1/43
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Effecten op Kennis
Media-effecten die betrekking hebben op informatie en feiten, oftewel wat we weten over een onderwerp (bijv. de samenstelling van de Vlaamse regering).
Effecten op Opinies/Attitudes
Media-effecten die invloed hebben op de mening of houding ten opzichte van een onderwerp, zoals het vertrouwen in politici.
Effecten op Gedrag
Media-effecten die bepalen hoe mensen handelen, bijvoorbeeld of en op wie ze gaan stemmen.
Symbolische realiteit
Het beeld van de werkelijkheid dat ontstaat door mediëring, die samen met de 'objectieve' realiteit ons totale beeld van de werkelijkheid vormt.
Causaliteit (Media-onderzoek)
De moeilijkheid om vast te stellen of mediagebruik het publiek beïnvloedt of dat publiekskenmerken bepalen welke media men gebruikt (correlatie is niet per se causatie).
Almighty media (Fase 1)
De periode tussen 1920 en 1940 waarin men geloofde dat media een direct en onmiddellijk effect hadden op een passief publiek (Stimulus-response model).
Hypodermic needle (Injectienaald-theorie)
Een metafoor uit de 'Almighty media' fase die stelt dat media-boodschappen als het ware rechtstreeks in het publiek worden 'geïnjecteerd'.
Minimal effects hypothesis (Fase 2)
De periode tussen 1940 en 1960 waarin onderzoek (zoals van Lazarsfeld) aantoonde dat de impact van media op het publiek beperkt en indirect is.
Two-step flow of communication
Een model van Lazarsfeld waarbij informatie vanuit de massamedia eerst de opinieleiders bereikt, die het vervolgens doorgeven aan hun sociale netwerk.
Opinieleider
Individuen binnen een sociaal netwerk die informatie uit de media interpreteren en verspreiden naar anderen, waardoor zij de publieke opinie beïnvloeden.
Selectieve blootstelling (Selective exposure)
Het fenomeen waarbij mensen vooral media consumeren die aansluiten bij hun bestaande overtuigingen om dissonante informatie te vermijden.
Uses and gratifications theory
Een theorie die de focus verlegt van wat media met mensen doen naar wat mensen met media doen (bijv. informatie, entertainment of sociale cohesie).
Back to powerful mass media (Fase 3)
De fase vanaf de jaren 70 die kritiek gaf op de minimale-effectenhypothese en nadruk legde op langetermijneffecten en veranderende technologie.
Spiral of Silence (Zwijgspiraal)
Theorie van Noelle-Neumann die stelt dat mensen hun mening niet durven te uiten als ze denken dat deze afwijkt van de dominante publieke opinie in de media.
Sociaal constructivisme
Een theoretisch kader waarin de media mede betekenis geven aan onze sociale realiteit zonder onmiddellijk meetbaar effect.
Cultivation theory (Gerbner)
Een theorie die stelt dat media (vooral televisie) op lange termijn het beeld dat mensen hebben van de werkelijkheid vormgeven, bijvoorbeeld over geweld.
Conditional effects (Fase 4)
De periode in de jaren 80 en 90 waarin men stelde dat media wel effect hebben, maar dat dit afhangt van specifieke omstandigheden en voorwaarden.
Agenda-setting
De theorie dat media bepalen welke onderwerpen door het publiek als belangrijk worden beschouwd.
Priming
Het proces waarbij media-aandacht voor een onderwerp de criteria beïnvloedt waarmee het publiek politieke actoren beoordeelt.
Framing
De manier waarop een onderwerp wordt gepresenteerd in de media, wat de interpretatie door de ontvanger stuurt.
A new era of minimal effects? (Fase 5)
De huidige fase (Bennett & Iyengar, 2008) waarbij door technologisering en fragmentatie mensen vooral hun eigen mening bevestigd zien en effecten weer beperkter lijken.
