorale afweersysteem op?

reageert op ziekteverwekkers in lichaamsvloeistoffen

52
New cards

waar reageert het cellulaire afweersysteem op?

reageert op ziekteverwekkers in lichaamscellen (geïnfecteerde cellen)

53
New cards

met wat valt het humorale en cellulaire afweersysteem aan?

cellulaire: met cytotoxische T-cellen

humorale: met antistoffen

54
New cards

welke B-cellen zijn er en wat is hun functie?

Plasmacellen: produceren antistoffen

Geheugencellen: immuniteit

55
New cards

welke T-cellen zijn er en wat is hun functie?

  • cytotoxische T-cellen: doden geïnfecteerde cellen

  • T-geheugencellen: immuniteit

  • T-helpercellen: activeren B-cellen

  • T-suppressorcellen: remmen B-cellen

56
New cards

wat is de functie van fagocyten?

  1. ziekteverwekker wordt herkend

  2. fagocyten sluiten de ziekteverwekker op

57
New cards

hoe werkt antigeen presentatie?

  1. fagocytose van de ziekteverwekker (macrofaag eet hem op)

  2. macrofaag presenteert het antigeen van de ziekteverwekker op zijn celmembraan = antigeen presenterend cel (APC)

58
New cards

wat is het verschil tussen passieve en actieve natuurlijke immunisatie?

  • actief: lichaam maakt zelf antistoffen tegen de ziekteverwekker

    • passief: lichaam maakt niet zelf antistoffen: baby drinkt moedermelk waar antistoffen in zitten

59
New cards

wat is het verschil tussen passieve en actieve kunstmatige immuniteit?

kunstmatige immuniteit: het lichaam wordt geholpen bij het aanmaken van antistoffen

  • actief: vaccinatie

  • passief: serum met antistoffen toedienen

60
New cards

wat presenteert MHC-I en MHC-II voor antigenen?

MHC-I: lichaamseigen antigenen

MHC-II: niet-lichaamseigen antigenen

61
New cards

welke cellen zorgen voor lysis? wat is lysis?

cytotoxische T-cellen. lysis = een geïnfecteerde cel lek prikken en laten leeglopen

62
New cards

is resuspositief en resusnegatief wel antistoffen en antigenen of niet?

resuspositief: wel antigenen, geen antistoffen

resusnegatief: wel antistoffen en geen antigenen

63
New cards

waarom kan een resuspositief kindje gevaarlijk zijn voor een resusnegatieve moeder?

omdat het lichaam van de moeder antistoffen aanmaakt tegen het bloed van haar baby, wat leidt tot rhesusziekte. Deze antistoffen passeren de placenta en vallen de rode bloedcellen van de baby aan.

64
New cards

wat is een ecosysteem?

min of meer begrensd gebied waarin een wisselwerking plaatsvindt tussen biotische en abiotische factoren

65
New cards

voorbeelden van mechanische en chemische afweer bij planten?

mechanisch: stekels en doornen

chemisch: caffeine, stoffen die stinken

66
New cards

wat zijn abiotische en biotische factoren? voorbeeld?

  • biotische factoren: planten, dieren, bacteriën - levend

    • abiotische factoren: temperatuur, licht - niet-levend

67
New cards

wat is een habitat?

leefgebied van een organisme binnen een ecosysteem

68
New cards

wat is een populatie?

groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied die zich onderling voortplanten

69
New cards

wat is een levensgemeenschap en biodiversiteit?

  • levensgemeenschap: alle populaties in een bepaald gebied samen

  • biodiversiteit: totale verscheidenheid aan leven in een gebied

70
New cards

wat is een niche binnen een ecosysteem? voorbeelden?

zijn unieke rol of functie in het ecosysteem

  • voedingsgewoonten

  • gedrag

    • interactie met andere soorten

71
New cards

wat zijn organische stoffen?

afkomstig van organismen of delen daarvan

  • grotere energierijke moleculen

    • suikers, glucose, zetmeel, cellulose

72
New cards

wat zijn anorganische stoffen?

 afkomstig uit de levenloze natuur

  • energie-arme, relatief kleine moleculen

  • zuurstof, koolstofdioxide, water, mineralen (energiearm)

73
New cards

wat is de productiviteit?

hoeveelheid energie die in de vorm van organische stoffen wordt vastgelegd in een trofisch niveau

74
New cards

waardoor gaat energie verloren tussen trofische niveaus?

omdat organismen niet alles kunnen opeten en sommige energie wordt gebruikt voor verbranding en dissimilatie, waardoor er steeds minder energie overblijft voor de volgende niveaus

75
New cards

hoe kan concurrentie tussen verschillende soorten worden tegengegaan?

door specialisatie: elke soort krijgt zijn eigen habitat en niche in een ecosysteem

76
New cards

wat is predatie?

een interactie waarbij het ene organisme (de predator of roofdier) een ander levend organisme (de prooi) doodt en opeet

77
New cards

wat is een voortplantingsrelatie? voorbeeld?

een vorm van samenwerking tussen twee verschillende soorten, waarbij de ene soort (of beide) hulp nodig heeft van de andere soort om zich succesvol voort te planten. Voorbeeld: Bloemen hebben insecten (zoals bijen) of vogels nodig om stuifmeel over te brengen voor de bevruchting.

