Kaarten: 1+2. Farmacokinetiek - Transport van farmaca over biologische membranen | Quizlet

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/38

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 4:08 PM on 4/22/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

39 Terms

1
New cards

Wat bestudeert farmacokinetiek?

De veranderingen van de concentratie van een geneesmiddel in het lichaam in functie van de tijd

→ door absorptie, distributie en secretie van farmaca

2
New cards

Hoe beweegt een geneesmiddel doorheen het lichaam?

Dosis → plasmaconcentratie → weefselconcentratie → effect.

3
New cards

Leidt dezelfde dosis bij verschillende patiënten tot dezelfde plasmaconcentratie?

Nee, Door de interpatient variabiliteit in farmacokinetiek kan dezelfde dosis leiden tot een verschillende plasmaconcentratie en effect

4
New cards

Waar gebeuren absorptie, distributie en eliminatie?

Absorptie: Maagdarmkanaal → Bloedbaan

Distributie: Plasma → Plaats van werking

Eliminatie: lever + nieren (geneesmiddel moet over membranen passeren)

5
New cards

Welke routes kan een geneesmiddel volgen om biologische membranen te passeren?

Paracellulair (tussen cellen) of transcellulair transport (doorheen cellen)

6
New cards

Welke typen transport vallen onder transcellulair transport?

Passief transport en carrier-gemedieerd transport.

7
New cards

Hoeveel transport gebeurt er via paracellulair transport doorheen de darmen?

Beperkt → de poriën tussen de enterocyten zijn klein en ze vormen een klein oppervlak van de darm dat dient voor transport

8
New cards

Hoeveel transport gebeurt er via paracellulair transport doorheen de capillairen?

Meer + grotere geneesmiddelen kunnen passeren, omdat ze grotere poriën hebben (glomerulaire filtratie)

9
New cards

Wat is de belangrijkste vorm van transport van geneesmiddelen door membranen?

Passieve niet-ionische diffusie (transcellulair doorheen PPL dubbellaag)

10
New cards

Hoe gebeurt passieve niet-ionische diffusie van een geneesmiddel?

Het geneesmiddel lost min of meer op met het membraan en diffundeert naar de zijde met de laagste concentratie

11
New cards

Wat betekent een hoge P-waarde (vet-waterpartitiecoëfficiënt) voor een geneesmiddel?

Het is meer lipofiel.

12
New cards

Wat betekent een P-waarde = 1?

Gelijke verdeling over waterige en lipofiele fase

13
New cards

Wat is de belangrijkste fysicochemische eigenschap voor de diffusiesnelheid van een geneesmiddel?

vetoplosbaarheid

(diffusiviteit (mobiliteit van een stof) verschilt weinig tussen geneesmiddelen)

14
New cards

Welke factoren verhogen de absorptiesnelheid via diffusie? (5)

  • Kleinere molecuulgrootte (< 500 Da),

  • Hogere diffusiecoëfficiënt (D),

  • Groter diffusieoppervlak,

  • hogere lipofilie/P-waarde,

  • grotere concentratiegradiënt tussen darmlumen en vasculaire ruimte.

15
New cards

Wat is een nadeel van een zeer hoge P-waarde (>5)?

Vetoplosbaarheid hoog; Wateroplosbaarheid laag

  • Geneesmiddelen kunnen zich ophopen in het celmembraan (verhinderde passage)

16
New cards

Wanneer gebeurt oplossing/dissolutie van een geneesmiddel het best?

Wanneer het geneesmiddel hydrofiel is (waterige omgeving van maag en gastro-intestinaal stesel)

17
New cards

Wanneer gebeuren absorptie en dissolutie van een geneesmiddel het best?

Dissolutie; beter als geneesmiddel hydrofiel is

Absorptie; beter als geneesmiddel lipofiel is

18
New cards

Welke andere factoren beïnvloeden dissolutie en absorptie (naast vetoplosbaarheid)? + Wat bepaalt die factoren nog?