Inadvertent audience
Het publiek dat 'per ongeluk' naar het nieuws kijkt (bijv. voor of na een ander programma), een groep die door de toename aan kanalen bijna is verdwenen.
Filter bubbels
Het resultaat van selectieve blootstelling op sociale media waarbij gebruikers alleen nog informatie zien die hun wereldbeeld bevestigt.
Agenda-setting
Het proces waarbij de media bepalen waarover mensen denken (issue salience) in plaats van wat mensen denken (issue positions).
Cohen (1963)
Auteur van de beroemde quote: "The press may not be successful much of the time in telling people what to think, but it is stunningly successful in telling people what to think about."
Issue salience
De mate van belang die aan een bepaald thema wordt gehecht door het publiek als gevolg van media-aandacht.
McCombs & Shaw (1972)
Grondleggers van agenda-setting die via onderzoek naar de presidentscampagne in Chapel Hill (1968) een correlatie van .979 vonden tussen media-aandacht en publiek belang.
Spurious relationship
Een kritiekpunt op agenda-setting waarbij wordt gesuggereerd dat zowel media als publiek simpelweg reageren op de 'real world' (werkelijke gebeurtenissen).
Obtrusive vs. Non-obtrusive issues
Een factor in de contingency van agenda-setting waarbij het effect verschilt naargelang een thema direct ervaarbaar is of ver van het publiek afstaat.
Need for orientation
De behoefte van het publiek aan sturing, bepaald door de relevantie van het onderwerp en de mate van onzekerheid daarover.
Inter-media agenda-setting
De tendens waarbij verschillende media-outlets op dezelfde issues focussen en elkaars agenda overnemen.
Priming
Het effect waarbij de hoeveelheid media-aandacht voor een issue bepaalt hoe zwaar dat issue doorweegt bij het beoordelen van politieke kandidaten.
Iyengar & Kinder (1987)
Grondleggers van priming en auteurs van 'News that matters', die aantoonden dat TV-nieuws de standaarden beïnvloedt waarmee regeringen en kandidaten worden beoordeeld.
Issue ownership
Een partijstrategie om zich te profileren op thema's waarvan het publiek vindt dat die specifiek bij die partij horen of door hen het best behandeld worden.
Framing
Een metacommunicatieve boodschap die een denkkader aanbiedt waardoor een situatie betekenis en samenhang krijgt (Van Gorp, 2004).
Episodische vs. Thematische frames
Een vorm van generieke frames waarbij de focus ligt op specifieke gebeurtenissen (episodisch) versus een bredere context of maatschappelijke trends (thematisch).
Kahneman & Tversky (1979)
Psychologische grondleggers van framing, bekend van het 'Asian disease experiment' over equivalence framing.
Equivalence framing
Een vorm van framing waarbij de inhoud van de boodschap identiek is, maar anders gepresenteerd wordt (bijvoorbeeld als winst of verlies).
Gain frame vs. Loss frame
Framing waarbij de focus ligt op wat men kan winnen (leidt vaak tot de zekere optie) versus wat men kan verliezen (leidt vaak tot de risicovolle optie).
Emphasis framing
Een concept van Entman (1993) waarbij specifieke aspecten van de werkelijkheid worden geselecteerd om een bepaalde probleemdefinitie of evaluatie te bevorderen.
Frame-building
Het onvermijdelijke proces van het kiezen van een perspectief bij het maken van nieuws, vergelijkbaar met het kadreren van een foto.
Accessibility
Het causale mechanisme achter agenda-setting gebaseerd op recency (recentheid) en frequency (frequentie) in het geheugen.
Applicability
Het causale mechanisme achter framing waarbij een thema wordt geassocieerd met een specifieke interpretatie door frequente combinatie.
Second-level agenda-setting
Een term die soms wordt gebruikt voor framing, waarbij niet alleen het onderwerp maar ook de kenmerken (attributes) ervan worden gezet door de media.