78
New cards

wat is de eiland theorie?

de biodiversiteit op een eiland hangt af van de grootte van het eiland en de afstand tot het vasteland. Een groter eiland dicht bij het vasteland heeft de hoogste biodiversiteit, terwijl een klein, afgelegen eiland de laagste biodiversiteit heeft. 

79
New cards

waar is de populatiegrootte van afhankelijk?

  • Draagkracht = maximale grootte van een populatie die een ecosysteem kan verdragen (op begeven moment is er niet meer genoeg voedsel of zonlicht van een populatie).

  • geboorte

  • sterfte

    • migratie

80
New cards

wat is de J-curve en S-curve?

J-curve: exponentiële, onbeperkte groei in een ideale omgeving.

S-curve (logistische groei): groei die vertraagt wanneer de populatie de draagkracht van de omgeving bereikt.

81
New cards

wat is het macroklimaat en microklimaat?

macroklimaat: gemiddelde weer van een groot gebied over een bepaalde tijd

microklimaat: de klimaatomstandigheden in een klein gebied (bergen, luchtdichtheid)

82
New cards

waar zit koolstof allemaal in?

  1. de lucht

  2. water

  3. glucose

  4. organische stoffen

83
New cards

waar wordt CO2 opgeslagen en door wat?

in glucose door fotosynthese en chemosynthese

84
New cards

wat is een broeikasgas? wat is het effect ervan?

een gas in de atmosfeer dat warmtestraling van de aarde opneemt en vasthoudt, waardoor de temperatuur op aarde stijgt. Dit proces staat bekend als het broeikaseffect.

85
New cards

waar zit stikstof allemaal in?

  1. de lucht

  2. de bodem

  3. organische stoffen in planten (DNA, eiwitten)

  4. organische stoffen in dieren

  5. urine

  6. water

86
New cards

wat is successie?

de natuurlijke, geleidelijke verandering in de soortensamenstelling van planten en dieren in een gebied, waarbij levensgemeenschappen elkaar in de tijd opvolgen. 

87
New cards

wat is een climaxecosysteem?

 eindstadium van de successie. Het is een stabiel ecosysteem dat ontstaat als het milieu gedurende lange tijd niet wordt beïnvloed door het ingrijpen van de mens.w

88
New cards

wat is een pioniersecosysteem?

het eerste ecosysteem dat ontstaat in een nieuw of verstoord gebied (zoals kaal zand, een vers gegraven poel of een plek na een bosbrand)

89
New cards

wat is een gradiëntecosysteem?

geleidelijke verandering van milieufactoren en soortensamenstelling binnen een ecosysteem

90
New cards

waar zijn vitamines en mineralen belangrijk voor?

vitamines: groei, herstel en algemeen goed functioneren

mineralen: groei, ontwikkeling en stofwisseling

91
New cards

door wat worden vitamines en mineralen verkregen?

vitaminen: niet door ons lichaam (alleen vitamine D en K)

mineralen: niet gevormd door levens organisme, ze komen voor in de natuur en worden opgenomen door planten en dieren

92
New cards

door welke 2 stappen wordt urine gevormd?

  1. ultrafiltratie

    1. terugresorptie

93
New cards

wat is ultrafiltratie?

een proces waarbij een vloeistof onder druk door een semipermeabel membraan wordt geperst. dit gebeurt in het kapsel van Bowman, hieruit ontstaat voorurine

94
New cards

wat is terugresorptie?

enkele nuttige stoffen worden aan de voorurine onttrokken, er gaat ook water terug naar het bloed door osmose

95
New cards

wat is de kleine bloedsomloop?

hart - longen hart

zuurstofarm naar zuurstofrijk

96
New cards

wat is grote bloedsomloop?

hart - organen - hart

van zuurstofrijk naar zuurstofarm

97
New cards

hoe wordt weefselvloeistof gevormd?

  1. door de bloeddruk wordt er vocht en opgeloste stoffen uit de haarvaten geperst

    1. dit vocht met opgeloste stoffen stroomt door het weefsel (=weefselvloeistof)

98
New cards

wat zijn tolerantiegrenzen?

de uiterste minimum- of maximumwaarde van een abiotische factor (zoals temperatuur, licht of vochtigheid) waarbij een organisme net kan overleven.

99
New cards

wat is de beperkende factor?

de abiotische of biotische factor die het minst beschikbaar is, bijv. zonlicht

100
New cards

welke 6 stappen vinden plaats bij eutrofiëring?

  1. overschot aan voedingsstoffen in het water

  2. Algenbloei

  3. Minder licht voor de waterplanten

  4. Die planten gaan dood

  5. Veel zuurstof nodig voor de afbraak door reducenten (aeroob proces) + minder planten die zuurstof produceren

  6. Water wordt zuurstofarm

  7. Vissen stikken