De pKa van het geneesmiddel en de pH van de omgeving

  • Ze bepalen ook de diffusiesnelheid

19
New cards

Wat wordt er bepaald door de relatie tussen pKa en pH van een geneesmiddel? (2)

  • De graad van ionisatie

  • De verhouding tussen de niet-geïoniseerde (lipofiele) en geïoniseerde (hydrofiele) vorm.

20
New cards

De meeste geneesmiddelen zijn welke type stoffen? (zuurgraad)

Zwakke zuren of zwakke basen.

21
New cards

Welke vorm van ionisatie van een geneesmiddel kan door diffusie doorheen membranen passeren?

Alleen de niet-geïoniseerde vorm. (lipofiel)

22
New cards

Wat geeft de pKa (dissociatieconstante) van een stof aan?

De pH waarbij er evenveel geïoniseerde als niet-geïoniseerde moleculen zijn.

23
New cards

In welke zuurgraad diffunderen zure + basische geneesmiddelen het best?

Zure geneesmiddelen: zure pH

Basische geneesmiddelen: basische pH

(rekening houdend met pH-verschil aan beide zijden)

24
New cards

Leg ion-trapping uit met acetylsalicylzuur (aspirine)

  • In zure maag is acetylsalicylzuur voor 99% niet-geïoniseerd → makkelijke opname door maagwand

  • Van maag naar bloed(plasma) → acetylsalicylzuur wordt geïoniseerd door hogere pH van plasma

  • Geïoniseerde vorm kan niet terug naar de maag; blijft vast zitten in plasma + meer absorptie van maag naar plasma = ion trapping

25
New cards

Waar gebeurt de meeste opname/absoptie van geneesmiddelen?

Dunne darm

26
New cards

Hoe gebeurt carrier gemedieerd transport?

Transporteiwitten helpen stoffen door het membraan

  • met de concentratiegradiënt mee (Passief, geen energie verbruik, laag → hoog)

  • Tegen de concentratiegradiënt (Actief, energieverbruik, hoog → laag)

27
New cards

Wat zijn een belangrijk kenmerk van de transporters?

Ze hebben een maximale transportcapaciteit (verzadigbaar)

28
New cards

Bij welke processen zijn transporteiwitten betrokken?

Beperken van opname van geneesmiddelen in weefsels + eliminatie

29
New cards

Welke transporters bevinden zich in de apicale en basolaterale membranen van dunne darm epitheelcellen?

Transporters voor aminozuren en di-/tripeptiden (opname aminozuren uit voeding)

30
New cards

Noem enkele geneesmiddelen die via aminozuur-transporters worden opgenomen. (5)

  • L-dopa

  • α-methyldopa

  • baclofen

  • melfalan

  • gabapentine

31
New cards

Welke geneesmiddelen worden via di- en tripeptidetransporters opgenomen? (apicaal) (3)

  • Cefalosporines

  • penicilline

  • ACE-remmers

32
New cards

Wat is P-glycoproteïne P (P-gP)?

Een efflux transporter = multiple drug-resistant receptor (MDR1)

33
New cards

In welke organen komt P-gP voor?

Apicale membraan van darmenterocyten, lever, nieren en hersenen.

34
New cards

Tot welke superfamilie behoort P-gP?

ATP-Binding Cassette (ABC)-transporters.

35
New cards

Wat is het effect van P-gP in enterocyten op orale geneesmiddelopname? + oplossing

Het beperkt opname van sommige geneesmiddelen

→ Parenterale toediening

→ P-gP-inhibitoren

36
New cards

DELETE

  • Ciclosporine

  • valspodar

  • tariquidar

37
New cards

In welke twee superfamilies worden carriers ingedeeld?

ABC-superfamilie en solute carriers (SLC).

38
New cards

Wat is het Breast Cancer Resistance Protein (BCRP)?

Een effluxpomp aan de bloed-hersenbarrière die het CZS beschermt tegen toxische stoffen.

39
New cards

Wat is het nadeel van BCRP voor geneesmiddelontwikkeling? + gevolg

Het verhindert toegang van therapeutisch nuttige stoffen tot het CZS.

→ Intrathecale toediening van cytotoxische verbindingen.